Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8052

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201101215/1/T1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201101215/1/T1/R2.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Arnhem,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Arnhem,

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], beiden wonend te Arnhem (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

4. de vereniging Buurtvereniging Hoogstede-Klingelbeek (hierna: de Buurtvereniging), gevestigd te Arnhem,

en

de raad van de gemeente Arnhem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoogstede-Klingelbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2011, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2011, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 februari 2011, en de Buurtvereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2011, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.M. de Wit en M.O. Meij, de Buurtvereniging, vertegenwoordigd door R. ten Hoedt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. G. Paling, mr. J.W. van der Bij, Th.P. Kalsbeek en U. Buitenhuis, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. V.A. Textor, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Bestuurlijke lus

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het gebied Hoogstede-Klingelbeek te Arnhem en maakt de bouw van 120 woningen mogelijk.

Procedurele bezwaren

2.3. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte de indruk wekt dat de resultaten van het participatieproces door de hele buurt worden gedragen.

2.3.1. De Afdeling overweegt dat dit aspect niet stoelt op een dragende overweging van de raad, maar het veeleer een argument betreft ter ondersteuning van de in het plan verwerkte keuzes. Dit betoog faalt.

2.4. [appellant sub 3] betoogt verder dat met het vastgestelde plan ten onrechte niet het definitieve geluidrapport en de Regionale Verkeers- en Milieukaart ter inzage zijn gelegd.

2.4.1. Deze beroepsgrond heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Inhoudelijke bezwaren

Totaalvisie

2.5. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de raad ten onrechte geen totaalvisie voor de Hoogstedelaan en Arnhem Buiten heeft opgesteld. Zij stellen dat dit des te meer klemt nu door de ontwikkelingen in Arnhem Buiten een te grote druk op de hoofdwegen in het plangebied zal ontstaan.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, anders dan [appellant sub 2] en anderen stellen, wel degelijk sprake is van een totaalvisie voor de gebieden Hoogstede-Klingelbeek en Arnhem Buiten. De samenhang tussen de verschillende deelgebieden is opgenomen in de Structuurvisie Arnhem Buiten en in het Stedenbouwkundig plan Hoogstede, aldus de raad.

2.5.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de samenhang tussen het plangebied en het gebied Arnhem Buiten is opgenomen in de Structuurvisie Arnhem Buiten en het Stedenbouwkundigplan Hoogstede. De Afdeling ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen afzien van opname van het gebied Arnhem Buiten in het plan nu door de raad onweersproken is gesteld dat de plannen voor dit gebied nog onvoldoende concreet zijn.

Flora en Fauna

2.6. [appellant sub 3] betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het plan geen negatieve gevolgen zal hebben voor beschermde diersoorten en habitats en dat daartoe geen concreet onderzoek is uitgevoerd. Subsidiair voert [appellant sub 3] aan dat in het plan geen inzicht is verschaft in de wijze waarop onderzoek is verricht en dat de gevolgen vanwege het plan voor het plangebied en de omgeving daarmee onvoldoende in beeld zijn gebracht.

2.6.1. De raad stelt dat onderzoek is verricht naar het leefgebied van de rugstreeppad en dat een nieuwe paddenpoel is aangelegd in het zuidwesten van het plangebied. Voorts wijst de raad erop dat in het kader van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister) een ontheffing ten behoeve van de rugstreeppad is verkregen.

2.6.2. In de plantoelichting wordt verwezen naar een aantal onderzoeken inzake de flora en fauna. De resultaten daarvan zijn onder andere neergelegd in het rapport 'Natuurtoets van Hoogstede te Arnhem', van oktober 2005, dat in opdracht van de raad door Adviesbureau Mertens is opgesteld. Blijkens het rapport is onderzoek verricht naar de in het gebied aanwezige beschermde planten, vleermuizen, broedvogels en amfibieën. Uit het rapport blijkt voorts dat vier bezoeken zijn gebracht aan het gebied Hoogstede en is vermeld op welke wijze onderzoek is verricht. Verder is in augustus 2007 door RAVON in opdracht van de raad het onderzoek "Advies leefgebied rugstreeppad in inbreidingslocatie Hoogstede te Arnhem" uitgevoerd. Hieruit volgt dat het betoog van [appellant sub 3] dat geen concreet onderzoek is uitgevoerd naar de eventueel nadelige effecten, feitelijke grondslag mist. Voorts bestaat, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat geen inzicht is verschaft in de wijze waarop onderzoek is verricht en waar het onderzoek zich precies op heeft gericht.

