Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201011786/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft het college aan Riwald Schroot en Metaalrecycling B.V. (hierna: vergunninghoudster) krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het in bedrijf hebben van een inrichting aan de Buitenhaven Oostzijde 2a/2b te Almelo, waarin onder meer opslag, overslag en bewerking van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen plaatsvindt. Dit besluit is op 29 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201011786/1/A4.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Almelo,

2. de stichtingen Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en Stichting Omgevingsrecht, gevestigd te onderscheidenlijk Hengelo en Almelo,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft het college aan Riwald Schroot en Metaalrecycling B.V. (hierna: vergunninghoudster) krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer vergunning verleend voor het in bedrijf hebben van een inrichting aan de Buitenhaven Oostzijde 2a/2b te Almelo, waarin onder meer opslag, overslag en bewerking van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen plaatsvindt. Dit besluit is op 29 oktober 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2010, en de Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en de Stichting Omgevingsrecht gezamenlijk bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2010, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft de gronden aangevuld bij brief van 10 januari 2011. De Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu heeft dat gedaan bij brief van 11 januari 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Vergunninghoudster en [appellant sub 1] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2011, waar [appellant sub 1] in persoon, Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en de Stichting Omgevingsrecht, beide vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, A.M. van Beek en J.M. Blankvoort, zijn verschenen. Voorts is daar vergunninghoudster, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel IV, eerste lid, van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het in beroep bestreden besluit.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de desbetreffende bepalingen niet van toepassing zijn op het in beroep bestreden besluit. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden, voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals die voor 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit, als dat waartegen beroep is ingesteld en dat is voorbereid met afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (oud), beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies over het ontwerp van het besluit uit te brengen;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden, aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit hebben ingebracht.

Ingevolge artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die luidde voor 1 juli 2005, kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijke bedenkingen inbrengen.

2.3. Het ontwerp van het in beroep bestreden besluit heeft van 15 juli 2010 tot 12 augustus 2010 ter inzage gelegen.

2.4. Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu heeft geen bedenkingen tegen het ontwerp ingebracht. De beroepsgrond over de vergunningvoorschriften 6.1.5 en 6.2.3 richt zich tegen wijzigingen die bij het nemen van het in beroep bestreden besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht. In zoverre is het beroep van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu ingevolge artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (oud) ontvankelijk. De overige gronden richten zich niet tegen zodanige wijzigingen. Niet is gebleken van omstandigheden, op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu niet kan worden verweten dat zij hierover geen bedenkingen tegen het ontwerp heeft ingebracht. Dat de stichting eerder bedenkingen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze bedenkingen geen betrekking hebben op het ontwerp dat tot het besluit, waartegen de stichting beroep heeft ingesteld, heeft geleid. Het beroep van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en Stichting Omgevingsrecht is derhalve niet-ontvankelijk, voor zover dit is ingesteld door Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, behoudens voor zover het de beroepsgrond over vergunningvoorschriften 6.1.5 en 6.2.3 betreft.

2.5. Het beroepschrift van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en Stichting Omgevingsrecht is niet gemotiveerd, voor zover dit is ingediend door Stichting Omgevingsrecht. Hiermee is niet voldaan aan het vereiste, gesteld bij artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, dat een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep bevat. Het beroep van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en Stichting Omgevingsrecht is niet-ontvankelijk, voor zover dit door Stichting Omgevingsrecht is ingesteld.

2.6. [appellant sub 1] heeft onder meer beroepsgronden aangevoerd over de kennisgeving van het ontwerpbesluit, brandpreventie, radioactief materiaal, beperking van olie als afvalstof, energiebesparing, waterverbruik, asbesthoudende verpakkingen en de vergunningvoorschriften 1.1.7, 1.5.1, 3.2.3, 4.2.1, 4.2.2, 5.1.2, 6.5.7, 6.6.1, alsook voorschrifthoofdstuk 2.1. Hij heeft over deze onderwerpen geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c van artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer (oud) hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden, op grond waarvan geoordeeld kan worden dat [appellant sub 1] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij op dit punt geen bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit heeft ingebracht. Hieruit volgt dat het beroep van [appellant sub 1] in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.7. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte niet heeft gereageerd op de door hem tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen.

