Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8740

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
201113236/1/R1 en 201113236/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële hervaststelling bestemmingsplan Tuibrug" (hierna: partiële herziening) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201113236/1/R1 en 201113236/2/R1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Hoorn,

en

de raad van de gemeente Hoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële hervaststelling bestemmingsplan Tuibrug" (hierna: partiële herziening) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2011, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [appellant] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2012, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. X. Visscher, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door B.E. Kahlman en G.R.M. Koopman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting verzocht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Weliswaar hebben [appellant] en anderen ter zitting aangegeven dat zij onvoldoende tijd hebben gehad bij monde van een deskundige van de Zoogdiervereniging te reageren op de brief van Altenburg & Wymenga van 24 januari 2012 die drie dagen voorafgaand aan de zitting is ingekomen bij de Afdeling en die is opgesteld in aanvulling op het ecologisch vervolgonderzoek van Altenburg & Wymenga van 8 september 2009, maar reeds gelet op hetgeen hierna in de eerste alinea van 2.6 wordt overwogen valt niet in te zien dat een dergelijke reactie van de zijde van [appellant] en anderen kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.2. De Afdeling heeft bij uitspraak van 13 juli 2011 in zaaknr. 201008514/1/M3 (www.raadvanstate.nl) het besluit van de raad van 27 april 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tuibrug" (hierna: het bestemmingsplan) vernietigd, voor zover voor de plandelen "Wonen" en "Groen" planregels ontbraken ter voorkoming van lichtverstoring voor de meervleermuis langs de oostelijke watergang. In die uitspraak is overwogen dat de gebreken er in ieder geval in waren gelegen dat een regeling in het bestemmingsplan ontbrak omtrent het plaatsen van openbare straatverlichting alsmede een regeling over lichtverstoring als gevolg van het plaatsen van lichtbronnen in tuinen of het bevestigen van lichtbronnen aan woningen langs de oostelijke watergang.

De partiële herziening is vastgesteld ter voldoening aan de opdracht van de Afdeling in de uitspraak van 13 juli 2011 om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen in zoverre een nieuw besluit te nemen.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de partiële herziening niet voldoet aan hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juli 2011 en dat deze niet verhindert dat de vliegroute van de meervleermuis wordt verstoord. Zij achten de partiële herziening in strijd met de Flora- en faunawet en artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998. Zij voeren aan dat ten behoeve van het plandeel met de bestemming "Wonen" ten onrechte een goede regeling ontbreekt over lichtverstoring als gevolg van het bevestigen van lichtbronnen aan woningen. In dit verband stellen zij dat de partiële herziening er niet aan in de weg staat dat lantaarns worden gehangen aan gevels van woningen langs de oostelijke watergang. Verder betogen zij dat het bepaalde in artikel 6, lid 6.5, onder e, van de planregels (lees hierna: lid 6.5, onder d), dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor verlichting zonder afscherming van lichtuitstraling over het wateroppervlak niet is toegestaan, ten onrechte niet in de bouwregels, behorend bij de bestemming "Wonen", is vertaald. Dit klemt temeer, nu bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen met lichtverstorende objecten kunnen worden gerealiseerd op 1 m afstand van de oostelijke watergang, aldus [appellant] en anderen. Zij voeren in dit verband aan dat een groene buffer van 10 m moet worden aangehouden tussen de woningen en de oostelijke watergang.

[appellant] en anderen stellen zich verder op het standpunt dat lichtmasten tot maximaal 5 m hoog ten onrechte mogen worden opgericht ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 2" op een afstand van ongeveer 5 m tot 23 m vanaf de watergang. Volgens [appellant] en anderen is deze keuze niet onderbouwd en derhalve willekeurig. Hiertoe stellen zij dat ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Wonen" op gelijke afstand tot de watergang slechts verlichting met een hoogte tot 1 m is toegelaten. Voorts betogen zij dat in de gebruiksregels, behorend bij het plandeel met de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" ten onrechte niet staat dat op gronden met die bestemming en aanduiding gebruik van lichtmasten is verboden.

Verder betogen [appellant] en anderen dat de zinsnede "zonder afscherming van lichtuitstraling" in de artikelen 3, lid 3.4, aanhef en onder a, en 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid. Zij betogen dat ten onrechte geen juridisch bindende regeling in het plan is opgenomen die is gebaseerd op het advies van deskundigen op het gebied van vleermuizen en die voorschrijft welke maatregelen moeten worden getroffen. Ten slotte stellen zij zich op het standpunt dat niet duidelijk is wat in de regels van de partiële herziening moet worden verstaan onder "lichtmasten", "daarmee vergelijkbare bouwwerken" en "bouwwerken geen gebouwen zijnde". Deze begrippen zijn volgens hen rechtsonzeker.

2.4. De raad stelt dat de partiële herziening waarborgt dat geen lichtverstoring optreedt voor de meervleermuis langs de watergang ten oosten van het plangebied. Hij stelt dat derhalve in zoverre is voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de uitspraak van 13 juli 2011.

2.5. De partiële herziening wijzigt de verbeelding van het bestemmingsplan in die zin dat de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" is toegevoegd aan twee 5 m brede stroken grond met de bestemming "Groen", gelegen direct langs de watergang. De aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 2" is toegevoegd aan de twee stroken grond met de bestemming "Groen", gelegen op een afstand van ongeveer 5 m tot 23 m vanaf de watergang. Voorts is de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" toegekend aan de strook grond langs de watergang met een breedte van ongeveer 23 m die is bestemd als "Wonen".

De partiële herziening voegt, voor zover van belang, de volgende planregels toe aan de planregels van het bestemmingsplan:

- artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels, inhoudend dat gronden met de bestemming "Groen" ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" dan wel "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 2" mede zijn bestemd voor het voorkomen van lichtuitstraling over het wateroppervlak;

- artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, inhoudend een verbod om lichtmasten en daarmee vergelijkbare bouwwerken ter verlichting te bouwen op gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1";

- artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder a, inhoudend dat tot een strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Groen" wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 2" voor verlichting zonder afscherming van lichtuitstraling voor het wateroppervlak;

- artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder c, inhoudend dat gronden met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" mede zijn bestemd voor het voorkomen van lichtuitstraling over het wateroppervlak;

- artikel 6, lid 6.2.4, aanhef en onder a, inhoudend een maximale bouwhoogte van 1 m voor lichtmasten en daarmee vergelijkbare bouwwerken ter verlichting op gronden met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1";

- artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, inhoudend dat tot een strijdig gebruik van gronden met de bestemming "Wonen" wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" voor verlichting zonder afscherming van lichtuitstraling voor het wateroppervlak.

2.6. Met betrekking tot het betoog van [appellant] en anderen dat in het kader van de partiële herziening advies had moeten worden ingewonnen van deskundigen op het gebied van vleermuizen, wordt overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 hier niet toe verplicht, nu het ecologisch vervolgonderzoek van Altenburg & Wymenga van 8 september 2009 in die uitspraak reeds toereikend is geacht. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het ter zake inwinnen van een nader advies.

In tegenstelling tot hetgeen [appellant] en anderen betogen, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat in de planregels een verbod had moeten worden opgenomen, inhoudend dat geen lantaarns mogen worden gehangen aan gevels van woningen langs de oostelijke watergang. De uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 noopt niet tot een dergelijk verbod, maar verplicht er slechts toe dat een regeling wordt getroffen die verhindert dat sprake is van lichtverstoring langs de oostelijke watergang als gevolg van lantaarns die aan de gevels worden gehangen.