Verder heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de onderzoeken en gegevens zodanige gebreken vertonen dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren.

Voorts is op 16 september 2008 een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) voor de rugstreeppad. Niet gebleken is dat deze ontheffing ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet onherroepelijk was. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw wat betreft de rugstreeppad niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Verder heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat naast deze ontheffing nog andere ontheffingen op grond van deze wet nodig waren, noch dat de Ffw anderszins aan het plan in de weg staat.

Woonzorgcomplex

2.7. Voorts hebben [appellant sub 3] en de Buurtvereniging bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Gemengd" ten zuiden van de Hoogstedelaan.

Zij hebben daartoe aangevoerd dat vanwege de bouwhoogte van de aldaar voorziene woonzorgcomplexen de zichtlijnen vanaf de Hoogstedelaan richting de Rijn zeer ingrijpend kunnen worden beïnvloed. Verder stelt de Buurtvereniging dat op de verbeelding ten onrechte geen hoogtelijnen zijn aangegeven en dat de gemaakte afspraken over de uiteindelijke carrévorm niet zijn opgenomen in het plan.

Voorts achten [appellant sub 3] en de Buurtvereniging onvoldoende gemotiveerd waarom de bestemming van het woonzorgcomplex is gewijzigd van "Maatschappelijk" in "Gemengd".

2.7.1. De raad stelt dat aan de gronden waarop de woonzorgcomplexen zijn voorzien de bestemming "Gemengd" is toegekend, om zo een uitwisseling mogelijk te maken tussen de bestemming "Maatschappelijk" en "Wonen" en het plan derhalve levensloopbestendige woningbouw mogelijk maakt.

2.7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder c, van de planregels, moet, ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding-2, de maximumbouwhoogte en maximumgoothoogte geïnterpreteerd worden ten opzichte van N.A.P. en moeten de gebouwen in carrévorm worden uitgevoerd.

2.7.3. Blijkens de verbeelding bedraagt de maximale bouwhoogte van de woonzorgcomplexen 36,5 en 34 meter en bevinden deze zich op respectievelijk 60 en 120 meter van de woning van de woning van [appellant sub 3]. Gelet op deze afstanden, zijn de hoogtes voor appellanten niet onoverkomelijk bezwarend te achten. Hierbij is verder van belang dat over het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat de woning van [appellant sub 3] aanmerkelijk hoger is gelegen dan de voorziene woonzorgcomplexen. Voorts heeft de Buurtvereniging niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene maximale hoogte voor andere bewoners in de wijk tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal zorgen. Verder zijn de hoogtes van het terrein ter plaatse, anders dan de Buurtvereniging lijkt te veronderstellen wel degelijk op de verbeelding aangebracht.

Met betrekking tot de carrévorm, overweegt de Afdeling dat blijkens het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder c, van de planregels de woonzorgcomplexen in carrévorm moeten worden uitgevoerd. Daarmee heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat de afspraken voldoende in het plan zijn verdisconteerd. Voor zover de Buurtvereniging verder betoogt dat de precieze carrévorm van de woonzorgcomplexen ten onrechte niet in het plan is opgenomen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verdere detaillering van de carrévorm niet in het plan behoeft te worden opgenomen.

2.7.4. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor Gemengd aangewezen gronden bestemd voor:

a. het wonen, zoals bedoel in artikel 12;

b. maatschappelijk, zoals bedoeld in artikel 7.;

[…].