2.7.1. [appellant sub 1] heeft in zijn geschrift van 12 augustus 2010 bedenkingen naar voren gebracht over geluidhinder, stofhinder en luchtkwaliteit, verschillende vergunningvoorschriften, alsmede aangevoerd dat de aanvraag niet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer voldoet. Deze bedenkingen zijn binnen de bij artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (oud) gestelde termijn ingediend. Het college is hierop ten onrechte niet ingegaan. Het is in het in beroep bestreden besluit wel op bedenkingen van anderen dan [appellant sub 1], die op de door hem naar voren gebrachte punten betrekking hebben, ingegaan. Hij is, gelet hierop, niet door de handelwijze van het college benadeeld, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gepasseerd.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning, als waar het hier om gaat, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt de vergunning in ieder geval geweigerd, indien door verlening ervan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Bij de toepassing van deze bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

2.9. [appellant sub 1] betoogt dat het college heeft miskend dat de aanvraag niet met de werkelijkheid overeenkomt. Volgens hem worden binnen de inrichting installaties gebruikt, zonder dat daarvoor vergunning is gevraagd.

Dat betoog faalt. Het college moest bij het nemen van het in beroep bestreden besluit uitgaan van de aanvraag, zoals deze was ingediend. Niet is gesteld dat het dat niet heeft gedaan.

2.10. [appellant sub 1] betoogt verder dat de aanvraag van juni 2005 zozeer is veranderd, dat het een nieuwe aanvraag is.

2.10.1. Hoewel de aanvraag herhaaldelijk is aangevuld en de aanvulling van 24 juni 2010 ten behoeve van de overzichtelijkheid ter vervanging van alle voorgaande stukken geldt, heeft vergunninghoudster daarmee niet beoogd de aanvraag van 21 juni 2005 in te trekken of een nieuwe aanvraag in te dienen. De ten opzichte van de aanvraag van 21 juni 2005 aangebrachte wijzigingen zijn voorts niet zo ingrijpend, dat deze zich daarom niet met die aanvraag verdragen.

Het betoog faalt.

2.11. [appellant sub 1] voert verder aan dat de inrichting één inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, vormt met een inrichting aan de Rietstraat 290 te Almelo en met het naastgelegen terrein aan de Buitenhaven Oostzijde 8. Volgens hem bestaat zodanige organisatorische en financiële binding tussen de drie ondernemingen, dat hun inrichtingen ten onrechte niet als één inrichting zijn aangemerkt.

2.11.1. Het college moest bij het nemen van het in beroep bestreden besluit uitgaan van de aanvraag. Deze heeft betrekking op het terrein aan de Buitenhaven Oostzijde 8, noch op de inrichting aan de Rietstraat 290. Het college hoefde deze terreinen dan ook niet bij het nemen van het bestreden besluit te betrekken.

De beroepsgrond faalt.

2.12. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het college de verzochte vergunning ten onrechte niet heeft geweigerd, omdat het knippen en shredderen van metalen ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is toegestaan.

Dit betoog faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor het gebruik van een shredder is geen vergunning verleend, omdat dat gebruik bij brief van 23 september 2010 uit de aanvraag is verwijderd.

2.13. [appellant sub 1] betoogt verder dat het aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport niet representatief is voor de werkelijke geluidsbelasting. Hij stelt daartoe dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie niet juist is, omdat het bronvermogen van de grijpkranen die hoog op metaalopslagbulten staan niet is meegenomen. Deze kranen staan volgens hem ongeveer op 10 à 15 meter hoogte. Daarmee is volgens hem in de geluidsberekeningen ten onrechte geen rekening gehouden. Volgens hem kon het college daarom op basis van het akoestisch rapport niet concluderen dat de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

2.13.1. Aan het in beroep bestreden besluit is een akoestisch onderzoek van Akoestisch Buro Tideman ten grondslag gelegd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het "Akoestisch rapport Riwald Schroot en Metaalrecycling B.V.", rapportnr. 09.050.02, van 21 september 2009. Volgens het deskundigenbericht van de StAB is de representatieve bedrijfssituatie van de inrichting in dit akoestisch rapport gemodelleerd. Het bronvermogen van de grijpkranen is daarbij betrokken en gemodelleerd op de hoogte, waar het geluidsniveau het hoogst is. Het geluidsniveau wordt hierdoor niet onderschat, aldus het deskundigenbericht. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deskundigenbericht in zoverre onjuist is. Hetgeen hij heeft aangevoerd, leidt derhalve niet tot de conclusie dat het akoestisch rapport niet representatief is.

Het betoog faalt.

2.14. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het college ten onrechte geen bedrijfsmiddelen uit de milieulijst, behorende bij de regeling

milieu-investeringsaftrek, heeft voorgeschreven, teneinde de geluidsbelasting zoveel mogelijk te beperken.

