Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201200153/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 17 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen een ongedateerd besluit van het college buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200153/1/A1.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Ospel, gemeente Nederweert,

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 17 november 2011 in zaak nr. 11/1367 en van 22 december 2011 in zaak nr. 11/1367 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 17 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen een ongedateerd besluit van het college buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen gedane verzet ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2011, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door prof. mr. A.Q.C. Tak, werkzaam bij BJA Legal Opinion B.V. te Meerssen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans en ing. M.W. Arts, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid van de Awb.

2.2. De aangevallen uitspraken betreffen uitspraken als bedoeld in artikel 8:54, eerste lid, respectievelijk artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Wet op de Raad van State staat daartegen geen hoger beroep open. Ondanks een appelverbod kan de Afdeling niettemin van een hoger beroep kennis nemen in geval van een zodanige ernstige schending van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen dat van een eerlijk proces geen sprake is. De Afdeling dient in dit geval te bezien of in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, grond is gelegen om een dergelijke schending aan te nemen. Daaraan worden hoge eisen gesteld.

2.3. [appellante] betoogt dat er in dit geval aanleiding bestaat om het appelverbod te doorbreken en kennis te nemen van het hoger beroep. Zij voert hiertoe aan dat de uitspraken van de rechtbank zijn gedaan met een zodanige schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk proces geen sprake is.

Hiertoe voert zij aan dat haar de kans is ontnomen de rechter die de uitspraak buiten zitting heeft gedaan, te wraken. Volgens [appellante] had de rechtbank verder moeten onderzoeken waarom zij de gronden van beroep niet tijdig heeft aangevoerd alvorens het beroep buiten zitting kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Niet in geschil is dat [appellante] haar gronden van beroep niet tijdig heeft ingediend. Zij heeft dit ook niet gedaan nadat zij daartoe alsnog in staat was gesteld door de rechtbank met de mededeling dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn zou worden hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep ingevolge artikel 6:6 jo artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb niet-ontvankelijk wordt verklaard. Derhalve kon de rechtbank het beroep buiten zitting afdoen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Dat [appellante] door deze wijze van afdoening van haar beroep niet de mogelijkheid heeft gehad de rechter die haar beroep behandelde, te wraken, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan met schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen. Daartoe is van belang dat de in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb neergelegde verzetprocedure de mogelijkheid biedt mede de bezwaren tegen de rechter die het beroep buiten zitting heeft afgedaan, naar voren te brengen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, omdat ten onrechte gebruik zou zijn gemaakt van de in artikel 6:6 van de Awb neergelegde bevoegdheid een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Ondanks het door [appellante] gestelde dat zij niet alle relevante informatie van het college had ontvangen, is niet aannemelijk geworden dat zij niet in staat was binnen de door de rechtbank gegeven termijn haar beroepsgronden dan wel een met redenen omkleed verzoek om uitstel in te dienen.

2.3.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat geen reden aanwezig is het appelverbod te doorbreken en de Afdeling, ondanks het bepaalde in artikel 37, tweede lid, aanhef en onder a en c, van de Wet op de Raad van State, bevoegd te achten van het hoger beroep kennis te nemen.

Het betoog faalt.

2.4. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. T.G. Drupsteen en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

552.