Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8764

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201107588/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2008 heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen de afwijzing van vier aanvragen voor een bouwvergunning voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107588/1/A4.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Ferwerderadiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 juni 2011 in de zaken nrs. 08/2282, 10/2008 en 11/192 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2008 heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen de afwijzing van vier aanvragen voor een bouwvergunning voor het plaatsen van een windturbine op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel onder de voorwaarde dat een aan hem op 13 maart 2002 verleende bouwvergunning met nr. 33/2000 voor het oprichten van een windturbine op het perceel wordt ingetrokken.

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college de aan [appellant] bij besluit van 13 maart 2002 verleende bouwvergunning voor het oprichten van een windturbine op het perceel ingetrokken.

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 2 september 2010 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 4 november 2009 gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op 6 juni 2011, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 11 september 2008 en 2 september 2010 ingestelde beroepen ongegrond en het tegen het besluit van 27 augustus 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, laatstgenoemd besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.H. Knegtering, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door G. Mulder, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 13 maart 2002 heeft het college aan [appellant] een bouwvergunning (nr. 33/2000) verleend voor het oprichten van een windturbine op het perceel. De bouwvergunning ziet op een locatie op het perceel in de nabijheid van het Dokkumer Grootdiep.

2.2. Op 22 augustus 2005 heeft [appellant] vier aanvragen ingediend voor het plaatsen van een windturbine op het perceel. Deze aanvragen, met de nrs. 307/2005, 308/2005, 309/2005 en 310/2005, hebben betrekking op twee verschillende typen windturbines en twee verschillende locaties op het perceel. Bij besluit van 25 januari 2006 heeft het college geweigerd bouwvergunning te verlenen. Het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 december 2006 door het college ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 juni 2007 het door [appellant] tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 april 2008 in zaak nr. 200704931/1 heeft de Afdeling het hoger beroep dat [appellant] daartegen heeft ingesteld, gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en, voor zover van belang, het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 december 2006 alsnog gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Ten aanzien van het in beroep bestreden besluit van 11 september 2008

2.3. In het besluit van 11 september 2008 heeft het college de weigering bouwvergunning te verlenen gehandhaafd. De bouwaanvragen met de nrs. 308/2005 en 309/2005 zijn voorzien op het noordoostelijk deel van het perceel. Het college heeft deze bouwaanvragen geweigerd, omdat het op de bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied

Oost-Dongeradeel" behorende plankaart opgenomen bebouwingsvlak wordt overschreden. Het college heeft de andere bouwaanvragen, met de nrs. 307/2005 en 310/2005, die zijn voorzien aan het Dokkumer Grootdiep, geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op het negatieve welstandsadvies van de welstandscommissie Hûs en Hiem van 8 september 2008.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft geweigerd bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een windturbine op het perceel. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bouwaanvragen nrs. 308/2005 en 309/2005 in overeenstemming met het bestemmingsplan zijn. Hij stelt in dit verband dat het college had moeten beoordelen of in de nabijheid de oprichting van de aangevraagde windturbines wèl binnen het bebouwingsvlak mogelijk is. Voorts heeft de rechtbank miskend dat het college ten aanzien van bouwaanvragen nrs. 307/2005 en 310/2005 geen welstandsadvies had mogen vragen, aldus [appellant]. Hij wijst in dit verband op de omstandigheid dat in 2000 reeds een positief welstandsadvies is gegeven voor het oprichten van een windturbine op dezelfde locatie, wat heeft geleid tot het verlenen van de bouwvergunning bij besluit van 13 maart 2002. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat, indien de bouwaanvragen nrs. 307/2005 en 310/2005 alsnog aan redelijke eisen van welstand getoetst mochten worden, het bouwplan niet getoetst had mogen worden aan de redelijke eisen van welstand die golden ten tijde van de beoordeling van het bouwplan, maar uitsluitend aan de eisen die golden ten tijde van het indienen van de bouwaanvragen in 2005.

2.4.1. Niet in geschil is dat de windturbines van bouwaanvragen nrs. 308/2005 en 309/2005 niet passen binnen het op de plankaart opgenomen bebouwingsvlak. Dit kon [appellant] weten op het moment dat hij de bouwaanvragen bij het college indiende. De Afdeling heeft in de uitspaak van 4 oktober 2006 in zaak nr. 200510132/1 ten aanzien van een door [appellant] in 1999 ingediende bouwaanvraag voor het oprichten van een windturbine op exact dezelfde locatie met dezelfde omvang reeds overwogen, dat de rotorbladen van de windturbine het bebouwingsvlak zullen overschrijden wanneer deze in werking is. Nu [appellant] dit kon weten, heeft de rechtbank terecht in de naar voren gebrachte omstandigheid dat hij op de bouwaanvragen heeft gemeld dat hij de bedoeling heeft binnen het bebouwingsvlak te bouwen, geen grond gevonden voor het oordeel dat het college had moeten beoordelen of in de nabijheid de oprichting van de aangevraagde windturbines wel binnen het bebouwingsvlak mogelijk is.

Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten aanzien van bouwaanvragen nrs. 307/2005 en 310/2005 geen welstandsadvies had mogen vragen. Dat de welstandscommissie in 2000 reeds een positief welstandsadvies heeft gegeven over het bouwplan waarvoor op 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend en dat is voorzien op dezelfde locatie als bouwaanvragen nrs. 307/2005 en 310/2005, geeft geen aanleiding voor dat oordeel. Daartoe is allereerst van belang dat de bouwplannen die thans aan de orde zijn, niet overeenstemmen met het bouwplan waarvoor bij besluit van 13 maart 2002 bouwvergunning is verleend. Voorts is het bouwplan in 2000 getoetst door de monumentencommissie en heeft het college toegelicht dat die commissie in 2000 een positief welstandsadvies heeft gegeven, omdat zij ervan uitging dat bij een in het bestemmingsplan passend bouwplan uitsluitend met een positief advies kon worden volstaan. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de welstandscommissie de bouwaanvragen nrs. 307/2005 en 310/2005 had moeten toetsen aan de ten tijde van het indienen van die aanvragen geldende welstandsnormen. Uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat een heroverweging plaats dient te vinden op basis van het recht dat geldt en de feiten en omstandigheden zoals die zijn op het tijdstip dat wordt besloten op het bezwaar. Derhalve heeft de welstandscommissie de bouwaanvragen terecht getoetst aan de welstandscriteria die golden ten tijde van het besluit van 11 september 2008.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van het in beroep bestreden besluit van 27 augustus 2010

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 augustus 2010 in stand heeft gelaten. Volgens hem heeft de bouw van de windturbine stil gelegen, omdat overleg plaatsvond met ambtenaren van de gemeente. [appellant] betoogt dat de rechtbank in het stil liggen van de bouw dan ook geen aanleiding heeft mogen zien de rechtsgevolgen in stand te laten.

2.5.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken:

c. indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;

d. indien de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen;

Ingevolge artikel 4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Dongeradeel kunnen burgemeester en wethouders op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning intrekken, indien:

a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, en/of

b. tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

2.5.2. Het college heeft aan het besluit bouwvergunning nr. 33/2000 in te trekken ten grondslag gelegd dat niet binnen 26 weken een start is gemaakt met de bouwwerkzaamheden. [appellant] heeft in beroep naar voren gebracht dat binnen die periode de fundering van de windturbine is aangebracht. Derhalve heeft het college aan het besluit een onjuiste grondslag gelegd en heeft de rechtbank het besluit van 27 augustus 2010 vernietigd.

Niet in geschil is dat na het aanbrengen van de fundering de bouwwerkzaamheden gedurende meer dan 26 weken stil hebben gelegen, zodat het college bevoegd was de bouwvergunning in te trekken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Zij heeft in dit verband met juistheid overwogen dat [appellant] ten tijde van het besluit van 2 september 2010, gelet op de andere bouwaanvragen die hij de laatste jaren heeft ingediend om een windturbine op het perceel op te richten, niet aannemelijk heeft gemaakt dat binnen een korte termijn weer van bouwvergunning nr. 33/2000 gebruik zou worden gemaakt. Voorts heeft de rechtbank terecht belang gehecht aan de in het besluit van 27 augustus 2010 uiteengezette omstandigheden dat sinds het verlenen van de bouwvergunning op 13 maart 2002 het welstandsregime en het ruimtelijk beleid met betrekking tot de oprichting van windturbines zijn gewijzigd. Het bouwplan wordt niet langer in overeenstemming met redelijke eisen van welstand geacht, omdat de windturbine bij het draaien een onrustig omgevingsbeeld geeft en het gewijzigde beleid ten aanzien van windturbines de oprichting van solitaire windmolens niet meer toestaat. Dat meer dan eens overleg heeft plaatsgevonden tussen [appellant] en ambtenaren van de gemeente, heeft de rechtbank terecht niet doen afzien van het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 augustus 2010. Het voeren van overleg om mogelijk tot een andere locatie voor het plaatsen van een windturbine op het perceel te komen, maakte niet dat geen gebruik kon worden gemaakt van bouwvergunning nr. 33/2000.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van het in beroep bestreden besluit van 2 september 2010

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de voorwaarde, dat de aan hem bij besluit van 4 november 2009 verleende bouwvergunning pas onherroepelijk wordt als de aan hem bij besluit van 13 maart 2002 verleende bouwvergunning is ingetrokken, aan eerstgenoemde bouwvergunning heeft verbonden. Hiertoe voert hij aan dat het bestemmingsplan ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f en 2, van de planvoorschriften op het perceel slechts één windturbine toelaat, zodat de voorwaarde overbodig is. [appellant] stelt voorts dat de voorwaarde in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2008.

2.6.1. Ingevolge artikel 56 van de Woningwet mogen burgemeester en wethouders, onverminderd artikel 40, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.17, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, aan de bouwvergunning slechts voorwaarden of beperkingen verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft moet voldoen, alsmede voorschriften op grond van een bestemmingsplan, een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3 van die wet.

2.6.2. Het bestemmingsplan laat weliswaar slechts één windturbine op het perceel toe, maar dit betekent niet dat het college de voorwaarde dat de bij besluit van 13 maart 2002 verleende bouwvergunning dient te worden ingetrokken, niet aan het besluit van 4 november 2009 heeft kunnen verbinden. Indien beide bouwvergunningen in stand blijven, zou [appellant] twee windturbines op het perceel mogen realiseren. Anders dan [appellant] in dit verband stelt, is het college in dat geval niet bevoegd tot handhavend optreden, omdat met de verlening van de bouwvergunning impliciet vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. T.G. Drupsteen en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

552.