Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201011164/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ecoducten Zwaluwenberg en N417" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/695
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5212

Uitspraak

201011164/1/R1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hilversum,

2. [appellanten sub 2], allen wonend te Hilversum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de Buitenplaats "Uytwijck" (hierna: MBBU B.V.), gevestigd te Hilversum,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Hilversum,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ecoducten Zwaluwenberg en N417" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2010, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2010, en MBBU B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2010, beroep ingesteld. MBBU B.V. heeft haar beroep bij brief van 19 december 2010 nader aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2a], MBBU B.V., vertegenwoordigd door mr. S.F. Griessen, werkzaam bij Greenfeld belastingadviseurs en rentmeesters, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Wiedemeijer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de minister van Infrastructuur en Milieu, vertegenwoordigd door mr. ing. H. Huntelaar, ing. M.W. de Haan, P.J.M. Hoggerwerf MSc, allen werkzaam bij Rijkswaterstaat, het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en ing. B.J. Derix en H. Niessen, beiden werkzaam bij de provincie, en de stichting Goois Natuurreservaat, vertegenwoordigd door ing. P.J. Ubbink, werkzaam bij de stichting.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Voor zover het beroep van [appellanten sub 2] mede is beoogd te zijn ingesteld door [appellant sub 2b], overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2b] geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat [appellant sub 2a] is gemachtigd in deze procedure namens hem op te treden. Gelet hierop is het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het beweerdelijk is ingesteld door [appellant sub 2b].

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2c] wonen op een afstand van ongeveer 670 m, onderscheidenlijk 600 m van het plangebied. Vanuit hun woningen hebben zij geen zicht op de voorziene ecoducten. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2c] bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt, zijn deze afstanden naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2c] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het bestreden besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, en de door [appellant sub 1] genoemde omstandigheden dat hij vanaf de straat zicht heeft op het plangebied en recreëert in (de omgeving van) het plangebied, zijn daarvoor onvoldoende. De Afdeling acht hierbij van belang dat een reconstructie van het nabijgelegen fietspad geen deel uitmaakt van het plan.

De conclusie is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2c] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), geen beroep kunnen instellen.

Het beroep van [appellant sub 1] en het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingesteld door [appellant sub 2c], is niet-ontvankelijk.

Plan

2.3. Het plan maakt de bouw van twee ecoducten mogelijk. Ten eerste over zowel de snelweg A27 als de spoorlijn Hilversum-Utrecht en ten tweede over de Utrechtseweg (N417) ten zuiden van Hilversum. De twee ecoducten vormen tezamen een ecologische verbinding waardoor de Hoorneboegse Heide en de Centrale Heuvelrug een ecologische eenheid kunnen vormen. De ecoducten zijn onderdeel van de natuurverbinding "Zwaluwenberg". Ter hoogte van de voorziene ecoducten ligt het beschermd natuurmonument de Hoorneboegse Heide, met als deelgebieden de Zwarte Berg en de Hoorneboegse Heide.

[appellant sub 2a] woont aan de [locatie] en MBBU B.V. is gevestigd aan de Utrechtseweg 201.

Formele beroepsgrond

2.4. [appellant sub 2a] betoogt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur, nu de raad het bestemmingsplan onder druk heeft vastgesteld, omdat de provincie een van de ecoducten reeds had aanbesteed. De locatie van de ecoducten is derhalve ingegeven door financiële motieven.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het ecoduct over de A27 en over het spoor weliswaar reeds was aanbesteed ten tijde van de vaststelling van het plan, maar die omstandigheid heeft volgens de raad niet tot gevolg gehad dat de raad zich gedwongen voelde zonder meer tot vaststelling van het plan te besluiten.

2.4.2. De aanbesteding van het ecoduct over de A27 maakt deel uit van een grotere, landelijke aanbesteding van in totaal negen ecoducten. Door de vernietiging van het vorige plan dat dit ecoduct mogelijk moest maken ontbrak de planologische grondslag voor de realisering van het ecoduct over de A27. Desalniettemin is vanwege de samenhang met de andere ecoducten tot gunning overgegaan. In de plantoelichting staat dat verder uitstel dan wel afstel van de realisering van het ecoduct over de A27 zal leiden tot een claim.

