Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201107187/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van een bedrijfspand op het perceel [locatie] te Dordrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201107187/1/A1.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dordrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 20 mei 2011 in zaken nrs. 11/539 en 11/70 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning eerste fase verleend voor de bouw van een bedrijfspand op het perceel [locatie] te Dordrecht.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 februari 2010 in stand gelaten.

Het college heeft de door [vergunninghouder] ingediende bouwtekening van het aangepaste bouwplan van 5 april 2011 afgestempeld als behorend bij de verleende bouwvergunning van 11 februari 2010.

Bij uitspraak van 20 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van Steenis, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J.E. Ossewaarde en mr. E.A. van Dommelen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. P.G. Gilhuis, advocaat te Dordrecht, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in de oprichting van een tweede bedrijfspand en de aanleg van zes extra parkeerplaatsen op het perceel. Het reeds op het perceel aanwezige bedrijfspand is eigendom van [vergunninghouder], die dat pand verhuurt aan een elektronicabedrijf.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dubbeldam" rust op het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden" met de nadere aanduidingen "II" (milieucategorieën 1 en 2) en "10".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bedrijven, die behoren tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 41 Wet geluidhinder en artikel 4.2 van het Inrichtingen en Vergunningenbesluit Wet milieubeheer.

Ingevolge het derde lid, onder 1, sub a, voor zover hier van belang, zijn ter plaatse van het op de plankaart aangegeven bouwvlak hoofdgebouwen toegestaan tot de op de plankaart aangegeven hoogte.

Ingevolge artikel 1 wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden - hieronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen - aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

In de bij de planvoorschriften behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten is onder SBI-code 51 de categorie "Groothandel en handelsbemiddeling" opgenomen, met de subcategorieën 511 "Handelsbemiddeling (kantoren)", ingedeeld in milieucategorie 1, en 514 "Groothandel in overige consumentenartikelen", ingedeeld in milieucategorie 2.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Dordrecht 2010 moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het derde lid moet, indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de bedrijfsactiviteiten van het in het bedrijfspand te vestigen eenmansbedrijf [naam bedrijf] zijn aan te merken als detailhandel. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat het voorziene bedrijfspand buiten het bouwvlak is geprojecteerd.

2.3.1. Bij de toetsing van een bouwplan aan het bestemmingsplan dient te worden bezien of het bouwwerk wordt opgericht met het oog op gebruik dat in overeenstemming met het bestemmingsplan is. Er is strijd met het bestemmingsplan indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin het bestemmingsplan voorziet.

Niet in geschil is dat ingevolge het bestemmingsplan op het perceel geen detailhandel is toegestaan. In het kader van de aanvraag om bouwvergunning heeft [vergunninghouder] desgevraagd aan de behandelend ambtenaar van de gemeente Dordrecht te kennen gegeven dat het bedrijfspand zal worden opgericht ten behoeve van de vestiging van een groothandel in kinderwagens en buggy´s, die tentoongesteld zullen worden in de van het bouwplan deel uitmakende showroom en opgeslagen zullen worden in de overige ruimte van het bedrijfspand. De voorzieningenrechter heeft in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de te ontplooien bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf], in afwijking van de bij de bouwaanvraag verstrekte informatie, moeten worden aangemerkt als met het bestemmingsplan strijdige detailhandel. [naam bedrijf] staat in het register van de Kamer van Koophandel omschreven als groothandel in wandelwagens en accessoires en rolstoelen voor gehandicapte kinderen en volwassenen. Uit de door [vergunninghouder] verstrekte gegevens, waaronder een beschrijving van het verkoopproces, een klantenoverzicht en in rekening gebrachte facturen over de periode van 29 maart tot 10 september 2010 blijkt dat de bedrijfsvoering van [naam bedrijf] grotendeels is gericht op de verkoop en levering van rolstoelen en wandelwagens aan leveranciers van revalidatiehulpmiddelen, de hulpmiddelenwinkels, die deze producten vervolgens verkopen en leveren aan de eindgebruiker. Deze bedrijfsactiviteiten zijn aan te merken als groothandelsactiviteiten, waaruit het grootste deel van de totale omzet van [naam bedrijf] wordt behaald.

Voor zover het bedrijfspand zal worden gebruikt voor detailhandel, moet dat als incidenteel, ondergeschikt aan en voortvloeiend uit de groothandelsactiviteiten worden aangemerkt op grond waarvan geen sprake is van met de bestemming strijdig gebruik. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de door [vergunninghouder] verstrekte facturen volgt dat in de betreffende periode ongeveer 10% van de totale omzet afkomstig is geweest uit detailhandel. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de incidentele verkoop aan eindgebruikers voornamelijk betrekking had op verouderde demonstratieproducten die niet meer konden worden geleverd aan de leveranciers alsmede op ondergeschikte onderdelen voor een reeds bij de eindgebruiker in bezit zijnde rolstoel of wandelwagen. Tevens is in dit verband van belang dat [naam bedrijf] geen algemene openingstijden hanteert en derhalve geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het bedrijfspand geregeld zal worden bezocht door particulieren, alsmede dat de in het bouwplan voorziene showroom niet zal worden gebruikt om producten ter verkoop uit te stallen, maar als ontvangstruimte voor de leveranciers van hulpmiddelen, waar desgewenst aan hen producten kunnen worden getoond.

Het betoog faalt.

