Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201011045/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een varkenshouderij aan de [locatie] te Alphen. Dit besluit is op 9 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Wet milieubeheer 8.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/425
JM 2012/42 met annotatie van P.M.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011045/1/A4.

Datum uitspraak: 14 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Alphen, gemeente Alphen-Chaam,

2. de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, gevestigd te Baarle-Nassau, en andere,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een varkenshouderij aan de [locatie] te Alphen. Dit besluit is op 9 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en ABC Milieugroep en andere bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op onderscheidenlijk 17 en 18 november 2010, beroep ingesteld. Zij hebben de gronden aangevuld bij brieven van onderscheidenlijk 14 en 16 december 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. V. Wösten, ABC Milieugroep en andere, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door J. Merkx, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo niet onherroepelijk was.

2.2. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een krachtens deze wet genomen besluit beroep instellen bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend voor het in bedrijf hebben van een inrichting, zijn naast de aanvrager, onder meer de eigenaren en bewoners van percelen, waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.

2.2.1. [5 anderen], allen behorend tot [appellant sub 1] en anderen, wonen op ten minste 900 meter afstand van de inrichting. Niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen milieugevolgen van het in werking zijn van de varkenshouderij kunnen worden ondervonden. Gelet daarop, zijn zij geen belanghebbenden bij het in beroep bestreden besluit. Het beroep is, voor zover door hen ingesteld, daarom niet-ontvankelijk.

2.3. De op 9 december 1986 vergunde situatie zag op het houden van 720 vleesvarkens in stal 1 en 65 kraamzeugen, 70 guste en dragende zeugen en 445 gespeende biggen in stal 2. Bij het in beroep bestreden besluit is, voor zover thans van belang, vergunning verleend voor het houden van 837 vleesvarkens in stal 1 en 2.880 vleesvarkens in stal 2.

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college heeft miskend dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: mer) is opgesteld. Zij voeren daartoe aan dat de inrichting met in totaal 3.717 vleesvarkens de drempelwaarde voor de mer-plicht overschrijdt. Daarnaast bestond voor 117 vleesvarkens in stal 1 nog geen traditioneel huisvestingssysteem, zodat het huisvestingssysteem in die stal is gewijzigd en het totaal aantal varkens in die stal moest worden meegeteld. Bovendien is voor stal 1 interne saldering toegepast, hetgeen betekent dat de stal niet aan toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken voldoet, zodat deze stal ten onrechte niet betrokken is bij de beoordeling of een mer moest worden opgesteld. Ook is bij de beoordeling of een mer moest worden opgesteld ten onrechte geen rekening gehouden met de volksgezondheid.

ABC Milieugroep en andere betogen ook dat het college ten onrechte geen verplichting tot het opstellen van een mer heeft aangenomen. Zij voeren hiertoe aan dat de uitbreiding van de inrichting met 2.997 varkens maar net onder de drempelwaarde van een mer-plicht blijft, de inrichting gedurende tien jaar niet in gebruik is geweest en in de omgeving beschermde natuurgebieden zijn gelegen, zodat het opstellen van een mer van belang is. Ook betogen zij dat de mer-beoordeling innerlijk tegenstrijdig is, omdat in de tabel op bladzijde 1 staat dat de ammoniakemissie toeneemt, terwijl op bladzijde 3 staat dat de ammoniakemissie afneemt.

2.4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden, waaronder zij worden ondernomen, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen, in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer) worden activiteiten, als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer is als activiteit, waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een mer verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin deze activiteit betrekking heeft op meer dan 3.000 plaatsen voor varkens.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2008 in zaak nr. 200708006/1), is bij een uitbreiding van het aantal dieren in een veehouderij het maken van een mer, dan wel een beoordeling of een mer moet worden gemaakt, ingevolge het Besluit mer slechts verplicht, indien die uitbreiding meer bedraagt dan de desbetreffende van toepassing zijnde drempelwaarde die in de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen.