De omstandigheid dat met deze claim rekening is gehouden, brengt nog niet mee dat daarom geoordeeld moet worden dat geen vrije afweging van belangen heeft kunnen plaatsvinden. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat het ecoduct ter plaatse noodzakelijk is en dat de locatie aan de Utrechtseweg (N417) vanuit landschappelijk, verkeerskundig, civieltechnisch, planologisch en kostentechnisch oogpunt geschikt is. Daarnaast heeft de raad eerder beoogd de ecoducten planologisch mogelijk te maken door het hiervoor geldende plan "Buitengebied, eerste partiële herziening" vast te stellen, waarin de ecoducten eveneens waren voorzien.

Materiële beroepsgronden

2.5. [appellant sub 2a] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) op rijksniveau wordt onderworpen aan een herijking.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de herijking plaatsvindt in 2018 en dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet duidelijk kon zijn of het realiseren van ecoducten dan niet meer nodig is. In het regeerakkoord staat dat een aantal robuuste verbindingen wordt geschrapt, maar de voorziene ecoducten in het plan maken hier geen deel van uit. De herijking is derhalve niet van invloed op het plan, aldus de raad.

2.5.2. In het regeerakkoord staat dat de EHS in 2018 herijkt wordt.

2.5.3. In het deskundigenbericht staat dat de herijking van de EHS tot doel heeft om tot een kleinere en effectievere EHS te komen. Thans vindt hierover overleg plaats tussen het Rijk en de provincies. Op rijksniveau heeft het proces van herijking nog niet geleid tot een aanpassing van de Nota Ruimte of van de Spelregels voor de EHS en zijn de grenzen van de EHS vooralsnog niet gewijzigd.

2.5.4. Gelet op de omstandigheid dat de EHS pas in 2018 wordt onderworpen aan een herijking en [appellant sub 2a] het deskundigenbericht op dit punt niet heeft weersproken, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van het plan geen rekening kon en behoefde te worden gehouden met de herijking.

2.6. [appellant sub 2a] betoogt dat ter plaatse van de Utrechtseweg (N417) geen noodzaak bestaat voor een ecoduct. In dit kader voert [appellant sub 2a] aan dat de A27 wordt verbreed, waardoor het sluipverkeer tijdens de spits zal verdwijnen en de N417 een, uit het oogpunt van verkeer, rustige weg zal worden. De snelheid van het verkeer over de N417 kan door middel van eenvoudige maatregelen worden beperkt, aldus [appellant sub 2a]. Voorts passeren vanwege de recreatieve drukte ter plaatse maar weinig reeën en gaat het vooral om kleine dieren die via rioolbuizen ook kunnen oversteken. De kosten staan niet in verhouding tot de opbrengsten, volgens [appellant sub 2a].

2.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ecologische verbinding ter plaatse van de Zwaluwenberg ervoor zorgt dat de Hoorneboegse Heide en de Centrale Heuvelrug opnieuw een ecologische eenheid kunnen vormen, nu deze eenheid door de aanleg van wegen en spoorlijnen verloren is gegaan. Het doel van de ecoducten is zo veel mogelijk diersoorten van een geheel ecosysteem de mogelijkheid te geven zich te verplaatsen en genetisch materiaal uit te wisselen. Op deze manier kan de biodiversiteit worden behouden en wordt voorkomen dat kleine geïsoleerde populaties uitsterven, aldus de raad.