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels, zijn de voor de voor Maatschappelijk aangewezen gronden bestemd voor:

a. onderwijs, kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang;

b. welzijn;

c. religie;

d. openbare dienstverlening;

e. zorginstellingen;

f. therapeutische functies;

[…]

i. ondergeschikte horeca, uitsluitend ten dienste van bovengenoemde bestemmingsomschrijvingen.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, zijn de voor Wonen aangewezen gronden bestemd voor:

a. het wonen, hieronder niet begrepen bewoning van woonwagens of woonschepen;

en daaraan ondergeschikt voor:

1. groen- en speelvoorzieningen;

2. buurtwegen, woonstraten en andere voorzieningen ten behoeve van het verkeer;

3. verblijfsgebieden.

2.7.5. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de bestemming "Gemengd" aan de desbetreffende gronden kunnen toekennen. [appellant sub 3] en de Buurtvereniging hebben er terecht op gewezen dat het plan ter plaatse ook reguliere bewoning mogelijk maakt. Zij hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke vorm van gebruik ter plaatse niet passend is. Daarbij betrekt de Afdeling dat de omgeving van de woonzorgcomplexen al grotendeels uit reguliere woningbouw bestaat.

2.7.6. In hetgeen [appellant sub 3] en de Buurtvereniging in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plandeel met de bestemming "Wonen"

2.8. [appellant sub 2] en anderen en de Buurtvereniging hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ten zuiden van de woningen aan de Hoogstedelaan. Zij voeren daartoe aan dat de nieuwe woningen op zodanig korte afstand van hun woningen zullen worden gebouwd dat dit ten koste gaat van hun woon- en leefklimaat en privacy. Ook maakt het plan te hoge bebouwing mogelijk waardoor de nieuwe woningen zullen leiden tot schaduwhinder en zichtlijnbeperking. Bovendien heeft de raad ten onrechte hun verzoek om de woningen verder naar het zuiden te schuiven, afgewezen. [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat anders dan de raad heeft toegezegd de gronden niet zullen worden afgegraven. In dat verband verwijzen zij naar de in de gebiedsvisie opgenomen visualisatie van het plangebied. Bij afgraving zal, zo stellen [appellant sub 2] en anderen, bebouwing minder hoog worden en schaduwhinder op die manier beperkt kunnen worden.

2.8.1. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de afstand tussen de nieuwe en bestaande woningen van minimaal 25 meter passend is in de omgeving aangezien blijkens de verbeelding deze afstand niet afwijkt van de in de buurt gangbare afstand. Daarbij wordt niet aannemelijk geacht dat de bebouwing op deze afstand de privacy van [appellant sub 2] en anderen onevenredig zal aantasten. Ook ten aanzien van de nokhoogte van twaalf meter heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling, blijkens de verbeelding, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze aansluit bij de hoogte van de omliggende woningen. Verder betrekt de Afdeling daarbij dat door de raad ter zitting is gesteld dat hij heeft willen voorzien in smallere woningen, om tegemoet te komen aan de wens van de omwonenden om de doorzichten vanaf de Hoogstedelaan te behouden.

Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met het vertrouwensbegsinel heeft vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens de raad de verwachting is gewekt dat een deel van de gronden zal worden afgegraven ten behoeve van de vermindering van schaduwwerking. Voor zover [appellant sub 2] en anderen daarbij hebben gewezen op het gestelde in de gebiedsvisie, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de daarin opgenomen grafische weergaven zien op de inrichting van de weg en niet op de hoogte van de woningen of diepte van de afgravingen.

Verder is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de ter plaatse toegestane nokhoogte zal leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder. Dit blijkt uit de door Dienst Stadsontwikkeling Arnhem in opdracht van de raad uitgevoerde bezonningsstudie 'Bezonning Hoogstedelaan'. Daarbij is voorts van belang dat [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat voornoemde studie onvolledig is of gebreken bevat, nu de door hen overgelegde studie dezelfde resultaten genereert. Verder is ook ten aanzien van de doorzichten niet gebleken dat deze op onaanvaardbare wijze zullen worden aangetast. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij afweging van de bij het plan betrokken belangen de nieuwe woningen niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en anderen zullen leiden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad derhalve in redelijkheid kunnen afzien van het door [appellant sub 2] en anderen aangedragen alternatief om de woningen in zuidelijke richting op te schuiven.

