Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201107942/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Maastricht als praktijk, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107942/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Maastricht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 juni 2011 in zaak nr. 10/274 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Maastricht als praktijk, afgewezen.

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2012, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. A.A. Alciyan, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts verschenen daar [belanghebbende a], in persoon en bijgestaan door mr. B. de Jong en [belanghebbende b], in persoon en bijgestaan door mr. R. Bormans.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het in mei 1995 van kracht geworden bestemmingsplan "Maastricht-West / Maastricht-West, herziening 1995" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften mag, indien ten tijde van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in afwijking van het plan, dat gebruik worden voortgezet.

Ingevolge het tweede lid zijn wijzigingen van het met het plan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken toegestaan, indien door die wijziging van het gebruik de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

2.2. Het gebruik van het pand op het perceel als praktijk voor fysiotherapie en logopedie is in strijd met de bestemming "Woondoeleinden".

2.3. Bij brief van 18 april 1975 heeft het college de [toenmalige bewoner] van het pand op het perceel, op zijn verzoek toestemming verleend om het pand aan zijn bestemming als woonruimte te onttrekken ten behoeve van het in gebruik nemen als praktijkruimte voor fysiotechniek, heilgymnastiek en massage, onder de voorwaarde dat die toestemming alleen geldt voor aanvrager en deze derhalve zonder de goedkeuring van het college niet op of aan derden kan worden overgedragen.

Sinds juni 1985 is [belanghebbende b] als logopediste werkzaam in het pand. In maart 2002 heeft [toenmalige bewoner] de praktijk overgedragen aan [belanghebbende a]. Het college heeft geen toestemming verleend om de bij brief van 18 april 1975 aan [toenmalige bewoner] verleende toestemming aan [belanghebbende a] over te dragen.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college bevoegd was om tegen het met de bestemming strijdige gebruik van het pand door [belanghebbende a] en [belanghebbende b] handhavend op te treden. Hiertoe voert hij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2004 in zaak nr. 200305883/1 aan, dat het gebruik van het pand als praktijk niet wordt beschermd door het overgangsrecht. Subsidiair stelt [appellant] dat het overgangsrecht buiten toepassing had moeten worden gelaten, nu daarin geen uitzonderingclausule is opgenomen en het overgangsrechtelijk beschermen van voorheen strijdig gebruik in strijd is met artikel 3.2.2, vierde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Het oordeel van de rechtbank strookt evenmin met de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004 in zaak nr. 200306936/1, aldus [appellant].

2.4.1. Gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften mag gebruik in afwijking van het bestemmingsplan dat bestond op de peildatum worden voortgezet, zonder beperking van dat recht tot bepaalde personen.

2.4.2. In de genoemde uitspraak van 27 oktober 2004 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat de daar aan de orde zijnde persoonsgebonden gedoogbeschikking, waarin ondubbelzinnig besloten ligt dat het gebruik in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan en dat het college zich bij dat gebruik niet zonder meer wenst neer te leggen, eraan in de weg staat dat het gebruik door een ander dan de adressant van de gedoogbeschikking wordt beschermd door het overgangsrecht.

2.4.3. Het college heeft naar aanleiding van een daartoe door [toenmalige bewoner] gedaan verzoek aan hem toestemming verleend om het pand aan zijn bestemming ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan als woonruimte te onttrekken ten behoeve van het in gebruik nemen daarvan als praktijkruimte. Anders dan [appellant] betoogt, betreft deze toestemming geen gedoogbeschikking in evenbedoelde zin. Zo de toestemming al is gegeven in het kader van het gevoerde ruimtelijk beleid, is daarin niet aangegeven dat het college niet berust in het strijdige gebruik en is deze derhalve niet ondubbelzinnig gericht op uiteindelijke beëindiging daarvan. In de brief van 18 april 1975 is opgenomen dat deze toestemming zonder goedkeuring van het college niet aan derden kan worden overgedragen. Deze voorwaarde sluit de mogelijkheid in dat derden het gebruik waarvoor de toestemming is gegeven kunnen voortzetten.

De stelling van [appellant] dat de overgangsbepaling van het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.2.2, vierde lid, van het Bro treft geen doel, reeds omdat deze bepaling in dit geval niet van toepassing is, nu het bestemmingsplan tot stand is gekomen onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voorts kan aan de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004, niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan gehecht wil zien, reeds omdat deze uitspraak niet ziet op een geschil van vergelijkbare aard maar op de goedkeuring van een bestemmingsplan. De mogelijkheid om in deze procedure de gelding van de toepasselijke bestemmingsregeling aan de orde te stellen, strekt niet zover dat het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan aldus opnieuw kan worden onderworpen aan de bij de goedkeuring van dat plan te hanteren toetsingsmaatstaf, waartegen een procedure bij de Afdeling mogelijk is geweest. Niet valt in te zien dat het planvoorschrift evident in strijd is met enige wettelijke bepaling die ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan van toepassing was.

Gelet op het voorgaande is de toepassing van het overgangsrecht niet beperkt. Het gebruik van het pand zoals dat plaatsvond voor de peildatum mag ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften, worden voortgezet, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

17-713.