Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8767

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201104516/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) op het adres [locatie] te Groningen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104516/1/A3.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], woonplaats kiezend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 maart 2011 in

zaak nr. 10/1019 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] tot inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) op het adres [locatie] te Groningen, afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2011, verzonden op 15 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 mei 2011.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Ruijs en mr. J. Smit, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

2.2. Het college heeft aan de gehandhaafde weigering om [appellant] in te schrijven in de gba op het adres [locatie] te Groningen een advies van de algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) van 29 juli 2010 ten grondslag gelegd. Volgens de commissie staat vast dat [appellant] ten tijde van de aanvraag niet woonachtig was op het [woonschip]. Verder heeft de commissie geconstateerd dat het woonschip langere tijd te koop is aangeboden, aangezien ten tijde van het besluit van 6 juli 2009 en het begin van de bezwaarprocedure een verkoopadvertentie van [appellant] stond geplaatst op een website. De advertentie is daarna verwijderd. Aangezien de Noorderhaven een zogenoemde vrijhaven is en hierdoor geen vaste ligplaatsen kent, is geen sprake van een vaste ligplaats en daarmee van een woonadres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gba. De omstandigheid dat het woonschip ongeveer vijftien jaren ligplaats inneemt in de Noorderhaven is volgens de commissie niet van belang voor de beoordeling voor de inschrijving in de gba.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht het verzoek tot inschrijving in de gba heeft afgewezen. Hij voert aan dat hij woonachtig is op het woonschip en dat hij gaat scheiden van zijn echtgenote. Verder beschikt hij over onvoldoende financiële middelen om een huurwoning te bekostigen. [appellant] voert voorts aan dat hij niet steeds zijn post wil ontvangen in Heerenveen, dat zijn sociale leven zich bevindt in Groningen en dat hij een nieuw leven wil beginnen. Ten slotte betoogt hij onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling dat de gba zo goed mogelijk dient te worden bijgehouden.

2.3.1. Vooropgesteld wordt dat het doel van de Wet gba is dat de in de gba vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de gba gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.

2.3.2. Vaststaat dat [appellant] zowel ten tijde van zijn aanvraag als ten tijde van het indienen van zijn bezwaarschrift niet woonachtig was op het woonschip. De rechtbank heeft vervolgens getoetst aan de Verordening openbaar vaarwater 2006 van de gemeente Groningen en aan het door het college gevoerde beleid. Voorts heeft zij overwogen dat [appellant] geen toestemming van de havenmeester heeft gekregen om zich in de gba te laten inschrijven op een schip met als ligplaats de Noorderhaven. Van belang is evenwel slechts de feitelijke woonsituatie van [appellant] ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet met feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, ook niet nadat hem daartoe ter zitting van de Afdeling de gelegenheid is geboden, dat hij ten tijde van het nemen van dat besluit feitelijk woonachtig was op het woonschip. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is reeds hierom ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

176-697.