2.4.3. Of een mer moet worden opgesteld, is afhankelijk van de activiteiten, voor het uitvoeren waarvan vergunning is gevraagd. Anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, is de beoordeling van deze activiteiten en derhalve de vraag of interne saldering, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav), mocht worden toegepast, niet van belang. De wijziging in stal 1 heeft betrekking op het huisvesten van 117 extra vleesvarkens in een stal, waarin een traditioneel huisvestingssysteem aanwezig is. Het college heeft derhalve terecht slechts de uitbreiding van het aantal dieren in de stal bij de beoordeling of een mer moest worden opgesteld in aanmerking genomen.

Verder is niet in geschil dat de gevraagde vergunning tevens betrekking heeft op de huisvesting van 2.880 vleesvarkens in stal 2. In totaal gaat het aldus om 2.997 vleesvarkens en wordt de drempelwaarde van 3.000, gesteld in categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit mer, niet overschreden, zodat het college terecht in zoverre geen verplichting om een mer op te stellen heeft aangenomen.

2.4.4. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009, Commissie tegen Nederland, C-255/08 (www.curia.europa.eu) dient het bevoegd gezag andere factoren, als bedoeld in bijlage III van de mer-richtlijn, die aanleiding kunnen geven tot het opstellen van een mer, hoewel de drempelwaarden, gesteld in de bijlage bij het Besluit mer niet worden overschreden, in aanmerking te nemen.

Het college heeft zulke factoren bij zijn beoordeling betrokken. Het heeft in de mer-beoordeling van 17 februari 2010 onder meer in aanmerking genomen dat de ammoniakdepositie ten opzichte van de eerder vergunde situatie afneemt, de inrichting in een landbouwontwikkelingsgebied en op voldoende afstand van beschermde natuurgebieden ligt en de nadelige gevolgen voor de omgeving tot de wettelijke normen beperkt worden door toepassing van de meest emissiereducerende maatregelen. De door ABC Milieugroep en andere gestelde tegenstrijdigheid in de mer-beoordeling wordt veroorzaakt, doordat in tabel 1 voor stal 1 ten onrechte een te hoge emissiefactor voor ammoniak vermeld is. Zoals hierna onder 2.6.2 wordt overwogen, is de ammoniakemissie echter op juiste wijze berekend, zodat het betoog geen aanleiding geeft voor het oordeel dat in de mer-beoordeling ten onrechte staat dat de ammoniakemissie ten opzichte van de eerder vergunde situatie afneemt. Voorts is niet gebleken dat de activiteiten, voor het uitvoeren waarvan vergunning is gevraagd, zodanige gevolgen voor de volksgezondheid hebben, dat geoordeeld moet worden dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen mer hoeft te worden opgesteld. Hetgeen ABC Milieugroep en andere, alsmede [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van de richtlijn vermelde omstandigheden en het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen belangrijke nadelige effecten voor het milieu optreden, die het opstellen van een mer noodzakelijk maken.

De beroepsgronden falen.

2.5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd, indien door verlening ervan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt er van uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen, dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van deze bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6. ABC Milieugroep en andere betogen dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning niet met de aanvraag strookt. Daartoe voeren zij aan dat de vergunning, anders dan de aanvraag, voor stal 1 uitgaat van een hokoppervlakte van meer dan 0,8 m2 per vleesvarken. Ook heeft het college volgens hen ten onrechte gerekend met een ammoniakemissie, behorende bij een hokoppervlakte van minder dan 0,8 m2 per vleesvarken.

2.6.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 8.1.1 mogen in stal 1 van de inrichting ten hoogste 837 vleesvarkens in een huisvestingssysteem met een hokoppervlakte groter dan 0,8 m2 aanwezig zijn.