2.8.2. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen en de Buurtvereniging in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Parkeren en behoud beeldbepalend groen

2.9. Verder voeren [appellant sub 2] en anderen ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" aan de Hoogstedelaan aan dat het plan onvoldoende zekerheid biedt ten aanzien van de realisering van voldoende parkeerplaatsen en het behoud van het beeldbepalend groen aan de Hoogstedelaan, aangezien de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" beide doeleinden mogelijk maakt en parkeren en groen derhalve onderling uitwisselbaar zijn.

2.9.1. Wat betreft deze beroepsgronden stelt de Afdeling in de eerste plaats vast dat de gronden met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" onder andere zijn bestemd voor groen en parkeervoorzieningen. Voorts is door de raad evenwel onweersproken is gesteld dat slechts snippergroen onder deze bestemming is gebracht en niet het beeldbepalend groen. De Afdeling ziet ook verder geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet zal voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Hiertoe is van belang dat binnen de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Voorts dienen ingevolge artikel 7.2, onder a, en artikel 12.2, onder a, van de planregels, bij de bouw van gebouwen parkeerplaatsen conform de parkeernorm als opgenomen in de bijlage bij de planregels te worden gerealiseerd.

2.10. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Plandeel met de bestemming "Groen"

2.11. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Groen" op het perceel achter hun woning aan de [locatie]. Zij betogen dat het toekennen van deze bestemming aan een deel van hun tuin niet passend is, nu op deze manier hun kas en kippenren niet als zodanig zijn bestemd. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren aan dat een woonbestemming op dit deel van hun perceel meer passend zou zijn en stellen dat de bebouwingslijn moet worden opgeschoven. Voorts betogen zij dat aan het perceel Hoogstedelaan 73 wel de bestemming "Wonen" is toegekend, en dat dit een gelijke situatie betreft.

2.11.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor Groen aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;

c. fiets- en wandelpaden, straatmeubilair en speelvoorzieningen;

d. wegen ten behoeve van bestemmingsverkeer;

e. en tevens voor een kazamat (lees: kazemat), ter plaatse van de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden'.

2.11.2. Voor zover [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben betoogd dat de bebouwingsgrens dient te worden opgeschoven, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van de noodzaak hiertoe niet is gebleken. Daarbij heeft hij van belang mogen achten dat voor de bouw van de kas en kippenren die zich thans op het perceel bevinden geen omgevingsvergunning is afgegeven.

Ten aanzien van de bestemming "Groen" is door de raad erkend dat deze bestemming op het perceel van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet passend is, nu de bestemming "Groen" voorziet in openbare groenvoorzieningen. Zo heeft de raad bij brief van 16 februari 2011 de Afdeling te kennen gegeven de wens van appellant om de bestemming te wijzigen van "Groen" naar "Wonen" te onderschrijven.

In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Groen", voor het perceel [locatie], is vastgesteld met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Verbindingsweg en geluid

2.12. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de verbindingsweg. Hij betoogt dat aan deze weg, gelet op de te verwachten verkeerstoename, de verkeerde bestemming dan wel kwalificatie is toegekend nu er sprake is van een doorgaande weg. Hij voert daartoe aan dat hij vreest voor een overbelaste situatie en dat de keuze voor een 30 km/uur-regime is gemaakt omdat dit tot gevolg heeft dat een aantal beperkingen uit de Wet geluidhinder niet van toepassing zijn. Ook betoogt hij dat het aantal woningen niet representatief is voor het aantal verkeersbewegingen op de verbindingsweg en dat onduidelijk is waar de raad de aangeleverde verkeersintensiteiten ten aanzien van zowel de verbindingsweg als de te verwachten luchtverontreinigingconcentraties op heeft gebaseerd.

