Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201012872/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college van gs aan [appellante sub 3] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van afval- en bouwstoffen op het perceel [locatie] te Huissen, en geweigerd voor het incidenteel in werking zijn van de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie. Dit besluit is op 25 november 2010 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/27 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2012/522
Milieurecht Totaal 2012/3704
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5224

Uitspraak

201012872/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Westervoort, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2.    het college van burgemeester en wethouders van Westervoort (hierna: het college van b&w),

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Huissen, gemeente Lingewaard,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college van gs),

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college van gs aan [appellante sub 3] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van afval- en bouwstoffen op het perceel [locatie] te Huissen, en geweigerd voor het incidenteel in werking zijn van de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie. Dit besluit is op 25 november 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2010, het college van b&w bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2011, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2011, beroep ingesteld.

Het college van gs heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant sub 1] en anderen en het college van gs hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar [appellant sub 1] en anderen, van wie [appellant sub 1] en [persoon] in persoon, het college van b&w, vertegenwoordigd door F.J. Schoonderbeek, werkzaam bij de gemeente, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. A.J.M. Jordense, en het college van gs, vertegenwoordigd door P.W.T. Rosendaal, werkzaam bij de provincie, en ing. E.L. Baukema, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1.    Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Wabo

2.2.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ingetrokken beroepsgronden

2.3.    [appellante sub 3] heeft ter zitting haar beroepsgronden over de geldingsduur van de vergunning en de vergunningvoorschriften 1.4.1, 9.1.3, 9.1.4 en 9.2.7. ingetrokken.

    [appellant sub 1] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over het ontbreken van een controlevoorschrift met betrekking tot de in vergunningvoorschrift 2.4.1 vergunde maximale doorzet van afvalstoffen ingetrokken.

Ontvankelijkheid beroepsgrond [appellante sub 3]

2.4.    Het college van gs betoogt dat de beroepsgrond van [appellante sub 3], inhoudende dat de in vergunningvoorschrift 2.2.3 voorgeschreven wijze van opslag van teerhoudend asfalt niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat op dit punt geen zienswijze is ingediend.

2.4.1.         Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

    Nu de beroepsgrond inzake vergunningvoorschrift 2.2.3 geen betrekking heeft op een besluitonderdeel als hiervoor bedoeld, staat artikel 6:13 van de Awb er niet aan in de weg dat deze grond eerst in beroep wordt aangevoerd. Er bestaat dan ook geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

Algemeen toetsingskader

2.5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

    Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de vergunningvoorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van vergunningvoorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

    Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college van gs een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bedrijfstijden

2.6.    Het college van b&w en [appellant sub 1] hebben bezwaren tegen de in vergunningvoorschrift 1.4.1 voorgeschreven bedrijfstijden. Het college van b&w voert aan dat de voorgeschreven bedrijfstijden voor de overslagkraan op de tweede loswal ruimer zijn dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. [appellant sub 1] voert hetzelfde aan, ook voor de overslagkraan op de eerste loswal. Ook voert [appellant sub 1] aan dat de voorgeschreven bedrijfstijden voor de overslagkranen niet noodzakelijk zijn, omdat de effectieve duur dat zij in werking zijn blijkens het akoestisch onderzoek korter is. Verder voert [appellant sub 1] aan dat de voorgeschreven bedrijfstijden leiden tot aantasting van het nachtelijk duister en dat deze aantasting een negatief effect heeft op de vleermuizen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied.

2.6.1.    Vergunningvoorschrift 1.4.1 bepaalt dat de inrichting slechts in werking mag zijn van maandag tot vrijdag van 5.00 uur tot 23.00 uur en op zaterdagen van 5.00 uur tot 13.00 uur, waarin de volgende bedrijfsactiviteiten als volgt mogen plaatsvinden:

- het kantoor en de weegbrug        ma. t/m vr. van 6.00 - 18.00 uur

- de overslagkranen                ma. t/m vr. van 5.00 - 23.00 uur

                        zaterdag     van 5.00 - 13.00 uur

- de vulinstallatie grondstoffen VBI     ma. t/m vr. van 5.00 - 23.00 uur

                        zaterdag     van 5.00 - 13.00 uur

- de breek-, zeef-, was- en             ma. t/m vr. van 7.00 - 17.00 uur

  classificeerinstallatie

2.6.2.    Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer dient het bevoegd gezag te beoordelen of de milieugevolgen van de aangevraagde activiteiten aanvaardbaar zijn. Of de aangevraagde activiteiten noodzakelijk zijn, is daarbij, anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, op zichzelf niet van belang. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.3.    De effecten van de inrichting op een gebied dat ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) wordt beschermd, komen aan de orde bij de beantwoording van de vraag of een vergunning op grond van de Nbw 1998 is vereist en zo ja, of en onder welke voorwaarden die verleend kan worden. Er bestaat geen ruimte voor beoordeling van deze grond in het kader van het beroep tegen het thans bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

