Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
200808781/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de minister, voor zover thans van belang, [wederpartij] een boete opgelegd van € 9.000,00 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808781/1/V6.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 oktober 2008 in zaak nr. 07/5062 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Waardenburg,

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de minister, voor zover thans van belang, [wederpartij] een boete opgelegd van € 9.000,00 wegens overtreding van artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft de minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 oktober 2008, verzonden op 27 oktober 2008, heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de aan [wederpartij] opgelegde boete wegens overtreding van artikel 15 van de Wav is gehandhaafd en de minister opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2008, hoger beroep ingesteld. De minister heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 26 januari 2009. Deze brieven zijn aangehecht.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.A.W. Stiekema, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, zijn verschenen.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat de behandeling van deze zaak wordt aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie; hierna: het Hof) op de door de Afdeling bij onder meer de verwijzingsuitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr. 200801014/1 (www.raadvanstate.nl) gestelde prejudiciële vragen.

Bij arrest van 10 februari 2011 in de gevoegde zaken C-307/09 tot en met C-309/09 (Vicoplus e.a.; www.curia.europa.eu) heeft het Hof de door de Afdeling gestelde vragen beantwoord.

[wederpartij] en de minister hebben ieder een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 16 februari 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Jacobson, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op dit geding is de Wav van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 2009 (Stb. 2009, 265) op 1 juli 2009.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: de Wid), van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18 van de Wav, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 15, tweede lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader had moeten onderzoeken, of in dit geval op basis van het boeterapport kon worden geconcludeerd dat [wederpartij] artikel 15 van de Wav heeft overtreden. Daartoe voert de minister aan dat de rechtbank er ten onrechte van is uitgegaan dat hij zich voor de conclusie, dat zich geen afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen bij [wederpartij] bevonden, slechts heeft gebaseerd op de mededelingen van de bedrijfsleider van [wederpartij], [bedrijfsleider].

2.2.1. Het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte door inspecteurs van de Arbeidsinspectie (hierna: de inspecteur) opgemaakte boeterapport van 5 oktober 2006 en de daarbij behorende bijlagen (hierna: het boeterapport) houdt in, dat op 16 maart 2006 zes vreemdelingen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) in twee cellen in de kwekerij van [wederpartij] arbeid verrichtten bestaande uit het plukken van bruine kastanjechampignons, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven. De vreemdelingen waren via [bedrijf], gevestigd in Polczyn-Zdoi in Polen, ter beschikking gesteld. Het boeterapport houdt verder in dat uit het horen dan wel de zakelijke gegevens en bescheiden bleek dat geen afschriften van geldige identiteitsdocumenten waren ontvangen en in de administratie waren opgenomen en dat daarin slechts E-101 verklaringen van de vreemdelingen aanwezig waren.

2.2.2. De rechtbank heeft aan haar overweging, dat de minister overtreding van artikel 15 van de Wav niet zonder nader onderzoek op het boeterapport heeft kunnen baseren, ten grondslag gelegd dat het boeterapport er geen blijk van geeft waar de administratie van [wederpartij] zich bevond en evenmin aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat [bedrijfsleider], met diens verklaring dat geen afschriften in de kwekerij aanwezig waren, bedoeld heeft dat ook geen afschriften van de identiteitspapieren in haar administratie waren opgenomen.

De rechtbank heeft niet onderkend dat ook [directeur], blijkens de als bijlage 13 bij het boeterapport gevoegde verklaring van 19 april 2006, ten overstaan van inspecteurs van de Arbeidsinspectie heeft verklaard, dat door [bedrijf] geen kopieën van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen waren geleverd en hij niet om die kopieën heeft gevraagd. Nu de ten overstaan van de inspecteurs afgelegde verklaringen van zowel de bedrijfsleider als de directeur van [wederpartij] inhouden dat niet over kopieën van de identiteitsbewijzen van de vreemdelingen werd beschikt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister nader onderzoek had dienen te verrichten naar de aanwezigheid van afschriften van identiteitsdocumenten van de vreemdelingen in de administratie van [wederpartij].

Het betoog slaagt.

2.3. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit van 22 oktober 2007 heeft vernietigd voor zover daarbij de aan [wederpartij] opgelegde boete wegens overtreding van artikel 15 van de Wav is gehandhaafd. Gegeven hetgeen in 2.2.2. is overwogen, zal de Afdeling het inleidend beroep op dit punt alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 oktober 2008 in zaak nr. 07/5062 voor zover aangevallen;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

501.