2.14.1. Dat betoog treft evenmin doel. De regeling milieu-investeringsaftrek is een subsidieregeling voor milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen voor ondernemers. Het college hoefde de lijst niet bij de beoordeling van de beste beschikbare technieken in het kader van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer te betrekken.

2.15. [appellant sub 1] betoogt ook dat het college heeft miskend dat hinder vanwege de uitstoot van zwevende deeltjes moet worden verwacht. Het heeft verschillende maatregelen om de uitstoot van zwevende deeltjes te beperken ten onrechte niet voorgeschreven, aldus [appellant sub 1].

2.15.1. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer volgt dat bestuursorganen, als de uitoefening van hun bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, hun bevoegdheid uitoefenen, als aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening - kort gezegd - niet tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde leidt.

2.15.2. Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college een rapport van een luchtkwaliteitsonderzoek van 3 september 2009 met een aanvulling van 14 juni 2010 ten grondslag gelegd. Volgens dit rapport kan de inrichting voldoen aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes. [appellant sub 1] heeft de deugdelijkheid van het onderzoek en het rapport niet gemotiveerd bestreden. Nu volgens dat rapport aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes wordt voldaan, geeft het betoog geen aanleiding om te oordelen dat ten onrechte geen verdergaande maatregelen zijn voorgeschreven.

Het betoog faalt.

2.16. [appellant sub 1] betoogt verder dat de vergunningvoorschriften niet toereikend zijn om stofhinder te voorkomen. Daartoe voert hij aan dat het college ten onrechte heeft afgeweken van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de NeR), nu volgens het in beroep bestreden besluit tot twee meter van de bron stof zichtbaar mag zijn en volgens de NeR niet.

2.16.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 9.1.2 treft vergunninghoudster zodanige voorzieningen of maatregelen, dat ten gevolge van de activiteiten op de erfafscheiding, alsmede 2 meter vanaf een eventuele bron, geen visueel waarneembare stofverspreiding zal optreden.

2.16.2. Volgens de NeR, paragraaf 3.8.4, geldt met betrekking tot de diffuse stofemissie als uitgangspunt voor het bepalen van de beste beschikbare technieken dat binnen de inrichting geen visueel waarneembare stofverspreiding in de buitenlucht mag optreden. Onder bijzondere omstandigheden zal het echter niet mogelijk zijn om hieraan te voldoen. In die gevallen is het uitgangspunt dat op een afstand van 2 meter van de bron geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt, aldus paragraaf 3.8.4. In voorschrift 9.1.2 is bij die norm aangesloten. Verder wordt met het voorschrift beoogd dat geen stofverspreiding buiten de inrichting plaatsvindt. Het college heeft het voorschrift toereikend mogen achten om stofhinder te voorkomen of te beperken.

Het betoog faalt.

2.17. [appellant sub 1] en de Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu voeren aan dat onvoldoende duidelijk is dat vergunninghoudster met de vergunningvoorschriften 6.1.5 en 6.2.3, die bepalen dat een blustoestel moet zijn voorzien van een rijkskeurmerk met rangnummer en ten minste eenmaal per jaar door een deskundige moet zijn onderzocht overeenkomstig NEN 2559, aan het Besluit draagbare blustoestellen 1997 moet voldoen en deze voorschriften, gelet op het Besluit brandveilig gebruik van bouwwerken, overbodig zijn.

2.17.1. Het betoog dat de voorschriften overbodig zijn, hebben zij niet nader toegelicht. Het geeft reeds daarom geen aanleiding om het in beroep bestreden besluit te vernietigen. Uit de voorschriften blijkt voorts dat het blustoestel ingevolge het Besluit draagbare blustoestellen 1997 van een rijkskeurmerk met rangnummer moet zijn voorzien.

Het betoog faalt.

2.18. [appellant sub 1] betoogt dat in hoofdstuk 6.3 van de vergunningvoorschriften ten onrechte niet is opgenomen dat bovengrondse tanks die niet van een mangat zijn voorzien uiterlijk op 1 juni 2011 definitief buiten gebruik moeten zijn gesteld en door een erkend bedrijf afgevoerd.

