Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201106749/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een steiger met golfbreker (hierna: het bouwplan) in de Kagerplassen, bij het perceel [locatie] te Kaag (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Woningwet 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/704
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2881
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106749/1/A1.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend en gevestigd te Voorhout, gemeente Teylingen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 mei 2011 in zaak nrs. 11/3435 en 11/3438 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een steiger met golfbreker (hierna: het bouwplan) in de Kagerplassen, bij het perceel [locatie] te Kaag (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 13 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 maart 2011 vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college aan [belanghebbende], namens [firma], een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een steiger met golfbreker bij het perceel.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw en ing. F.W. van Haastregt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft aangevoerd dat het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, vanwege het ontbreken van procesbelang. Het stelt dat nu het besluit van 12 juli 2011 is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning van [belanghebbende] van 23 mei 2011 voor het plaatsen van een steiger met golfbreker, [appellant] geen processueel belang meer heeft bij een uitspraak over het besluit van 22 maart 2011.

Deze stelling wordt niet gevolgd. Het procesbelang van [appellant] is daarin gelegen dat de besluiten van 22 maart 2011 en 12 juli 2011 volgens de daaraan ten grondslag liggende aanvragen van 19 juli 2010 en 23 mei 2011, zien op hetzelfde bouwplan. Het besluit van 22 maart 2011 betreft geen bouwplan dat inmiddels is achterhaald en niet meer zal worden uitgevoerd. Het procesbelang van [appellant] bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit is daarom niet vervallen.

2.2. Het bouwplan voorziet volgens de aanvraag van 19 juli 2010 in het bouwen van een steiger met golfbreker. Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen volgt dat de steiger met golfbreker bestaat uit twee gedeelten van 25 m en 54 m lang, welke delen tezamen een hoek vormen. Daarnaast wordt een steiger van 6,05 m lang geplaatst.

2.3. Ingevolge artikel 44, eerste lid en onder c, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang, mag slechts en moet een reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien, voor zover thans van belang, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 46, derde lid, voor zover thans van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening tevens aangemerkt als een aanvraag om zodanige ontheffing te verlenen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kaag, correctieve herziening" rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Water", met de aanduidingen "met landschappelijke en natuurlijke waarden" en "afwijkende steigerlengte".

Ingevolge artikel 16, eerste lid, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarde, landschappelijke waarde en ecologische waarde ter plaatse van de subbestemming "Wln", alsmede voor de wateraanvoer, en - afvoer, de waterberging, het vaarverkeer, het bestaande aantal steigers en de openluchtrecreatie.

Ingevolge het derde lid gelden voor het bouwen de aanwijzingen op de kaart en de bepaling dat de lengte van een aanlegsteiger ten hoogste 15 m mag bedragen.

Ingevolge het vijfde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het derde lid tot een lengte van ten hoogste 25 m op de gronden met de aanduiding "afwijkende steigerlengte", mits dit uit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk wordt geacht.

Ingevolge het zesde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid teneinde nieuwe steigers toe te staan met in acht name van de overige bepalingen in dit artikel. Alvorens ontheffing wordt verleend, wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 9, van de planvoorschriften wordt de lengte van een steiger gemeten door de afstand te bepalen tussen de boveninsteek van het water en het deel van de steiger dat daar het verst van gelegen is.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de op de gronden rustende bestemming "Water". Volgens hem verhoudt het gebruik van de steiger voor bedrijfsmatige botenverhuur zich niet met de bestemmingsomschrijving in artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, nu deze activiteit daarin niet wordt genoemd en voorts daarin als doel de bescherming van natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden wordt vermeld. Hij voert tevens aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte uit artikel 16, vijfde lid, van de planvoorschriften heeft afgeleid dat binnen de bestemming "Water" het voeren van een bedrijf is toegestaan.

2.4.1. Dit betoog slaagt. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat ingevolge artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften het bouwen van een steiger met golfbreker die is bestemd om te dienen ten behoeve van een commercieel botenverhuurbedrijf, niet is toegestaan. Dat de steiger daartoe mede of uitsluitend is bestemd, kan worden afgeleid uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen waaruit volgt dat het creëren van ligplaatsen voor boten mede onderdeel vormt van het bouwplan. Dat de bedoeling daarvan is om ter plaatse een commercieel botenverhuurbedrijf te vestigen, heeft [belanghebbende] in de brief van 17 augustus 2010 aan het college bevestigd. Deze activiteit alsmede de bouw van de daartoe dienende steiger met golfbreker verdragen zich niet met de in artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften gegeven omschrijving van de bestemming "Water".