2.3.2. Uit de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen en de ter zitting door het college gegeven toelichting aan de hand van een doorzichtige uitdraai van de bestemmingsplankaart blijkt dat het voorziene bedrijfspand binnen het op de plankaart opgenomen bouwvlak is ingetekend. Nu voorts gelet op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd en het college in zijn verweer heeft gesteld geen aanleiding wordt gezien om aan te nemen dat de bouwtekeningen fouten bevatten, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bouwplan op dit punt in strijd is met het bestemmingsplan. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te betogen dat bij de toetsing van het bouwplan ten onrechte is uitgegaan van de ligging en afmetingen van het bouwvlak zoals die op de plankaart zijn opgenomen, omdat de plankaart op dit punt niet correct is, wordt overwogen dat dit in onderhavige procedure geen rol kan spelen.

2.4. [appellant] betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat voor de bedrijfsfunctie van [naam bedrijf] in het te realiseren bedrijfspand, de ruimte voor laden en lossen op het perceel voldoende is gewaarborgd. [vergunninghouder] heeft in het kader van de aanvraag om bouwvergunning te kennen gegeven dat het voorziene bedrijfspand ongeveer vijf keer per jaar zal worden bevoorraad door kleine vrachtwagens. Geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [vergunninghouder] verstrekte informatie. Nu niet in geschil is dat op het perceel voldoende ruimte aanwezig is om met een kleine vrachtwagen (achteruit) het perceel op te rijden en de producten per steekkar te lossen, bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30. derde lid, van de Bouwverordening.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan voorziet in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat twee parkeerplaatsen zijn voorzien op gronden die bestemd zijn voor een haag, waarbinnen parkeerplaatsen niet zijn toegelaten en dat vier parkeerplaatsen zijn voorzien voor de linker overheaddeur van het bedrijfspand, hetgeen voor het college in een eerder stadium juist reden was om geen medewerking aan het bouwplan te verlenen. Voorts heeft [appellant] aangevoerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor het reeds op het perceel aanwezige bedrijfspand slechts zeven parkeerplaatsen benodigd zullen zijn. Volgens [appellant] bestaat grond om aan te nemen dat voor het reeds bestaande bedrijfspand meer parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn, zodat op het perceel te weinig ruimte resteert voor de aanleg van de voor het thans in geding zijnde bouwplan benodigde acht parkeerplaatsen.

2.5.1. In de oorspronkelijke situatie, voor realisering van het bouwplan, waren op het perceel 9 parkeerplaatsen aanwezig. Uit de bij de bouwvergunning behorende bouwtekening, zoals die is aangepast op 5 april 2011, is op te maken dat na realisering van het bouwplan vijftien parkeerplaatsen op het perceel aanwezig zullen zijn ter voorziening in de parkeerbehoefte van zowel het reeds bestaande als het te realiseren bedrijfspand. Niet in geschil is dat voor het te realiseren bedrijfspand acht parkeerplaatsen benodigd zullen zijn.

Volgens vaste jurisprudentie dient bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte van reeds bestaande bouwwerken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het reeds bestaande bedrijfspand zeven parkeerplaatsen beschikbaar moeten blijven. Het college heeft in hoger beroep gemotiveerd toegelicht dat dit aantal overeenkomt met de ten tijde van ingebruikname van dat pand door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek opgestelde parkeerkencijfers. Nu [appellant] deze toelichting niet heeft betwist, bestaat geen grond voor het oordeel dat voor het reeds bestaande bedrijfspand meer parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn dan de zeven door het college in aanmerking genomen parkeerplaatsen.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat niet alle benodigde parkeerplaatsen daadwerkelijk op het perceel kunnen worden aangelegd. In aanmerking nemende dat het laden en lossen met kleine vrachtwagens zal plaats vinden, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat [vergunninghouder] op grond van artikel 2.5.30, derde lid, van de Bouwverordening niet kon worden gedwongen een dusdanige ruimte op het bedrijfsterrein voor beide overheaddeuren van het bedrijfspand vrij te houden, dat voor elk van die deuren een vrachtwagen kan worden geparkeerd. Gelet hierop is niet in te zien waarom de ruimte voor de linker overheaddeur niet mag worden aangewend voor de aanleg van vier parkeerplaatsen. Voor zover [appellant] betoogt dat de twee langs de sloot gesitueerde parkeerplaatsen niet kunnen worden aangelegd, omdat deze gronden zijn bestemd voor een haag, overweegt de Afdeling dat op de betreffende gronden de bestemming "Gemengde doeleinden" rust, waarop parkeren is toegestaan.

Gelet mede op de door het college ter zitting gegeven toelichting dat de brandweer desgevraagd per mail heeft aangegeven dat uit een oogpunt van brandveiligheid geen bezwaar bestaat tegen realisering van het bouwplan, omdat het bedrijfspand op minder dan 40 m van de weg is gelegen en derhalve vanaf de weg kan worden geblust, bestaat ten slotte geen grond voor het oordeel dat de brandveiligheidseisen in de weg staan aan realisering van de voorziene parkeerplaatsen, zoals [appellant] eerst in hoger beroep heeft aangevoerd.

Het betoog faalt.

2.6. Het betoog van [appellant] dat het bouwplan, zoals dat definitief is geworden na de aangebrachte wijzigingen, nogmaals aan de welstands- en monumentencommissie gemeente Dordrecht had moeten voorgelegd, slaagt niet. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, zijn na de beoordeling door de welstandscommissie de rechterzijgevel ingekort, de kleurstelling van het bedrijfspand gewijzigd van donker naar lichtgrijs en de indeling van de parkeerplaatsen op het perceel gewijzigd. De aangebrachte wijzigingen hebben niet een zodanig effect op het uiterlijk aanzien en de inpasbaarheid van het bouwplan in de omgeving, dat het college de welstandscommissie opnieuw had moeten raadplegen alvorens deze wijzigingen af te stempelen als behorend bij de verleende bouwvergunning van 11 februari 2010.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

604.