Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201104835/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2009 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om ontheffing van het verbod op het afmeren van een pleziervaartuig in het Nauwe Gein ter hoogte van de [locatie] te Abcoude afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/119 met annotatie van A. van Hall
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104835/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Abcoude, gemeente De Ronde Venen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2011 in zaak nr. 10/1328 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2009 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant] om ontheffing van het verbod op het afmeren van een pleziervaartuig in het Nauwe Gein ter hoogte van de [locatie] te Abcoude afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2011.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Barada, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. B.G.J. van Wissen, J.F.J. van Amstel en T.M. van Rijswijk, allen werkzaam in dienst van het Hoogheemraadschap, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Scheepvaartverkeerswet bepalen provinciale staten ten aanzien van een scheepvaartweg in beheer bij een waterschap, wie het bevoegd gezag is. Zij wijzen als zodanig het dagelijks bestuur van het waterschap aan, voor zover dit verenigbaar is met de in het reglement aan het waterschap ter behartiging opgedragen taken, en in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de desbetreffende scheepvaartweg is gelegen of gedeputeerde staten.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het deelnemen aan het scheepvaartverkeer op scheepvaartwegen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, kunnen de in het eerste lid onder a bedoelde regels slechts de daar vermelde verplichtingen inhouden, waaronder: verplichtingen met betrekking tot het varen en het ligplaats nemen met schepen en andere vaartuigen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer kunnen voor scheepvaartwegen waar verkeerstekens die een gebod of verbod, dan wel een aanbeveling of een inlichting bevatten, niet doelmatig zijn, verkeerstekens worden vervangen door bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken.

Ingevolge artikel 6.07, eerste lid, van het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR), zoals dit luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, wordt onder een engte verstaan: een vak van of een plaats in de vaarweg, waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor het elkaar voorbijvaren van twee schepen.

Ingevolge artikel 7.02, eerste lid, aanhef en onder e, mag een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting geen ligplaats nemen in een engte in de zin van artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, zomede in een vak van of op een plaats in de vaarweg, waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan.

Ingevolge artikel 3 van het Verkeersbesluit vaarwegen AGV 1 (hierna: het AGV 1), voor zover thans van belang, is het verboden om zonder ontheffing van het dagelijks bestuur ligplaats te nemen, te meren of te ankeren met een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, indien deze is gelegen:

a. binnen de, in de tabel in artikel 2 aangegeven, vaarstrook of een gedeelte daarvan;

[...]

c. langs de bij dit verkeersbesluit behorende kaart aangegeven rode zones.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat door het afmeren van het pleziervaartuig van [appellant] in het Nauwe Gein ter hoogte van de [locatie] te Abcoude een engte, als bedoeld in artikel 6.07 van het BPR, zou ontstaan, omdat het vaarwater niet voldoende ruimte zou bieden voor het elkaar voorbij varen van twee schepen. De minimaal vrij te houden vaarstrook voor het Nauwe Gein is vastgesteld in de tabel, behorend bij artikel 2, van het AGV 1. Het is ingevolge artikel 7.02 van het BPR verboden ligplaats in te nemen, indien daardoor een engte ontstaat. Ontheffingverlening in strijd met dit verbod is niet mogelijk.

Het is bij de beoordeling van de aanvraag van een toekomstige wijziging in het AGV 1 uitgegaan, omdat dit gunstiger is voor [appellant], gelet op de afmeermogelijkheden voor pleziervaartuigen in het Nauwe Gein, aldus het dagelijks bestuur.

2.3. Allereerst betoogt [appellant] dat de rechtbank, door te overwegen dat tegen het AGV 1 geen bezwaar is gemaakt en het daarom in rechte onaantastbaar is, heeft miskend dat zijn bezwaarschrift van 18 augustus 2008, gericht tegen de Beleidsnota Vaarwater op orde van 9 maart 2006 (hierna: de Beleidsnota), mede tegen het AGV 1 was gericht.

2.3.1. Het bezwaarschrift van 18 augustus 2008 is gericht tegen de Beleidsnota. Het bevat een verzoek tot het wijzigen, dan wel aanvullen ervan en geen bezwaren tegen het AGV 1. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur dit bezwaarschrift ten onrechte niet als mede tegen het AGV 1 gericht heeft aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij niet tijdig bezwaar heeft kunnen maken. Hij voert hiertoe aan dat het AGV 1 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Het is niet deugdelijk gepubliceerd en pas op 14 december 2009 kon hij er voor het eerst van kennisnemen, aldus [appellant].

2.4.1. Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Het AGV 1 is op 16 maart 2006 bekendgemaakt door middel van publicatie in onder andere het nieuwsblad VAR dat in Abcoude verschijnt. Het dagelijks bestuur heeft in de publicatie een zakelijke samenvatting ervan gegeven. Dat [appellant], naar gesteld, op 14 december 2009 voor het eerst van de publicatie heeft kennis genomen, doet er niet aan af dat de bekendmaking door de publicatie op juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

2.5. Hetgeen [appellant] met betrekking tot het AGV 1 verder heeft aangevoerd, kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. [appellant] heeft tegen het AGV 1 geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is derhalve terecht van de geldigheid van het AGV 1 uitgegaan.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Hij voert hiertoe aan dat de dijkgraaf J. de Bondt bij e-mail van 13 november 2008 te kennen heeft gegeven dat de pleziervaartuigen zouden mogen blijven liggen.

2.6.1. Het betoog is een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Zij heeft het gestelde terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt geacht en hem reeds om die reden niet in het betoog gevolgd.

Het betoog faalt.

2.7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank, door aan zijn betoog inzake verworven eigendomsrechten voorbij te gaan, heeft miskend dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid van ligplaats heeft verkregen. Hoewel dat een civielrechtelijke kwestie is, moest dit zwaarwegende belang, gezien de betekenis ervan, bij de beoordeling worden betrokken, aldus [appellant].

2.7.1. [appellant] heeft zijn stelling dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen niet nader toegelicht. De rechtbank heeft reeds om die reden met juistheid overwogen dat het gestelde niet kan leiden tot het oordeel dat hem ten onrechte geen ontheffing in strijd met het BPR is verleend.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskosten veroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

312-730.