Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
201112639/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Daargelaten of de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben kunnen ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000, moeten de vreemdelingen in ieder geval, zoals volgt uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011, vanaf het moment dat zij in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens hen internationale bescherming te verlenen kenbaar hebben gemaakt, in afwachting van de beslissing op de asielverzoeken, geacht worden aan artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf te hebben ontleend. Dit rechtmatig verblijf gold tijdens de periode die nodig is geweest om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, dan wel tijdens de behandeling van de asielverzoeken. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat dit rechtmatig verblijf niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland, vanwege het verstrekken van een verblijfstitel, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van de vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/183

Uitspraak

201112639/1/V4.

Datum uitspraak: 5 maart 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 29 november 2011 in zaken nrs. 11/35981, 11/35980, 11/35984 en 11/35982 in de gedingen tussen:

de vreemdelingen

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 8 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 december 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister), heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de tweede grief klagen de vreemdelingen, samengevat weergegeven, dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland, vanwege het verstrekken van een verblijfstitel, op voet van artikel 16, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken. Voor deze overweging heeft de voorzieningenrechter volgens de vreemdelingen ten onrechte redengevend gevonden dat, nu de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat is aangevangen op het moment dat de vreemdelingen hun asielwens kenbaar hebben gemaakt bij de Nederlandse autoriteiten, de uitzondering, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening van toepassing is. Aldus heeft de voorzieningenrechter, zo betogen de vreemdelingen, niet onderkend dat de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat later is aangevangen, namelijk met de indiening van de asielverzoeken door middel van de daartoe bestemde formulieren. Dit volgt, zo betogen de vreemdelingen, uit artikel 4, eerste en tweede lid, van de Verordening. Ter staving van dit betoog verwijzen de vreemdelingen mede naar de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 in zaak nr. 201102753/1/V3, www.raadvanstate.nl. De vreemdelingen betogen dat hun rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een verblijfstitel als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening oplevert.

2.2.1. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 28, voor zover die vreemdeling overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur daartoe een termijn is gesteld.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening wordt onder een verblijfstitel verstaan: een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met inbegrip van de documenten waarbij personen worden gemachtigd zich op het grondgebied van die lidstaat op te houden in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel of in afwachting van de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel die tijdelijk door bepaalde omstandigheden niet kan worden uitgevoerd, echter met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om te bepalen welke lidstaat in de zin van deze verordening verantwoordelijk is of tijdens de behandeling van een asielverzoek of een aanvraag voor een verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening vangt de procedure waarbij wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

Ingevolge het tweede lid, wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, voor zover thans van belang, is de lidstaat die krachtens de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek verplicht het asielverzoek volledig te behandelen.

Ingevolge het tweede lid, gaan, indien een lidstaat de asielzoeker een verblijfstitel verstrekt, de in het eerste lid genoemde verplichtingen op deze lidstaat over.

2.2.2. Zoals uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011 volgt, maakt de Verordening een onderscheid tussen een asielverzoek - zijnde een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen - en de formele indiening ervan. Uit artikel 4, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Verordening volgt dat de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat aanvangt met de formele indiening. Dit heeft de voorzieningenrechter niet onderkend. De in de grief vervatte klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.2.3. Artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening dient, naar tekst en strekking, zo te worden verstaan dat de periode, die nodig is om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, aanvangt op het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens om hem internationale bescherming te verlenen kenbaar heeft gemaakt en dat rechtmatig verblijf gedurende die periode niet kan worden aangemerkt als een in die bepaling bedoelde verblijfstitel. Het rechtmatig verblijf tijdens de behandeling van een asielverzoek kan evenmin worden aangemerkt als een in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening bedoelde verblijfstitel.

2.2.4. Daargelaten of de vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben kunnen ontlenen aan artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000, moeten de vreemdelingen in ieder geval, zoals volgt uit voormelde uitspraak van 4 oktober 2011, vanaf het moment dat zij in persoon ten overstaan van de autoriteiten de wens hen internationale bescherming te verlenen kenbaar hebben gemaakt, in afwachting van de beslissing op de asielverzoeken, geacht worden aan artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 rechtmatig verblijf te hebben ontleend. Dit rechtmatig verblijf gold tijdens de periode die nodig is geweest om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, dan wel tijdens de behandeling van de asielverzoeken. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat dit rechtmatig verblijf niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder j, van de Verordening. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter eveneens terecht heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat Nederland, vanwege het verstrekken van een verblijfstitel, verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van de vreemdelingen.

2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat.

w.g. Hent

voorzitter

w.g. Van Loo

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2012

418-722.

Verzonden: 5 maart 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser