Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201100022/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2010, nummer 7592, heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.2
Besluit ruimtelijke ordening 1.2.3
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/402
AB 2012/290 met annotatie van L.J.A. Damen
A.G.A. Nijmeijer annotatie in TBR 2012/88

Uitspraak

201100022/1/R1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Bergen (Limburg),

2. [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Bergen (Limburg),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergen (Limburg),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2010, nummer 7592, heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 31 januari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2012, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. S. Oord, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.M. Arts-Erwich, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn de Galerie de Bakkerij, vertegenwoordigd door C. Burgers, en het kerkbestuur van de Sint Petruskerk, vertegenwoordigd door mr. L.C. Winkes, als partij gehoord.

Buiten bezwaar van partijen heeft het kerkbestuur ter zitting een nader stuk overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten sub 1] betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Perceel [locatie A]a

2.2. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat aan het perceel [locatie A]a ten onrechte een bedrijfsbestemming is toegekend. Zij voeren aan dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom de galerie niet mogelijk is binnen een woonbestemming en wijzen er daarbij op dat de raad in het bestemmingsplan "Aijen" aan een Bed&Breakfast met huiskamerrestaurant wel een woonbestemming met een nadere aanduiding heeft toegekend. Voorts voeren [appellanten sub 1] aan dat de definitie van de aanduiding "galerie" ten onrechte is verruimd ten opzichte van het ontwerpplan.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de mogelijkheid om ook de bovenverdieping te gebruiken als galerie zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat in de vorm van vermindering van privacy door inkijk in hun tuinen en woningen. Verder zal het gebruik van de bovenverdieping tot een verdubbeling van de bedrijfsoppervlakte leiden waardoor de parkeerproblematiek zal worden vergroot.

Voorts betogen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat ten onrechte de horeca-activiteiten van de galerie kunnen worden verruimd ten opzichte van de eerder verleende vrijstelling. Volgens [appellant sub 2] zorgen de horeca-activiteiten thans ook voor overlast en is in het kader van een handhavingszaak door de Afdeling geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat niet duidelijk is wat onder onderschikte horeca-activiteiten wordt verstaan.

Gelet op de uitbreidingsmogelijkheden is het plan volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2], anders dan de raad stelt, niet overwegend conserverend van aard.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een galerie een bedrijfsmatige activiteit is en dat hij daarom conform de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP) heeft gekozen voor een bedrijfsbestemming. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de aanduiding "galerie" niet de mogelijkheden biedt om de gebruiksmogelijkheden van de galerie te verruimen.

De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de bovenverdieping als galerie geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor de omwonenden. In dat verband voert de raad aan dat vanuit de galerie geen inkijk bij de woning van [appellant sub 2] mogelijk is. Voorts voert de raad ten aanzien van de omliggende woningen aan dat nu de gevelopeningen niet veranderen, er geen sprake zal zijn van meer inkijk in de desbetreffende woningen en tuinen ten opzichte van de huidige situatie.

Voorts voorziet het voorliggende plan volgens de raad niet in een ruimere regeling voor horeca dan zoals deze was vastgelegd in de verleende vrijstelling in 2007. Volgens de raad is in het plan een duidelijke koppeling gemaakt tussen de galerie en de mogelijke horeca als ondergeschikte nevenactiviteit.

2.2.2. Aan het perceel [locatie A]a is de bestemming "Bedrijf" met de nadere aanduiding "(sb-gal) specifieke vorm van bedrijf - galerie" toegekend. Aan een deel van de gronden is de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "(sb-gal) specifieke vorm van bedrijf - galerie" bestemd voor de uitoefening van een galerie met horeca als ondergeschikte nevenactiviteit.

Ingevolge artikel 1, lid 1.28, is een galerie een ruimte waar tentoonstellingen plaatsvinden met als doel het verkopen en tonen van kunst, toegepaste kunst en/of vormgeving.

De woning van [appellanten sub 1] staat op het naastgelegen perceel [locatie A]. De woning van [appellant sub 2] staat tegenover de galerie op het perceel [locatie B].

2.2.3. Bij besluit van 22 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders aan de galerie met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan "Kom Bergen 1984" verleend ten behoeve van het realiseren van een galerie op het perceel [locatie A]a.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat zij in haar uitspraak van 8 september 2010, in zaak nr. 200905802/1/R3 (www.raadvanstate.nl), heeft geoordeeld dat uit het begrip conserverend bestemmingsplan niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden.

2.2.5. De raad heeft een grote mate van beleidsvrijheid om bestemmingen en regels voor gronden vast te stellen, waarbij hij ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, in samenhang met artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP, die als bijlage II deel uitmaakt van deze Regeling.

In de SVBP zijn in paragraaf 2.2 hoofdgroepen bestemmingen opgenomen met bijbehorende functies. Indien een functie met een bestemming wordt geregeld, moet hij volgens het SVBP onder de hoofdgroep worden geplaatst waar de functie is genoemd. De functie galerie is niet in de SVBP opgenomen. In paragraaf 2.2 van de SVBP staat verder dat functies die daar niet zijn genoemd, moeten worden geplaatst in die hoofdgroep die daarbij - gelet op de aard van de betrokken hoofdgroep - het best past. De raad heeft in zoverre dus beoordelingsvrijheid om te bepalen welke bestemming hij toekent aan de galerie. In onderhavig geval heeft de raad, gelet op de op het perceel voorkomende activiteiten, in redelijkheid een bedrijfsbestemming aan het perceel kunnen toekennen. De ter zitting geuite vrees dat de bestemming "Bedrijf" ertoe zal leiden dat gemakkelijker een andere, meer overlast gevende, functie op het perceel zal worden toegelaten, richt zich op een mogelijke toekomstige planologische ontwikkeling die nu niet aan de orde is omdat het gebruik is beperkt tot een galerie. Ten aanzien van de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het bestemmen van de Bed&Breakfast in het bestemmingsplan "Aijen" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het gebruik als galerie het hoofdgebruik is van het perceel terwijl de Bed&Breakfast in het bestemmingsplan "Aijen" beperkt is tot een ondergeschikt deel van de woning. In hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.2.6. Met betrekking tot het betoog dat de definitie van de aanduiding "galerie" ten onrechte is verruimd, overweegt de Afdeling het volgende. In het ontwerpplan was als definitiebepaling voor "galerie" opgenomen:

"galerie: een professionele en voor publiek vrij toegankelijke ruimte waar aaneensluitende wisselende tentoonstellingen plaatsvinden met als doel het verkopen van kunstwerken van hedendaagse beeldend kunstenaars of vormgevers (die nog niet eerder door derden zijn verhandeld)."

[appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het ontwerp opgenomen beperking tot nog niet eerder door derden verhandelde goederen ruimtelijke uitstraling heeft, zodat reeds daarom deze beroepsgrond niet kan slagen.

2.2.7. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de tuin bij de galerie ten onrechte gebruikt kan worden voor exposities overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels de voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de aangrenzend gelegen hoofdgebouwen. Nu op het perceel eveneens een bedrijfswoning is toegestaan, kan de tuin worden gebruikt als tuin voor de bedrijfswoning. Voorts wordt ingevolge artikel 6, lid 6.4, aanhef en onder c, van de planregels het gebruik van gronden met de bestemming "Tuin" voor exposities als verboden gebruik aangemerkt. Het plan voorziet derhalve niet in de mogelijkheid dat in de tuin van de galerie exposities worden gehouden. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag. Voorts is in artikel 4, lid 4.5, aanhef en onder c, van de planregels bepaald dat het gebruik van de gronden en bouwwerken op de plandelen met de bestemming "Bedrijf" voor detailhandel als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Derhalve mist het betoog van [appellant sub 2] dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om detailhandelsactiviteiten op het perceel uit te oefenen, feitelijke grondslag.

2.2.8. De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan voorziet in de mogelijkheid om de tweede bouwlaag van het gebouw op het perceel [locatie A]a als galerie te gebruiken.

Met betrekking tot de woning van [appellant sub 2] overweegt de Afdeling dat deze tegenover de galerie staat en dat daartussen de Kerkstraat is gelegen. De kortste afstand tussen de woning van [appellant sub 2] tot de galerie bedraagt ongeveer 19 m. Nu de tuin van [appellant sub 2] achter de woning is gelegen, is in zoverre geen sprake van inkijk in de achtertuin. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tot de woning van [appellant sub 2] dermate groot is dat de inkijk in de woning vanaf de tweede bouwlaag van de galerie minimaal is.

De kortste afstand tussen de woning van [appellanten sub 1] en de galerie bedraagt ongeveer 10 m. Daartussen ligt een deel van de tuin van [appellanten sub 1]. Wat betreft de mogelijke inkijk in de woning en tuin van [appellanten sub 1] is enige toename van de inkijk vanaf de tweede bouwlaag van de galerie niet uit te sluiten nu de woning en tuin van [appellanten sub 1] naast de galerie zijn gelegen. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen van de galerie bij gebruik van de tweede bouwlaag dan aan de belangen van [appellanten sub 1]. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de afstand tussen de bebouwing minimaal 10 m is en dat een deel van de tuin van [appellanten sub 1] op grotere afstand van de galerie ligt.

Ten aanzien van de overlast ten gevolge van parkeren overweegt de Afdeling dat het plan niet hoeft te voorzien in een oplossing voor de bestaande parkeerproblematiek. In de enkele stelling van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] dat ten gevolge van het plan de parkeerproblemen zullen verergeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.2.9. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "Kom Bergen 1984" voor de verkoop van niet-alcoholhoudende drank, koek en/of vlaai op het perceel [locatie B], waarbij onder meer in aanmerking is genomen dat de verkoop uitsluitend plaatsvindt tijdens de openingstijden van de galerie waarvoor toestemming is verleend, de verkoop plaatsvindt in dezelfde ruimtes als waarin geëxposeerd wordt, de verkoop is gericht op de recreant die een bezoek brengt aan de galerie, de verkoopactiviteiten het karakter hebben van een aan de hoofdactiviteit (bemiddeling bij de verkoop van kunst) gelieerde nevenactiviteit, consumpties die verstrekt zullen worden nauwelijks een verkeersaantrekkende werking hebben en het initiatief een positief effect heeft op de toeristisch recreatieve infrastructuur van Bergen.

Het plan voorziet ten behoeve van de galerie in de mogelijkheid horeca als ondergeschikte nevenactiviteit toe te laten. Anders dan [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen, is hiermee duidelijk dat de horeca alleen ten behoeve van de galerie mag worden uitgeoefend en daaraan ondergeschikt moet zijn. Het opnemen van de te verkopen consumpties heeft naar het oordeel van de Afdeling geen ruimtelijke relevantie. Voor zover [appellant sub 2] verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2011, in zaak nr. 201008735/1/H1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.2.10. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] ten gevolge van de planregeling voor de galerie niet onevenredig wordt aangetast.

2.2.11. In hetgeen [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel [locatie B] zijn ongegrond.

Percelen Kerkstraat 6 en 8

2.3. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] richten zich voorts tegen de bestemmingsregeling voor de kerk op de percelen Kerkstraat 6 en 8. Aan dit plandeel zijn de bestemming "Maatschappelijk" en twee bouwvlakken toegekend waarop de kerk en een pastorie staan. De woning van [appellanten sub 1] staat op het tegenover gelegen perceel [locatie A]. De woning van [appellant sub 2] staat op het naastgelegen perceel [locatie B].

[appellanten sub 1] betogen dat aan het plandeel, anders dan in de zienswijzenota staat, ten onrechte niet de aanduiding "religie" is toegekend.

2.3.1. Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, in samenhang met artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening wordt, voor zover hier van belang, een bestemmingsplan langs elektronische weg vastgelegd en in die vorm vastgesteld en stelt het college van burgemeester en wethouders een bestemmingsplan op zodanige wijze beschikbaar dat dit langs elektronische weg door een ieder kan worden verkregen.

Ingevolge artikel 1.2.2, eerste lid, is er een landelijke voorziening waar in elektronische vorm ruimtelijke plannen, zoals genoemd in artikel 1.2.1, voor een ieder toegankelijk en raadpleegbaar zijn.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat op de in artikel 1.2.2. van het Besluit ruimtelijke ordening bedoelde landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl) twee versies van het voorliggende plan staan. Op de versie met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02 is wel de aanduiding "religie" aan de percelen Kerkstraat 6 en 8 toegekend maar op de versie met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA01 niet. In het vaststellingsbesluit van 2 november 2010 is niet vermeld welke versie van het plan is vastgesteld. Evenmin wordt dat duidelijk door het raadplegen van de landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl) nu daar twee versies van het plan ter beschikking zijn gesteld. Gelet op het voorgaande is sprake van een rechtsonzekere situatie omdat niet duidelijk is welk plan de raad langs elektronische weg heeft vastgesteld.

2.4. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen verder dat het plan ten onrechte voorziet in een wijzigingsbevoegdheid waardoor binnen de bestemming "Maatschappelijk" op de percelen Kerkstraat 6 en 8 ook andere maatschappelijke voorzieningen mogelijk worden gemaakt.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er aan verschillende voorwaarden moet worden voldaan voordat gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid en dat het college van burgemeester en wethouders in dat kader een belangenafweging dient te maken.

2.4.2. Ingevolge artikel 5 zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve, religieuze en openbare dienstverlening;

b. bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning";

c. een begraafplaats, ter plaatse van de aanduiding "begraafplaats";

d. een school met aanverwante activiteiten, zoals kinderopvang alsmede kleinschalige sociaal / maatschappelijke activiteiten, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - educatief";

e. religieuze en daaraan gerelateerde activiteiten alsmede kleinschalige sociaal / maatschappelijke activiteiten, ter plaatse van de aanduiding "religie";

f. nutsvoorziening, ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening";

g. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;

h. voorzieningen van algemeen nut;

met de daarbij behorende:

i. wegen en paden;

j. tuinen, erven en terreinen;

k. groenvoorzieningen;

l. parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 5, lid 5.5, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor het toestaan van een andere maatschappelijke voorziening dan ter plaatse is toegestaan, mits:

a. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking van gemotoriseerd verkeer;

b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels, wordt onder het begrip maatschappelijk het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening verstaan.

2.4.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn binnen de bestemming "Maatschappelijk" activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve, religieuze en openbare dienstverlening toegestaan. Dit brengt met zich dat bij de vaststelling van het plan reeds moet zijn beoordeeld wat de ruimtelijke gevolgen hiervan zijn en of alle activiteiten die binnen de bestemming zijn toegelaten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. De raad heeft beoogd met artikel 5, lid 5.1, onder e, en lid 5.5, van de planregels de bestaande situatie als gebruik ten behoeve van de kerk enkel zodanig te bestemmen en het omzetten in een andere maatschappelijke functie aan voorwaarden te verbinden. Echter nu gelet op artikel 5, lid 5.1, van de planregels de bestemming "Maatschappelijk" deze activiteiten reeds bij recht toestaat, is de Afdeling van oordeel dat aan de voorwaarden van artikel 5, lid 5.5, van de planregels geen betekenis toekomt. De raad heeft hiermee niet bereikt wat hij heeft beoogd, namelijk het creëren van een nader afwegingsmoment voor het toestaan van een andere maatschappelijke functie op de percelen Kerkstraat 6 en 8.

2.4.4. Om proceseconomische redenen ziet de Afdeling aanleiding om de overige beroepsgronden van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] tegen dit plandeel inhoudelijk te bespreken. In dit verband acht de Afdeling van belang dat uit de zienswijzenota kan worden afgeleid dat de raad heeft beoogd om het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02 vast te stellen, hetgeen de raad ter zitting heeft bevestigd. Voorts kan uit de zienswijzenota worden afgeleid dat de raad heeft beoogd om op het plandeel slechts religieuze en daaraan gerelateerde activiteiten alsmede kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten mogelijk te maken. Ook dit heeft de raad ter zitting bevestigd. Gelet hierop zal de Afdeling bij de bespreking van de beroepsgronden ervan uitgaan dat de raad het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02, waarbij de aanduiding "religie" aan het plandeel is toegekend, heeft vastgesteld en waarbij bij recht slechts religieuze en daaraan gerelateerde activiteiten alsmede kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten op het plandeel mogelijk zijn.

2.5. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan voor de percelen Kerkstraat 6 en 8 ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om het gebruik uit te breiden met kleinschalige sociaal-maatschappelijke functies. In dit verband betoogt [appellant sub 2] dat het plan een conserverend karakter heeft en dat daarom alleen de bestaande situatie als zodanig moet worden bestemd. Voorts zal het gebruik van de kerk voor sociaal-maatschappelijke functies tot overlast leiden. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de kleinschaligheid van de sociaal-maatschappelijke functies niet is gewaarborgd, terwijl de raad volgens hen wel heeft beoogd deze functie alleen voor de bewoners van de kern Bergen toegankelijk te laten zijn.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouwmogelijkheden ter plaatse van de percelen Kerkstraat 6 en 8 enigszins zijn verruimd en dat de gebruiksmogelijkheden niet zodanig zijn verruimd dat deze tot onaanvaardbare overlast zullen leiden. Volgens de raad is het van belang dat in het kader van de leefbaarheid van de kern Bergen een plek voor de bewoners aanwezig is waar zij de gelegenheid hebben om elkaar te ontmoeten. In dat verband voert de raad aan dat Bergen te klein is voor een zelfstandig gemeenschapshuis en dat daarom gekozen is om binnen de bestemming "Maatschappelijk" op de gronden waaraan de aanduiding "religie" is toegekend kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten toe te laten.