2.6.2. Voor stal 1 is in de aanvraag het huisvestingssysteem D 3.100.1 met een hokoppervlakte van minder dan 0,8 m2 vermeld. Bij dat systeem met een hokoppervlakte van minder dan 0,8 m2 hoort volgens de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij een emissiefactor van 2,5 NH3 per dierplaats per jaar. Volgens het beoordelingsverslag, behorende bij het in beroep bestreden besluit, is met deze emissiefactor, behorende bij de in de aanvraag vermelde hokoppervlakte van maximaal 0,8 m2, gerekend, zodat de beoordeling van de vanwege de inrichting nadelige milieugevolgen in zoverre op de voet van de aanvraag heeft plaatsgevonden. Het college heeft erkend dat in vergunningvoorschrift 8.1.1 ten onrechte geen maximale hokoppervlakte van 0,8 m2 is opgenomen en de Afdeling verzocht het voorschrift in zoverre aan te passen. Vergunninghoudster heeft geen bezwaar tegen een dergelijke aanpassing. Het in beroep bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd. De Afdeling ziet aanleiding op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien.

De beroepsgrond slaagt.

2.7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat vergunningverlening met toepassing van interne saldering, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit huisvesting, in strijd is met de Richtlijn 96/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/1/EG van 15 januari 2008 (hierna: de IPPC-richtlijn), omdat ingevolge deze richtlijn de in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast.

2.7.1. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, heeft het college blijkens het beoordelingsverslag, behorende bij het in beroep bestreden besluit, toepassing gegeven aan artikel 3, derde lid, van de Wav, voor zover het de daarin opgenomen regeling inzake interne saldering betreft.

2.7.2. Ingevolge die bepaling betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is voorgeschreven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, geldt het eerste lid niet voor het stellen van voorschriften met toepassing van de artikelen 8.11, 8.40, 8.45 of 8.46 van de Wet milieubeheer en het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarbij geldt dat de vergunningverlening wordt beoordeeld naar de overeenstemming van de som van de ammoniakemissies uit de tot de inrichting behorende dierenverblijven met de som van de ammoniakemissies die zijn toegestaan bij een beoordeling per afzonderlijk huisvestingssysteem, met dien verstande dat een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, afzonderlijk aan de voorschriften voldoet.

2.7.3. De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 9 maart 2011 in zaak nr. 201003072/1/M2) overwogen dat de in artikel 3, derde lid, van de Wav inzake interne saldering opgenomen regeling niet in strijd is met de IPPC-richtlijn. Er is geen aanleiding om daarvoor thans anders te oordelen. Het college heeft in zoverre dan ook toepassing mogen geven aan de in artikel 3, derde lid, van de Wav opgenomen regeling inzake interne saldering.

De beroepsgrond faalt.

2.8. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het college de interne salderingsmethode ten onrechte heeft toegepast, omdat de inrichting gedurende tien jaar buiten gebruik is geweest en stal 1 is uitgebreid met 117 dieren, voor het houden waarvan niet eerder vergunning is verleend op basis van een traditioneel stalsysteem.

ABC Milieugroep en andere betogen ook dat het college ten onrechte de interne salderingsmethode heeft toegepast. Zij voeren in dit verband aan dat het huisvestingssysteem in stal 1 niet op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig was en de stallen sinds 2000 geheel leeg staan.

2.8.1. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200904044/1/M2), is voor de vraag of interne saldering mocht worden toegepast van belang of het huisvestingssysteem van de desbetreffende stal op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig was. Voor het gebruik van de inrichting is eerder bij besluit van 9 december 1986 vergunning verleend, onder meer voor het houden van vleesvarkens in stal 1 met een traditioneel huisvestingssysteem. Het college heeft gesteld dat dit huisvestingssysteem op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig was. De enige wijziging in die stal betreft volgens hem de huisvesting van 117 extra vleesvarkens, waardoor een kleiner hokoppervlak per vleesvarken beschikbaar is. Er hoeven volgens het college geen aanpassingen aan het bestaande huisvestingssysteem plaats te vinden. Het in beroep aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is, zodat het in zoverre evenmin grond geeft voor het oordeel dat het college de interne salderingsmethode niet mocht toepassen. Dat in stal 1, naar [appellant sub 1] en anderen en ABC Milieugroep en andere stellen, een aantal jaren geen dieren zijn gehouden, kan aan deze conclusie niet afdoen. Evenmin kan dat het feit dat bij het in beroep bestreden besluit vergunning is verleend voor het houden van 117 extra vleesvarkens in stal 1, nu het huisvestingssysteem op 1 januari 2007 in de inrichting aanwezig was.