Uit de omstandigheid dat artikel 16, vijfde lid, van de planvoorschriften het mogelijk maakt een afwijkende steigerlengte toe te staan, indien dit uit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk wordt geacht, kan, anders dan de voorzieningenrechter heeft gedaan, niet worden afgeleid dat binnen de bestemming "Water" het voeren van een bedrijf (wel) is toegestaan. Artikel 16, vijfde lid, van de planvoorschriften ziet op de situatie van een volgens het bestemmingsplan op het aangrenzende land toegestane bedrijfsvoering, nu binnen de bestemming "Water" geen bedrijfsvoering is toegestaan. Ter plaatse van het perceel is op het land geen botenverhuur met een al dan niet commercieel oogmerk toegestaan.

De stelling van het college dat het aanmeren van boten aan de steiger openluchtrecreatie betreft, hetgeen volgens de bestemmings-omschrijving is toegestaan binnen de bestemming "Water", wordt niet gevolgd, nu [belanghebbende] met de botenverhuur een bedrijfsmatige activiteit beoogt. De term "openluchtrecreatie" in artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften, strekt niet zover dat daaronder het exploiteren van een commercieel botenverhuurbedrijf kan worden verstaan.

Gelet op het voorgaande is de bouw van de steiger met golfbreker in strijd met de bestemming "Water".

2.5. Het hoger beroep is gegrond. Aan bespreking van de overige gronden van het hoger beroep van [appellant], komt de Afdeling niet toe.

De omstandigheid dat het hoger beroep gegrond is, leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de daarin gegeven beslissing juist is. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Bij het besluit van 12 juli 2011 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), gelezen in verbinding met de artikelen 16, vijfde en zesde lid, van de planvoorschriften, aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een steiger met golfbreker bij het perceel.

Aangezien bij dit besluit niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt met het aanhangig zijn van het hoger beroep, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht van rechtswege een beroep van [appellant] te zijn ontstaan tegen dit besluit.

De stelling van het college dat het besluit van 12 juli 2011 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt derhalve gepasseerd. Anders dan het college stelt, vormt de omstandigheid dat op het besluit van 12 juli 2011 de Wabo van toepassing is, geen grond voor het oordeel dat het daarom niet mede onderwerp is van dit geding. Dat het besluit is genomen naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van 23 mei 2011, vormt daartoe evenmin aanleiding. Weliswaar dient het nieuwe besluit voldoende samenhang te vertonen met het beroepen besluit en is dit in beginsel niet het geval als het nieuwe besluit is genomen op grond van een nieuwe aanvraag zoals hier aan de orde, maar dit beginsel lijdt uitzondering indien een nieuwe aanvraag niet noodzakelijk was (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2006 in zaak nr. 200503765/1). Die omstandigheid doet zich hier voor. De aanvragen van 19 juli 2010 en 23 mei 2011 zien op hetzelfde bouwplan. De bijbehorende bouwtekeningen zijn gelijk en het in het aanvraagformulier omschreven doel van de aanvraag eveneens. Onder die omstandigheden was een nieuwe aanvraag niet noodzakelijk. Het besluit van 12 juli 2011 is daarom mede onderwerp van het geding.

2.7. [appellant] betoogt onder meer dat het college zich bij het besluit van 12 juli 2011 opnieuw ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de op de gronden rustende bestemming "Water", zoals omschreven in artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften.

2.7.1. Uit hetgeen hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, volgt dat het beroep tegen het besluit van 12 juli 2011 terecht is voorgedragen.

Het betoog slaagt.

2.8. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 juli 2011 is gegrond. Het college heeft niet onderkend dat de bouw van de steiger met golfbreker welke dient ten behoeve van een botenverhuurbedrijf niet in overeenstemming is met de bestemming "Water". Het besluit van 12 juli 2011 is daarom in strijd met artikel 16, eerste lid, van de planvoorschriften. Vanwege deze strijdigheid is verlening van de omgevingsvergunning slechts mogelijk indien ten aanzien daarvan toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wabo. Zodanige toepassing heeft niet plaatsgevonden. Het besluit dient derhalve te worden vernietigd. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, een nieuw besluit op de aanvraag van [belanghebbende] te nemen.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van 12 juli 2011, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem van 12 juli 2011, kenmerk W20110117;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 899,20 (zegge: achthonderdnegenennegentig euro en twintig cent), voor een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht van € 454,- (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

531-641.