2.5.2. In het voorheen geldende plan "Kom Bergen 1984" was aan het perceel Kerkstraat 6 en 8 de bestemming "Openbare en/of bijzondere doeleinden" met twee bouwvlakken toegekend.

Ingevolge artikel 16 van de planvoorschriften waren de op de plankaart als "Openbare en/of bijzondere doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden ten dienste van religieuze en onderwijsinstellingen.

2.5.3. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] over het conserverende karakter van het plan, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij hierover heeft overwogen in 2.2.4.

Met betrekking tot het betoog dat de verruiming van de gebruiksmogelijkheden zal leiden tot overlast en parkeeroverlast in het bijzonder, overweegt de Afdeling als volgt. Ten opzichte van het voorheen geldende plan voorziet het plan in de mogelijkheid om de kerk en pastorie ook te gebruiken voor kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze verruiming van de gebruiksmogelijkheden niet zo groot is dat dit zal leiden tot onevenredige overlast voor de omwonenden. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de oppervlakte van de kerk en pastorie beperkt is waardoor het niet mogelijk is om activiteiten voor grote aantallen personen te organiseren. Ook zijn sociaal-maatschappelijke activiteiten slechts mogelijk als deze kleinschalig zijn. Voorts overweegt de Afdeling dat de Wet ruimtelijke ordening geen grondslag biedt voor een regeling in de planregels die enkel betrekking heeft op een specifieke groep personen die zich in niets onderscheiden van andere personen dan hun woonplaats.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan de mogelijkheid om te voorzien in een plek waar sociaal-maatschappelijke activiteiten mogen worden georganiseerd dan aan de belangen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] bij het behoud van een onveranderde leefomgeving.

2.6. Voor zover [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] in hun beroepschriften verder hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben in de beroepschriften noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit in zoverre onjuist zouden zijn.

2.7. Gelet op de overwegingen 2.3.2 en 2.4.3 is de conclusie dat hetgeen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van de percelen Kerkstraat 6 en 8 is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid en met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn op dit punt gegrond.

Gelet op de aard van het in overweging 2.3.2 geconstateerde gebrek dient het gehele bestreden besluit te worden vernietigd.

2.7.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, van de Awb de raad op te dragen om binnen 16 weken na de verzending van de uitspraak het plan vast te stellen overeenkomstig de versie van het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02 met dien verstande dat het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van de percelen Kerkstraat 6 en 8 slechts bestemd wordt voor religieuze en daaraan gerelateerde activiteiten alsmede kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten. De raad behoeft hierbij geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb.

Voorts dient de raad de versies van het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA01 en met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02 te verwijderen of te laten verwijderen van de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.8. De raad dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een zodanige veroordeling ten gunste van Galerie De Bakkerij bestaat geen aanleiding. Dienaangaande merkt de Afdeling op dat een veroordeling van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] in die kosten reeds afstuit op de omstandigheid dat door hen geen kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is gemaakt.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen (Limburg) van 2 november 2012, kenmerk 7592;

III. draagt de raad van de gemeente Bergen (Limburg), op om binnen 16 weken na verzending van de uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

a. het plan vast te stellen overeenkomstig de versie van het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02, met dien verstande dat het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van de percelen Kerkstraat 6 en 8 slechts bestemd wordt voor religieuze en daaraan gerelateerde activiteiten alsmede kleinschalige sociaal-maatschappelijke activiteiten;

b. vorenstaande op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

c. de versies van het plan met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA01 en met het IMRO nummer 0893.BP10006BEONGBEG-VA02 te verwijderen of te laten verwijderen van de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen (Limburg), tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

en bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Bergen (Limburg), aan [appellanten sub 1] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

en aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bošnjaković

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

533-675.