Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201108031/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de achterpui en het plaatsen van een balkon aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108031/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2011 in zaak nr. 10/658 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente IJsselmonde.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2008 heeft het dagelijks bestuur aan [belanghebbende] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de achterpui en het plaatsen van een balkon aan de achterzijde van de woning op het perceel [locatie] te Rotterdam.

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het dagelijks bestuur, opnieuw beslissend op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 januari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2012, waar [appellante], bijgestaan door drs. A.L. de Jong, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. Karreman, werkzaam bij de deelgemeente, zijn verschenen.

Voorts verscheen daar namens [belanghebbende] mr. M.E. Jendsen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in de plaatsing van een balkon, ook aangeduid als terras, tegen de achtergevel van de woning van [belanghebbende]. De vloer van het balkon bevindt zich op het niveau van de beganegrondvloer van de voorzijde van de woning. De zijkant van het balkon loopt over een lengte van 4 m langs de grens tussen het perceel van [belanghebbende] en dat van [appellante]. Deze zijkant wordt volgens het bouwplan voorzien van een 1,80 m hoge schutting.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hordijkerbuurt" (hierna: het bestemmingsplan). Om realisering niettemin mogelijk te maken heeft het dagelijks bestuur daarvan krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 12 januari 2010 niet in stand mocht laten, nu het dagelijks bestuur niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen ten behoeve van het bouwplan. Daartoe voert zij onder overlegging van foto's aan dat de realisering van het bouwplan negatieve gevolgen heeft voor haar uitzicht. Dit aspect is door het dagelijks bestuur onvoldoende onderzocht en derhalve onvoldoende bij de belangenafweging betrokken, aldus [appellante].

2.3.1. De beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO behoort tot de bevoegdheden van het dagelijks bestuur, waarbij het dagelijks bestuur beleidsvrijheid heeft en de rechter zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat weliswaar is gebleken dat realisering van het bouwplan leidt tot enige beperking van het uitzicht, maar dat deze niet dusdanig is dat het dagelijks bestuur op grond daarvan niet in redelijkheid tot het verlenen van de vrijstelling heeft kunnen overgaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 februari 2010 in zaak nr. 200904043/1), geen blijvend recht op uitzicht bestaat. Uit het besluit van 12 januari 2010, in samenhang bezien met de door het dagelijks bestuur nader gegeven toelichting in zijn verweerschrift in beroep, volgt dat het dagelijks bestuur de belangen van [appellante] voldoende bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Gelet op de van de bouwaanvraag deeluitmakende bouwtekeningen en de in bezwaar door [appellante] overgelegde foto's, beschikte het dagelijks bestuur daarbij over voldoende informatie om de belangen van [appellante] vast te stellen. Dat het college bij deze belangenafweging heeft betrokken dat de zijkant van het balkon met een hoogte van circa 2 m zal worden afgeschut en vervolgens, conform de bouwtekening, een schutting van 1,80 m heeft vergund, is niet innerlijk tegenstrijdig. Dit kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de belangenafweging onjuist is.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

17-713.