Met betrekking tot het geluidrapport betoogt [appellant sub 3] dat dit onvoldoende is gemotiveerd, nu uitsluitend rekenpunten zijn opgenomen bij nieuw te bouwen woningen en geen rekening is gehouden met het hoogteverschil in de weg. Verder betoogt hij dat door de raad ten onrechte een aftrek van 5 dB is toegepast en dat niet kenbaar is op welke gronden van een hogere grenswaarde is uitgegaan. Ook betoogt hij dat het geluidrapport innerlijk tegenstrijdig is en stelt hij dat hij naast geluidoverlast ook hinder zal ondervinden vanwege de grondtrillingen die het tegen de stuwwal opkomend verkeer zal produceren.

Verder betoogt [appellant sub 3] dat het opnemen van de 'knip' tussen de verbindingsweg en de Klingelbeekseweg, gezien de geschiedenis van overleg daarover, onvoldoende is gemotiveerd. Hij voert aan dat sprake is van schending van de formele zorgvuldigheid, schending van het verbod van vooringenomenheid, schending van de motiveringsplicht en schending van het beginsel van "egalité devant les charges publiques".

2.12.1. Met betrekking tot de verbindingsweg stelt de raad dat deze is bedoeld als ontsluitingsweg van het plangebied. Het verkeer betreft volgens de raad vooral herkomst- en bestemmingsverkeer dat via de nieuwe verbindingsweg van en naar de hoofdweg, de Utrechtseweg, rijdt.

Ten aanzien van het geluidrapport stelt de raad zich op het standpunt dat uit de aan beide voornoemde geluidrapporten ten grondslag liggende berekeningen blijkt dat de maximale geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe verbindingsweg op de woning van [appellant sub 3] na realisering van het plan de 52 dB niet overschrijdt. Daarmee is volgens de raad sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De raad stelt zich op het standpunt dat de 'knip' zowel het algemene belang als het belang van de omwonenden dient, nu het voorkomt dat automobilisten van en naar Arnhems Buiten woonstraten in de omgeving gebruiken.

2.12.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat het aantal woningen niet representatief is voor het aantal verkeersbewegingen op de verbindingsweg en dat onduidelijk is waar de verkeersgegevens vandaan komen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft voor de verkeersgegevens gebruik gemaakt van het Regionaal VerkeersMilieuKaarten-model (hierna: RVMK-model). Dit betreft een database waarin verkeersgegevens zijn opgenomen en waarbij rekening is gehouden met de relevante ontwikkelingen. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich bij de beoordeling van de verkeersgegevens niet op dit model heeft kunnen baseren. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat de verkeersintensiteiten niet adequaat zijn onderzocht en dat daarmee geen goede inschatting van de verkeersgegevens kon worden gemaakt. Nu de raad zich blijkens het gestelde ter zitting ook bij het berekenen van de luchtverontreinigingsconcentraties heeft gebaseerd op het RVMK-model, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat niet duidelijk is van welke verkeersintensiteit is uitgegaan bij het vaststellen van luchtverontreinigingconcentraties.

Ten aanzien van de categorisering van de verbindingsweg heeft de raad zich gebaseerd op het Categoriseringsplan Arnhem 2000 (hierna: Categoriseringsplan). Door de raad is onweersproken gesteld dat de verbindingsweg in het Categoriseringsplan is aangemerkt als verblijfsgebied. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich bij het categoriseren van de verbindingsweg niet op dit Categoriseringsplan heeft kunnen baseren, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat de verbindingsweg een doorgaande weg betreft. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse passend is.

Voorts blijkt uit het RVMK-model dat de verkeersintensiteit op de nieuwe verbindingsweg 2348 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke etmaalintensiteit voor de verbindingsweg niet passend is, zodat geen aanleiding bestaat voor de vrees dat een overbelaste situatie op de verbindingsweg zal ontstaan.

2.12.3. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh, voor zover van belang, heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de in dat artikellid genoemde breedte aan weerszijden van de weg.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het eerste lid niet met betrekking tot wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt.

Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Wgh wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 vanwege het college van burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld.

2.12.4. Op basis van artikel 77 in samenhang bezien met artikel 74, tweede lid, van de Wgh behoeft voor wegen waar een maximale snelheid geldt van 30 km/uur bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan geen onderzoek te worden ingesteld naar de geluidbelasting. Voor de onderhavige verbindingsweg geldt een maximale snelheid van 30 km/uur.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ten behoeve van het plan echter akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van de wegen in de omgeving van het plangebied op de gevel van de in het plan voorziene woningen. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het onderzoek "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (hierna: het geluidrapport), van DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., van 15 januari 2009.

In het geluidrapport is de geluidbelasting vanwege de Utrechtseweg op de in het plan voorziene woningen onderzocht. Tevens is de cumulatie van de wegen Klingelbeekseweg, Utrechtseweg, Hoogstedelaan, de nieuwe verbindingsweg en de twee nieuwe woonstraten onderzocht. Uit het geluidrapport blijkt dat ook de bestaande woningen in het onderzoek zijn betrokken. Zo zijn in het onderzoek ook de resultaten van de metingen aan de Klingelbeekseweg 176A, Hoogstedelaan 83 en Utrechtseweg 265 opgenomen. Het betoog van [appellant sub 3] dat de bestaande woningen niet in het onderzoek zijn betrokken, mist dan ook feitelijke grondslag. Voor zover [appellant sub 3] heeft betoogd dat het geluidrapport innerlijk tegenstrijdig is, heeft de raad terecht gesteld dat dit betoog betrekking heeft op het conceptrapport van 28 november 2008, en niet op het rapport van 15 januari 2009 dat aan het plan ten grondslag is gelegd. Verder vermeldt het rapport, met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat het hoogteverschil niet in het onderzoek is betrokken, dat rekening is gehouden met hellingcorrecties. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Voorts is door [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de trilling vanwege het opkomend verkeer zal leiden tot een hogere geluidbelasting, zodat dit ook niet in het onderzoek behoefde te worden betrokken.

Volgens het rapport zal ter plaatse van Hoogstedelaan 83 de geluidbelasting inclusief een aftrek van 5 dB, 52 dB bedragen. Zonder aftrek bedraagt deze geluidbelasting 57 dB. Daargelaten of een aftrek onder deze omstandigheden toepasbaar is, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke geluidbelasting in beginsel niet onaanvaardbaar behoeft te worden geacht. Daarbij moet de raad er in het besluit echter wel blijk van geven dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 3], en dat onder omstandigheden het treffen van maatregelen in de rede kan liggen. Dat hiervan niet is gebleken klemt temeer omdat de verbindingsweg op 12 meter afstand van de woning van [appellant sub 3] is gelegen en de tuin van zijn woning direct grenst aan de verbindingsweg. Verder had het, juist vanwege de eventuele realisatie van de knip, op de weg van de raad gelegen te onderzoeken in hoeverre geluidwerende maatregelen ten behoeve van de woning van [appellant sub 3] voor rekening van de gemeente dienen te worden genomen. Realisatie van de knip zorgt immers voor een toename van het aantal verkeersbewegingen per etmaal op de verbindingsweg, waarvan [appellant sub 3] de gevolgen zal kunnen ondervinden.

Voor zover het beroep van [appellant sub 3] er overigens op is gericht om realisatie van deze knip te voorkomen, overweegt de Afdeling dat deze knip niet in de bindende onderdelen van het plan is opgenomen en in zoverre in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.13. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de verbindingsweg niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 3] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Bestuurlijke lus

2.14. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit, voor zover dat ziet op hetgeen met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" ter plaatse van de verbindingsweg is overwogen, binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 2.12.4 het besluit, alsnog toereikend te motiveren, in die zin dat een deugdelijke belangenafweging wordt gemaakt, waarbij de mogelijkheid van het treffen van geluidbeperkende maatregelen wordt bezien, dan wel een nieuw besluit te nemen. In het laatste geval dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten en griffierecht

2.15. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt de gemeenteraad van de gemeente Arnhem op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 2.12.4 is overwogen het besluit alsnog toereikend te motiveren, in die zin dat een deugdelijke belangenafweging wordt gemaakt, waarbij de mogelijkheid van het treffen van geluidbeperkende maatregelen wordt bezien, dan wel een nieuw besluit te nemen. In het laatste geval dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

2. de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Tuit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

425-704.