2.6.4.    Het college van gs erkent dat de in vergunningvoorschrift 1.4.1 voorgeschreven bedrijfstijden leiden tot onduidelijkheid, omdat de hierin voorgeschreven bedrijfstijden niet overeenstemmen met de in tabel I van het door Peutz B.V. opgestelde rapport van 30 september 2009 weergegeven uitgangspunten van het akoestisch onderzoek. Dit rapport maakt ingevolge het dictum van het bestreden besluit onderdeel uit van de verleende vergunning. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

Het 12-dagencriterium

2.7.    [appellante sub 3] betoogt dat het college van gs ten onrechte heeft geweigerd te vergunnen dat de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie van 6.00 tot 7.00 uur en van 17.00 tot 23.00 uur incidenteel in werking is. [appellante sub 3] wijst in dit verband, aldus begrijpt de Afdeling, op hetgeen paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening  vermeldt met betrekking tot het zogenoemde 12-dagencriterium. Volgens haar is haar verzoek onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Hiertoe voert zij aan dat het ontwerpbesluit nog in toestemming voorzag. Ook had het college van gs een vergunningvoorschrift aan de vergunning kunnen verbinden waarin zou zijn bepaald dat voorafgaand aan het incidenteel in werking zijn van de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie een nadere akoestische uitwerking zou moeten worden overgelegd, aldus [appellante sub 3].

2.7.1.    Het college van gs heeft vergunning voor het incidenteel in werking zijn van de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie geweigerd, omdat van deze incidentele bedrijfssituatie geen nadere uitwerking in het akoestisch rapport is opgenomen. Hierdoor kon geen goede afweging worden gemaakt, aldus het college van gs. Ter zitting heeft het college van gs voorts toegelicht dat het ontwerpbesluit wel in toestemming voor het incidenteel in werking zijn van de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie voorzag, omdat eerst na de behandeling van de zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit naar voren was gekomen dat een nadere uitwerking hiervan in het akoestisch rapport ontbrak.  

2.7.2.    Paragraaf 5.3 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening bevat een ontheffingsregeling - het zogenoemde 12-dagencriterium - op grond waarvan ontheffing kan worden verleend om maximaal 12 maal per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie. Het bevoegd gezag dient in een dergelijk geval een deugdelijke afweging te maken van de belangen van vergunningaanvrager en omwonenden en te onderzoeken in hoeverre de hinder kan worden beperkt.

2.7.3.    [appellante sub 3] vermeldt in haar aanvraag dat de breek-, zeef-, was- en classificeerinstallatie 12 maal per jaar van 6.00 tot 23.00 uur in werking is. Zij heeft echter geen inzicht verschaft in de geluidsbelasting die deze installatie veroorzaakt ter plaatse van woningen van derden. Ter zitting is vastgesteld dat zij het college van gs ook geen verzoek heeft gedaan om de gewenste akoestische gegevens alsnog te mogen aanvullen. Als gevolg van het ontbreken van die akoestische gegevens kon geen zorgvuldige afweging als bedoeld in de hierboven genoemde ontheffingsregeling worden gemaakt. Hetgeen [appellante sub 3] aanvoert geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs niet heeft mogen afzien van het verlenen van bedoelde ontheffing. Voorts kan niet bij vergunningvoorschrift worden voorgeschreven dat een nadere akoestische uitwerking moet worden overgelegd, omdat de rechtszekerheid en het belang van de bescherming van het milieu met zich brengen dat reeds ten tijde van het bestreden besluit duidelijkheid moet bestaan over de omvang van de vergunde activiteiten. De beroepsgrond faalt.

Aanleg tweede loswal

2.8.    [appellant sub 1] heeft bezwaren tegen de bij het bestreden besluit vergunde aanleg van een tweede loswal. Hij voert aan dat de aanleg van een tweede loswal niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de aanleg van een tweede loswal voor de flora en fauna en het nabijgelegen Natura 2000-gebied. [appellant sub 1] stelt dat in het kader van de Flora- en Faunawet een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen, amfibieën en andere beschermde soorten dient te worden uitgevoerd. Voorts voert hij aan dat de ingevolge het geldende bestemmingsplan vereiste vrijstellingen nog niet zijn verleend.