De beroepsgronden falen.

2.9. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat de ammoniakemissie voor stal 1 afneemt, terwijl het aantal dieren in die stal uitbreidt, nu dat onmogelijk is.

2.9.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wav, voor zover thans van belang, wordt onder emissiefactor verstaan: de bij ministeriële regeling vastgestelde ammoniakemissie per dierplaats per jaar.

Ingevolge artikel 2, van de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: de Rav) gelden voor de berekening van de ammoniakemissie van een veehouderij de emissiefactoren die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Ingevolge de bijlage, bedoeld in artikel 2, geldt voor overige huisvestingssystemen voor vleesvarkens met een hokoppervlakte van maximaal 0,8 m2 voor ammoniak een emissiefactor van 2,5 kg per dierplaats per jaar en voor hetzelfde huisvestingssysteem voor vleesvarkens met een hokoppervlakte groter dan 0,8 m2 een emissiefactor van 3,5 kg per dierplaats per jaar.

2.9.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wav is deze wet het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van ammoniak bij vergunningverlening voor een veehouderij. De Rav is een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die wet. Zoals hiervoor onder 2.9.1 is overwogen, gelden voor de berekening van de ammoniakemissie van de inrichting de emissiefactoren uit de Rav. Ingevolge de bijlage, bedoeld in artikel 2 van de Rav, zijn de emissiefactoren afhankelijk van het hokoppervlakte. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.6.2 is overwogen, is het hokoppervlakte per dierplaats in stal 1 bij het in beroep bestreden besluit gewijzigd van groter dan 0,8 m2 naar maximaal 0,8 m2. Daardoor geldt ingevolge de bijlage, bedoeld in artikel 2 van de Rav, een lagere emissiefactor. Bij de berekeningen ten behoeve van het in beroep bestreden besluit is het college terecht van deze lagere factor uitgegaan. Gelet op het vorengaande, geeft hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college de ammoniakemissie van de inrichting op onjuiste wijze heeft berekend.

De beroepsgrond faalt.

2.10. ABC Milieugroep en andere betogen dat de ammoniakemissie volgens het in beroep bestreden besluit gelijk blijft, maar de inrichting wordt uitgebreid en daardoor dichterbij de Natura 2000-gebieden Regte Heide en Riels Laag, en het zeer kwetsbare natuurgebied Kempenland komt te liggen. Volgens hen heeft het college miskend dat de gevolgen voor die gebieden niet aanvaardbaar zijn.

2.10.1. Ingevolge artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

2.10.2. De voorzitter heeft in de uitspraak van 29 september 2011 in zaak nr. 201011045/2/H4 met betrekking tot deze beroepsgrond overwogen dat aan het in artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij vermelde afstandscriterium wordt voldaan en in het aangevoerde geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de gevolgen voor het gebied Kempenland onvoldoende duidelijk zijn.

Wat betreft de andere vermelde beschermde natuurgebieden heeft de voorzitter overwogen dat deze ten tijde van het in beroep bestreden besluit onder de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998 vielen en de gevolgen voor die gebieden in het kader van vergunningverlening krachtens die wet moeten worden beoordeeld.

Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat het ten behoeve van het akoestisch onderzoek gebruikte rekenmodel, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het bij de vergunning behorende rapport "Akoestisch onderzoek [gemachtigde], [locatie] te Alphen" van Greten Raadgevende Ingenieurs van 23 oktober 2009 (hierna: het akoestisch rapport), niet representatief is, zodat het rapport ten onrechte bij het nemen van het bestreden besluit is betrokken. Ook betogen zij dat ten onrechte is gerekend met een geluidreductie voor het terugtoeren van de ventilatoren. Bovendien is het terugtoeren volgens hen niet mogelijk, omdat de dieren dan onvoldoende lucht krijgen. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het college bij de gestelde geluidgrenswaarden in de incidentele bedrijfssituatie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met cumulatie van de verschillende activiteiten.