Wat betreft het betoog dat het bepaalde in artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor verlichting zonder afscherming van lichtuitstraling over het wateroppervlak niet is toegestaan, ten onrechte niet in de bouwregels is vertaald, wordt als volgt overwogen. In de brief "Rapportagebrief ecologisch vervolgonderzoek locatie Tuibrug te Hoorn" van Altenburg & Wymenga van 8 september 2009 staat dat lichtuitstraling over het wateroppervlak, in geval van het plaatsen van lampen nabij de watergang, kan worden voorkomen door bijvoorbeeld een lage plaatsing van lampen, een zorgvuldige afscherming van lichtuitstraling en/of het gebruik van lichtinschakeling met sensoren, zodat de lampen niet gedurende de hele nacht blijven branden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gebruiksregel in artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels voldoende waarborg biedt dat voornoemde maatregelen zullen worden genomen, zodat hij deze niet tevens in de bouwregels hoefde te vertalen. De voorzitter overweegt dat bij overtreding van artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels daartegen handhavend kan worden opgetreden. Het betoog van [appellant] en anderen dat dit niet mogelijk is, omdat de zinsnede "zonder afscherming van lichtuitstraling" in artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels rechtsonzeker is vanwege het ontbreken van specifieke regels die voorschrijven welke maatregelen moeten worden genomen, kan niet worden gevolgd. Dat specifieke maatregelen niet juridisch bindend zijn voorgeschreven laat immers onverlet dat het doel dat moet worden bereikt, namelijk het voorkomen van lichtuitstraling over het wateroppervlak, wel juridisch bindend en duidelijk in het plan is geregeld. [appellant] en anderen hebben dit niet bestreden. Niet valt in te zien dat het naleven van deze doelstelling niet handhaafbaar is. De regel in artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder a, van de planregels is vergelijkbaar met de regel in artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels, zij het dat eerstgenoemde regel ziet op gronden met de bestemming "Groen". Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over artikel 6, lid 6.5, aanhef en onder d, van de planregels bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de zinsnede "zonder afscherming van lichtuitstraling" in artikel 3, lid 3.4, aanhef en onder a, van de planregels, behorend bij de bestemming "Groen", leidt tot rechtsonzekerheid.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat een groene buffer met een breedte van 10 m had moeten worden aangehouden tussen de voorziene woningen, inclusief bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen enerzijds en de oostelijke watergang anderzijds. Hiervoor is van belang dat de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 hier niet toe verplicht.

Voorts acht de voorzitter de keuze van de raad om lichtmasten toe te staan met een maximale hoogte van 5 m op gronden met de bestemming "Groen" op een afstand van ongeveer 5 m tot 23 m vanaf de watergang, niet onredelijk. Daarbij is van belang het standpunt van de raad dat het met het oog op het tegengaan van lichtverstoring voor de meervleermuis verantwoord is op die afstand lichtmasten hoger dan 1 m te plaatsen. Dit standpunt is bevestigd in de brief van Altenburg & Wymenga van 24 januari 2012. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De enkele omstandigheid dat de raad op gronden met de bestemming "Wonen" een ruimere strook grond aanhoudt waar slechts verlichting tot 1 m mag worden opgericht dan op gronden met de bestemming "Groen", leidt niet reeds tot het oordeel dat in zoverre sprake is van willekeur. De raad is immers bevoegd, hoewel daartoe met het oog op het tegengaan van lichtverstoring geen noodzaak bestaat, de verlichting op gronden met de bestemming "Wonen" aan verdergaande beperkingen te onderwerpen.

Verder valt naar het oordeel van de voorzitter niet in te zien dat in de gebruiksregels die betrekking hebben op het plandeel met de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van natuur - ecologische waarde 1" ten onrechte een regeling ontbreekt over het gebruik van lichtmasten. Ter zitting is immers vast komen te staan dat op die gronden thans geen lichtmasten staan. Gelet hierop en het bouwverbod in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, heeft de door [appellant] en anderen voorgestane gebruiksregel geen betekenis.

2.7. Met betrekking tot het betoog dat niet duidelijk is wat in de regels van de partiële herziening moet worden verstaan onder "bouwwerken geen gebouwen zijnde", wordt overwogen dat de uitleg van de begrippen "bouwwerk" en "gebouw" volgt uit de definitiebepalingen die in het bestemmingsplan zijn vastgelegd. Voorts acht de voorzitter voldoende duidelijk wat in het normale spraakgebruik wordt verstaan onder de begrippen "lichtmasten" en "daarmee vergelijkbare bouwwerken". [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een nadere omschrijving hiervan noodzakelijk is om hierover onduidelijkheden te voorkomen.

2.8. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de partiële herziening voldoet aan hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juli 2011. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de partiële herziening is vastgesteld in strijd met de Flora- en faunawet of artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998.

2.9. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de partiële herziening strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant] en anderen is ongegrond.

2.10. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

371-646.