2.8.1.    Zoals hiervoor onder 2.6.2 is overwogen, dient het bevoegd gezag bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning op grond van de Wet milieubeheer te beoordelen of de milieugevolgen van de aangevraagde activiteiten aanvaardbaar zijn. Of de aangevraagde activiteiten, zoals in dit geval de aanleg van een tweede loswal, noodzakelijk zijn, is daarbij op zichzelf niet van belang. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.2.    De stelling dat in het kader van de Flora- en Faunawet nog een onderzoek dient te worden gedaan, raakt niet de onderhavige procedure. Voorts geldt, zoals hiervoor onder 2.6.3 is overwogen, dat de effecten van de inrichting op een gebied dat ingevolge de Nbw 1998 wordt beschermd, aan de orde komen in het kader van de Nbw 1998. Er bestaat geen ruimte voor beoordeling van deze grond in het kader van het beroep tegen het thans bestreden besluit. Deze beroepsgrond faalt.

2.8.3.    Ter zitting heeft het college van gs onweersproken gesteld dat de ingevolge het bestemmingsplan "Looveer 1995" vereiste vrijstellingen voor de aanleg van een tweede loswal zijn verleend. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

Nieuw Nationaal Model

2.9.    [appellant sub 1] betoogt, kort weergegeven, dat het Nieuw Nationaal Model dat in het geuronderzoek van Peutz B.V. van 8 oktober 2009 en het aanvullende geuronderzoek van het bureau Milieumetingen van de provincie Gelderland van 3 november 2010 is gehanteerd, niet geschikt is voor het berekenen van geurhinder. Volgens [appellant sub 1] kan de geurhinder beter worden berekend met de methode van het RIVM, omdat daarbij rekening wordt gehouden met de piekconcentraties en stank wordt ervaren als herhaalde pieken, terwijl het Nieuw Nationaal Model slechts geschikt is voor het berekenen van uurgemiddelde concentraties.  

2.9.1.    [appellant sub 1] voert terecht aan dat in paragraaf 7.3.3 van het Nieuw Nationaal Model - zoals dat is vastgelegd in de door de Projectgroep Revisie Nationaal Model opgestelde "Rapportage over het onderzoek Revisie Nationaal Model en de besluitvorming daarover in de begeleidingscommissie" van maart 2002 - is vermeld dat het berekenen van geurhinder nog niet goed mogelijk is, omdat stank niet wordt ervaren als een uurgemiddelde belasting, maar als herhaalde kortdurende pieken, en in het Nieuw Nationaal Model de kleinste tijdstap één uur is. Deze vermelding strekt naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet zover dat het Nieuw Nationaal Model voor de beoordeling van geurhinder niet mag worden gehanteerd. Voorts ziet het door [appellant sub 1] genoemde model van het RIVM op het berekenen van geurhinder bij incidenten in de chemische industrie. Het deskundigenbericht vermeldt dat de methode van het RIVM geen aangewezen model is voor het bepalen van geurbelasting bij milieuvergunningen en dat het Nieuw Nationaal Model een goedgekeurde methode is. Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs de geuronderzoeken niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschrift 2.2.3

2.10.    [appellante sub 3] voert aan dat vergunningvoorschrift 2.2.3 niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Vergunningvoorschrift 2.2.3 bepaalt dat de opslag van teerhoudend freesasfalt en -asfaltpuin moet plaatsvinden op een vloeistofdichte vloer en dat de opslag overkapt dan wel afgedekt dient te zijn om inregenen te voorkomen. Volgens [appellante sub 3] volstaat een vloeistofdichte vloer. 

2.10.1.    Ter zitting heeft het college van gs erkend dat de verplichting om de opslag te overkappen dan wel af te dekken niet noodzakelijk is om de bodem in voldoende mate te beschermen. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover in vergunningvoorschrift 2.2.3 is voorgeschreven dat de opslag overkapt dan wel afgedekt dient te zijn om inregenen te voorkomen, in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

Vergunningvoorschrift 2.2.5

2.11.    [appellante sub 3] voert aan dat vergunningvoorschrift 2.2.5 niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Vergunningvoorschrift 2.2.5 bepaalt dat de opslag van papierresidu dient plaats te vinden in vloeistofdichte containers. Volgens [appellante sub 3] volstaat een vloeistofdichte vloer tussen keerwanden.

2.11.1.    Het college van gs stelt zich op het standpunt dat het vergunningvoorschrift overeenstemt met de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: de NRB), waarin zou zijn vermeld dat de opslag van stortgoed gedekt of overkapt moet zijn om uitloging ten gevolge van hemelwater te voorkomen.