2.11.1. [appellant sub 1] en anderen hebben met de enkele verwijzing naar een algemeen rapport over geluidemissies bij agrarische bedrijven uit 1996 niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch niet bij het nemen van het bestreden besluit mocht worden betrokken. Ook anderszins hebben zij dat niet gedaan.

2.11.2. Onder de incidentele bedrijfssituaties, als bedoeld in de vergunningvoorschriften 5.1.3 en 5.1.4, vallen het tijdens een piek afvoeren van drijfmest en het inkuilen van Corn Cob Mix in sleufsilo's. Voor deze incidentele bedrijfssituaties zijn in die voorschriften afwijkende geluidgrenswaarden gesteld. In het verweerschrift licht het college hierover toe dat het in het verband met de nodige inzet van materieel en personeel niet aannemelijk is dat voormelde activiteiten gelijktijdig plaatsvinden. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

2.11.3. Wat betreft het zogenoemde terugtoeren van de ventilatoren wordt in het akoestisch rapport vermeld dat de ventilatoren op 90, 90 en 70% van het toerental in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode draaien. Bij de berekeningen met de ventilatoren is volgens dat rapport uitgegaan van een zogenoemd worstcasescenario, waarbij het bronvermogen van de ventilatoren is bepaald, als was het een warme zomerdag. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een reductie van 7,7 dB vanwege het terugtoeren in de nachtperiode onhaalbaar is. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het akoestisch rapport onjuistheden bevat of dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

2.11.4. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de vleesvarkens door het terugtoeren minder lucht krijgen heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en faalt reeds daarom.

2.11.5. De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de in vergunningvoorschrift 5.1.1 gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn. Volgens hen heeft het college ten onrechte de woning aan de Oosterwijksestraat 10a als uitgangspunt genomen, nu de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting volgens het akoestisch rapport op twee andere woningen hoger is. Ook stellen zij dat de geluidgrenswaarden door de mechanische ventilatie, het laden van dieren en het inkuilen van veevoer worden overschreden.

2.12.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 5.1.1, voor zover thans van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, geproduceerd door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, op de volgende immissiepunten niet meer bedragen dan:

- woning Oosterwijksestraat 10a: onderscheidenlijk 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode;

- referentiepunt noord: onderscheidenlijk 45, 35 en 36 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode;

- referentiepunt oost: onderscheidenlijk 35, 33 en 28 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode;

- referentiepunt zuid: onderscheidenlijk 32, 32 en 26 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

2.12.2. [appellant sub 1] en anderen hebben hun stelling dat bepaalde activiteiten binnen de inrichting een overschrijding van de geluidgrenswaarden veroorzaken niet nader toegelicht, zodat daarin geen grond bestaat voor het oordeel dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

2.12.3. Volgens het akoestisch rapport is de berekende geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting op de woningen aan de Oosterwijksestraat 12 en 16 hoger dan die op de woning aan de Oosterwijksestraat 10a. Gelet op de situering van de bronnen, alsmede de woningen en referentiepunten, waarop geluidberekeningen hebben plaatsgevonden, zoals vermeld in het akoestisch rapport, moet worden geoordeeld dat de woningen aan de Oosterwijksestraat 12 en 16 met vergunningvoorschrift 5.1.1 niet in voldoende mate worden beschermd tegen geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit komt ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Ter zitting is gebleken dat het college heeft willen aansluiten bij de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) vermelde richtwaarden voor een landelijk gebied: 40, 35, 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De Afdeling ziet hierin aanleiding om voorschrift 5.1.1, zelf voorziend, te wijzigen door voormelde richtwaarden tevens te stellen voor de woningen aan de Oosterwijksestraat 12 en 16.

2.13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het college met betrekking tot de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden ten onrechte geen controlevoorschrift aan de vergunning heeft verbonden.

2.13.1. Artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aangeven, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Het vierde lid, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, bepaalt dat, voor zover aan een vergunning voor een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort - zoals in dit geval -, voor zover het die gpbv-installatie betreft, voorschriften worden verbonden, als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, als bedoeld onder a en b van dit lid, op grond waarvan moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan.