2.18.1. Hoofdstuk 6.3 van de vergunningvoorschriften heeft betrekking op de opslag van diesel- en gasolie in bovengrondse tanks. Het college heeft met de vergunningvoorschriften 6.3.1 en 6.3.2 aangesloten bij de richtlijn "Vloeibare aardolieproducten: buitenopslag in kleine installaties", Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: PGS 30), zoals die ten tijde van het nemen van het in beroep bestreden besluit bekend was gemaakt en bepaald dat de opslag aan verschillende voorschriften uit de PGS 30 dient te voldoen. De PGS 30 is in tabel 2 van de bijlage van de Regeling aanwijzing BBT-documenten opgenomen als document, waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houdt. Voorschrift 4.1.5 van de PGS 30, waarnaar in vergunningvoorschrift 6.3.1 wordt verwezen, bepaalt, wanneer een bovengrondse tank van een mangat moet zijn voorzien. [appellant sub 1] heeft niet uiteengezet, waarom maatregelen, anders dan die uit voorschrift 4.1.5 van de PGS 30 voortvloeien, moesten worden voorgeschreven.

Het betoog faalt.

2.19. [appellant sub 1] betoogt dat vergunningvoorschrift 6.5.2 onbegrijpelijk is, omdat de vloeistofdruk uit gelekt accuzuur verwaarloosbaar is. Volgens hem is ten onrechte niet voorgeschreven dat de bodembeschermende voorziening bestand is tegen accuzuur.

2.19.1. Ingevolge voorschrift 6.5.1, voor zover thans van belang, vindt de opslag van afgedankte of gebruikte accu's plaats boven een vloeistofdichte vloer of voorziening die tegen het aanwezige elektrolyt bestand is.

Ingevolge voorschrift 6.5.2 is die vloer of verharding en de lekbak voldoende sterk om weerstand te bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk. Het oppervlak van de vloeistofdichte vloer of verharding, of de lekbak is niet groter dan 20 vierkante meter en de opvangcapaciteit is ten minste gelijk aan de totale inhoud van de opgeslagen accu's.

2.19.2. Het betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 6.5.2 onbegrijpelijk is. Dat de bodembeschermende voorziening bestand moet zijn tegen accuzuur, is voorgeschreven in voorschrift 6.5.1, zodat dit onderdeel evenmin slaagt.

Het betoog faalt.

2.20. [appellant sub 1] betoogt dat de begrippenlijst in bijlage 1 bij het bestreden besluit op verschillende punten onjuist is. Daartoe voert hij aan dat bij de daarin vermelde NEN-normen ten onrechte geen publicatiejaar is vermeld, alsmede welke aanvullingen en correctiebladen van toepassing zijn. Dit geldt volgens hem ook voor de overige begrippen die naar een norm verwijzen. Voorts ontbreekt bij de vermelde PGS-publicaties eveneens een jaartal, wordt bij de referentieperiode ten onrechte verwezen naar het ingetrokken Besluit bepaling referentie-periode en wordt ten onrechte verwezen naar een niet meer bestaand ministerie, te weten het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, aldus [appellant sub 1].

2.20.1. In bijlage 1 bij het in beroep bestreden besluit is vermeld dat de normen en richtlijnen, zoals deze luidden ten tijde van het nemen van het in beroep bestreden besluit, gelden, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Hiermee is duidelijk, welke normen en publicaties gelden.

Het Besluit bepaling referentieniveau-periode is vervallen. In het verweerschrift stelt het college dat de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden zijn gebaseerd op het geluidsbeleid van de gemeente Almelo, waarbij is uitgegaan van gebiedstypen waarin het referentieniveau is verwerkt, zodat het Besluit bepaling referentieniveau-periode in zoverre niet van belang is. Het vermelden van dit Besluit en het voormalig ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu in de begrippenlijst geven geen aanleiding om het in beroep bestreden besluit te vernietigen.

Het betoog faalt.

2.21. Het beroep van [appellant sub 1] is voorts gedeeltelijk gericht tegen de in het in beroep bestreden besluit opgenomen overwegingen. Die overwegingen roepen geen rechtsgevolgen in het leven. Zij zijn daarom niet voor beroep vatbaar. Het desbetreffende betoog faalt dan ook.

2.22. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het door Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu en de Stichting Omgevingsrecht ingestelde beroep niet-ontvankelijk, behoudens voor zover het de beroepsgrond van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu over vergunningvoorschriften 6.1.5 en 6.2.3 betreft;

II. verklaart het door [appellant sub 1] ingestelde beroep niet-ontvankelijk, voor zover het de beroepsgronden over de kennisgeving van het ontwerpbesluit, brandpreventie, radioactief materiaal, beperking van olie als afvalstof, energiebesparing, waterverbruik, asbesthoudende verpakkingen en de vergunningvoorschriften 1.1.7, 1.5.1, 3.2.3, 4.2.1, 4.2.2, 5.1.2, 6.5.7, 6.6.1, alsook voorschrifthoofdstuk 2.1 betreft;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

628.