2.11.2.    Het deskundigenbericht concludeert dat de opslag op een vloeistofdichte vloer op grond van de NRB volstaat. Het college van gs heeft niet aannemelijk gemaakt dat het desalniettemin is aangewezen om uit een oogpunt van de bescherming van het milieu voor te schrijven dat de oplag van papierresidu in vloeistofdichte containers plaatsvindt. Het bestreden besluit is, voor zover het vergunningvoorschrift 2.2.5 betreft, in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Vergunningvoorschrift 2.4.1

2.12.    [appellante sub 3] B.V. voert aan dat vergunningvoorschrift 2.4.1, voor zover daarin is bepaald dat de opslag van AVI-slakken in containers moet plaatsvinden, niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Volgens haar volstaat een opslag van AVI-slakken op een vloeistofdichte vloer tussen keerwanden. Voorts voert zij aan dat vergunningvoorschrift 2.4.1 een verschrijving bevat ten aanzien van de maximale opslag van puin en asfalt.

2.12.1.     Het college van gs heeft ter bescherming van de bodem, en om hinder van stofemissie te voorkomen, voorgeschreven dat de AVI-slakken in containers worden opgeslagen. Ter zitting heeft het college van gs naar voren gebracht dat dit ook op grond van een eerder verleende vergunning al gold.

2.12.2.    Het deskundigenbericht concludeert dat voor de opslag van AVI-slakken op grond van de NRB een vloeistofdichte vloer volstaat. Ter zitting heeft [appellante sub 3] voorts gesteld dat voor hinder van stofemissie niet behoeft te worden gevreesd, omdat de AVI-slakken tussen vier meter hoge keerwanden worden opgeslagen. Gelet hierop en gezien de voornoemde conclusie van het deskundigenbericht, heeft het college van gs niet aannemelijk gemaakt dat het uit een oogpunt van de bescherming van het milieu nodig is voor te schrijven dat de oplag van AVI-slakken in containers plaatsvindt. De stelling van het college van gs dat op grond van een eerder verleende vergunning de opslag van AVI-slakken anders dan in containers ook niet was toegestaan, is daartoe onvoldoende. Het bestreden besluit is, voor zover in vergunningvoorschrift 2.4.1 is bepaald dat de opslag van AVI-slakken in containers dient plaats te vinden, in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

2.12.3.    Het college van gs erkent dat de in vergunningvoorschrift 2.4.1 voorgeschreven maximale opslag van 100.00 ton voor betonpuin VBI, overig betonpuin, gemengd puin, niet teerhoudend asfalt, en teerhoudend asfalt,  een verschrijving is. Bedoeld is om een maximale opslag van 100.000 ton te vergunnen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

Vergunningvoorschrift 7.1.2

2.13.    Het college van b&w kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 7.1.2. Vergunningvoorschrift 7.1.2, voor zover hier van belang, bepaalt dat direct na het in gebruik nemen van de was- en classificeerinstallatie, maar in ieder geval binnen 12 maanden na het van kracht worden van de vergunning, door middel van een akoestisch onderzoek aan het college van gs moet worden aangetoond dat aan de geluidvoorschriften wordt voldaan. Het college van b&w voert aan dat de in vergunningvoorschrift 7.1.2 voorgeschreven termijn niet garandeert dat een representatief beeld van de geluidbelasting van de inrichting wordt verkregen.

2.13.1.    Het college van gs erkent dat indien de was- en classificeerinstallatie na 12 maanden na het van kracht worden van de vergunning in gebruik wordt genomen, ten aanzien daarvan alsnog akoestisch verificatieonderzoek moet plaatsvinden. Het college van gs erkent  dat vergunningvoorschrift 7.1.2 daarmee ten onrechte geen rekening houdt. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover het vergunningvoorschrift 7.1.2 betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. De beroepsgrond slaagt.

Vergunningvoorschrift 7.3.1

2.14.    [appellante sub 3] voert aan dat vergunningvoorschrift 7.3.1,onderdeel c, niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu. Vergunningvoorschrift 7.3.1, onderdeel c, voor zover hier van belang en kort weergegeven, bepaalt dat ten aanzien van het voorkomen van geluidhinder op eigen vrachtwagens en shovels het achteruitrijdsysteem moet worden vervangen door "krakers". [appellante sub 3] voert voorts aan dat dit vergunningvoorschrift niet gelijk is aan het door het college van gs opgelegde vergunningvoorschrift voor een naastgelegen inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van afval en bouwstoffen. Tevens voert zij aan dat krakers vanuit het oogpunt van veiligheid niet zijn toegestaan op grond van de Arbowetgeving.