2.13.2. De vergunningvoorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.4, waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als doelvoorschriften, als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Ingevolge het vierde lid van dat artikel moest ten aanzien van deze geluidgrenswaarden een controlevoorschrift aan de vergunning worden verbonden. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.14. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat vergunningvoorschrift 5.1.5 innerlijk tegenstrijdig is, omdat een meethoogte van zowel 1,5 meter als 5 meter boven maaiveld wordt voorgeschreven. Volgens hen is in de laatste zin van het voorschrift ten onrechte niet bepaald dat het slechts om referentiepunten in het open veld gaat.

2.14.1. Ingevolge dat vergunningvoorschrift moet controle op of berekening van de in voorschrift 5.1.1 tot en met 5.1.4 vastgestelde geluidniveaus geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai" van 1999. Het bepalen van de geluidimmissie vanwege de inrichting ter plaatse van de woningen in de dagperiode dient te gebeuren op een hoogte van 1,5 meter en in de avond- en nachtperiode op een hoogte van 5 meter. Metingen en berekeningen ter plaatse van de immissiepunten moeten plaatsvinden op een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld.

2.14.2. In de vergunningvoorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.4 zijn geluidgrenswaarden voor verschillende immissiepunten in verschillende bedrijfssituaties gesteld. Met voorschrift 5.1.5 heeft het college bepaald, op welke wijze de geluidimmissie op de verschillende immissiepunten moet worden berekend. Ingevolge dit voorschrift geldt voor woningen een andere meethoogte dan voor de overige immissiepunten. Hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren geeft geen grond voor het oordeel dat dit voorschrift innerlijk tegenstrijdig, dan wel onduidelijk is.

De beroepsgrond faalt.

2.15. De beroepen van ABC Milieugroep en andere en [appellant sub 1] en anderen zijn, voor zover ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover de geluidgrenswaarden in voorschrift 5.1.1 slechts voor de woning aan de Oosterwijksestraat 10a zijn gesteld, voor zover in voorschrift 8.1.1 voor stal 1 een hokoppervlak groter dan 0,8 m2 is voorgeschreven, alsmede voor zover daaraan ten aanzien van de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.4 geen controlevoorschrift, als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer is verbonden. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen over controlevoorschriften. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

2.16. Het college wordt ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en ABC Milieugroep en andere op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [5 anderen];

II. verklaart de door [appellant sub 1] en anderen en Vereniging ABC Milieugroep en andere ingestelde beroepen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam van 28 september 2010, voor zover de geluidgrenswaarden in voorschrift 5.1.1 alleen zijn gesteld voor de woning aan de Oosterwijksestraat 10a, voor zover in voorschrift 8.1.1 voor stal 1 een hokoppervlak groter dan 0,8 m2 is voorgeschreven, en voor zover daaraan ten aanzien van de voorschriften 5.1.1 tot en met 5.1.4 geen controlevoorschrift, als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, is verbonden;

IV. bepaalt dat 'Woning Oosterwijksestraat 10a' in voorschrift 5.1.1 wordt vervangen door 'Woningen Oosterwijksestraat 10a, 12 en 16';

V. bepaalt dat 'Vleesvarkens, overige huisvestingssystemen, hokoppervlak groter dan 0,8 m2' in voorschrift 8.1.1 wordt vervangen door 'Vleesvarkens, overige huisvestingssystemen, hokoppervlak maximaal 0,8 m2';

VI. bepaalt dat deze uitspraak, voor zover het de onderdelen IV en V van deze beslissing betreft, in de plaats treedt van het besluit van 28 september 2010, voor zover dat is vernietigd;

VII. draagt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen over controlevoorschriften een nieuw besluit te nemen en dit op de voorgeschreven wijze bekend te maken;

VIII. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging ABC Milieugroep en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,92 (zegge: negenhonderdzeven euro en tweeënnegentig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1] en anderen en € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor de vereniging Vereniging ABC Milieugroep en andere vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2012

628.