2.14.1.    Het deskundigenbericht stelt dat krakers signalen in een breder geluidspectrum afgeven die minder hinderlijk en tevens beter lokaliseerbaar zijn dan conventionele piepsignalen. [appellante sub 3] heeft dit niet weersproken. In de reactie op het deskundigenbericht heeft het college van gs voorts onweersproken naar voren gebracht dat de toepassing van krakers een gangbare techniek is die veelvuldig wordt gehanteerd, en dat [appellante sub 3] reeds een terreinshovel heeft die met krakers is uitgerust. Nu [appellante sub 3] voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat de toepassing van krakers vanuit het oogpunt van de Arbowetgeving niet mogelijk is, faalt haar betoog dat de door haar bestreden verplichting in redelijkheid niet ter bescherming van het milieu kon worden opgelegd.

    Nu uit het deskundigenbericht blijkt dat voor de door [appellante sub 3] genoemde naastgelegen inrichting ook de toepassing van krakers voor eigen voertuigen is voorgeschreven, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs heeft gehandeld in strijd met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschrift 8.1.1

2.15.    [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met vergunningvoorschrift 8.1.1. Vergunningvoorschrift 8.1.1 bepaalt dat de opslag van huishoudelijk restafval en restafval van bedrijven binnen 24 uur na inname van de afvalstroom dient te zijn afgevoerd. [appellante sub 3] voert aan dat dit vergunningvoorschrift niet uitvoerbaar is, omdat het ten onrechte geen uitzondering maakt voor zon- en feestdagen. Voorts voert zij aan dat voor de hierboven genoemde naastgelegen inrichting een termijn van zes weken voor de afvoer van restafval is voorgeschreven. Ook dit voorschrift is daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus [appellante sub 3].

2.15.1.    Het college van gs erkent dat het afvoeren van restafval binnen 24 uur na inname niet mogelijk is op zon- en feestdagen. Gelet hierop is het  bestreden besluit, voor zover in vergunningvoorschrift 8.1.1 geen uitzondering is gemaakt voor zon- en feestdagen, in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Haar stelling dat aan de naastgelegen inrichting een termijn van zes weken voor het afvoeren is gesteld, heeft [appellante sub 3] niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt.

Vergunningvoorschrift 9.2.5

2.16.    [appellante sub 3] voert aan dat vergunningvoorschrift 9.2.5 onredelijk is. Vergunningvoorschrift 9.2.5, voor zover hier van belang, bepaalt dat de (afval)stoffen die boven de keerwanden uitkomen te allen tijden vochtig dienen te zijn dan wel afgedekt dienen te worden. Zij voert aan dat als de (afval)stoffen worden afgedekt, hiermee niet kan worden gewerkt. Ook is een dergelijke verplichting voor de eerder genoemde naastgelegen inrichting niet voorgeschreven, aldus [appellante sub 3].

2.16.1.    Anders dan [appellante sub 3] veronderstelt, bevat vergunningvoorschrift 9.2.5 de keuzemogelijkheid om (afval)stoffen die boven de keerwand uitkomen af te dekken, dan wel vochtig te houden. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat voor de door [appellante sub 3] genoemde naastgelegen inrichting een verplichting met een vergelijkbare strekking is voorgeschreven. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gs heeft gehandeld in strijd met het beginsel dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. De beroepsgrond faalt.

Bestuurlijke lus

2.17.    Het bestreden besluit is, voor zover het de (onderdelen van de) vergunningvoorschriften 1.4.1, 2.2.3, 2.2.5, 2.4.1, 7.1.2 en 8.1.1 betreft, in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid dan wel in strijd met artikel 3:46 van de Awb ontoereikend gemotiveerd.

    De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college van gs op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te wijzigen dan wel in plaats daarvan een nieuw besluit te nemen teneinde de in rechtsoverwegingen 2.6.4, 2.10.1, 2.11.2,  2.12.2, 2.12.3, 2.13.1 en 2.15.1 omschreven gebreken te herstellen.

    Indien een wijzigingsbesluit of een nieuw besluit wordt genomen, behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld.

2.18.    In de einduitspraak wordt tevens beslist over de proceskosten en de vergoeding van de betaalde griffierechten.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op om binnen vier weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 2.17:

1. de gebreken in de vergunningvoorschriften 1.4.1, 2.2.3, 2.2.5, 2.4.1, 7.1.2 en 8.1.1, behorende bij het bestreden besluit van 22 november 2010, kenmerk 2008-010846/MPM15528, te herstellen door dat besluit te wijzigen dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Het wijzigingsbesluit of het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld;

2. de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Aal

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

584.