2.6.2. In het deskundigenbericht staat dat de realisatie van de in het plan voorziene verbinding plaatsvindt in het kader van het Meerjarenprogramma Ontsnippering. Dit is een nationaal gebiedsgericht programma waarin het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, ProRail, Rijkswaterstaat, de provincies en de Dienst Landelijk Gebied samenwerken aan het verbinden van natuurgebieden die in de loop der jaren zijn versnipperd door infrastructuur. Het verminderen van de versnipperende werking van de A27 ten oosten van Hilversum is een van de projecten uit voormeld programma.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat verkeersmaatregelen die de verkeersintensiteit op de Utrechtseweg terugdringen het risico van aanrijdingen van soorten zullen verminderen. De verbinding bos- en heidesysteem die het Projectteam Ecoduct A27/spoorlijn, bestaande uit Rijkswaterstaat, ProRail, provincie Noord-Holland, Goois Natuurreservaat, gemeente Hilversum en het Ministerie van Defensie wenst zal echter volgens het deskundigenbericht niet alleen al door het nemen van deze maatregelen tot stand komen.

2.6.3. In de notitie "Startdocument Herstel ecologische verbinding Utrechtse Heuvelrug en het Gooi", van 8 februari 2005 (hierna: het startdocument), van het Projectteam Ecoduct A27/spoorlijn, worden het edelhert, de ree, das, boommarter, zandhagedis, levendbarende hagedis, hazelworm, rode bosmier, heivlinder, heideblauwtje en loopkever als doelsoorten van het project genoemd. In het startdocument wordt geconcludeerd dat optimalisatie van bestaande voorzieningen voor een aantal doelsoorten onvoldoende kan leiden tot een herstel van de verbinding. Het gaat om de soorten die van nature geen gebruik maken van onderdoorgangen als gevolg van het gebrek aan bezonning, de omstandigheid dat het te donker is of een te lage temperatuur. Een goed ingericht ecoduct werkt daarentegen voor vrijwel alle soortgroepen ontsnipperend, voor zowel grote, middelgrote en kleine zoogdieren als voor amfibieën, reptielen en insecten.

In de brief van Alterra van 23 juni 2005 aan Rijkswaterstaat en als aanvulling daarop de notitie van Alterra van 23 augustus 2005 (hierna tezamen: het advies van Alterra uit 2005), staat dat de ontwikkeling van biotopen in een tunnel moeilijk is, met name indien de lengte van de tunnel groot is. Veel van de doelsoorten zullen gebruik maken van een tunnel, maar soorten die meer gebonden zijn aan vegetatie zullen de tunnel niet of minder vaak gebruiken.

In het advies "Advies ecologische verbinding Zwaluwenberg", van Alterra, van 5 februari 2010 (hierna: het advies van Alterra uit 2010), is het edelhert als doelsoort uitgesloten. In dit advies wordt de voorkeur gegeven aan de locatie Zwaluwenberg, omdat een ecologische verbinding ter plaatse van deze locatie naar verwachting de kans op het duurzaam voortbestaan van dierpopulaties vergroot, doordat nu van elkaar gescheiden populaties met elkaar worden verbonden, nieuw leefgebied kan worden bereikt en gekoloniseerd, de kwaliteit van de leefgebieden wordt versterkt, het aantal faunaslachtoffers door aanrijdingen afneemt en genetische uitwisseling tussen populaties mogelijk wordt. Voorts wordt geconcludeerd dat de voorziene ecologische verbinding de kansen vergroot voor het herstel van natuurlijke processen en ecosystemen. Tevens faciliteert de verbinding potentiële verschuivingen en areaalgrenzen van soorten (als gevolg van grootschalige calamiteiten), zoals klimaatverandering, brand en plantenziekten. Verder is de verbinding naar verwachting voor zeven van de tien doelsoorten nuttig uit het oogpunt van het vergroten van de kansen voor het koloniseren van nieuwe leefgebieden. De ecologische verbinding Zwaluwenberg is daarnaast voor nog 26 overige soorten nuttig uit het oogpunt van het ontsnipperen van hun leefgebied.

2.6.4. Nu [appellant sub 2a] de conclusies uit de adviezen van Alterra uit 2005 en 2010, zoals vermeld in 2.6.3, niet gemotiveerd heeft bestreden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van de noodzaak van de realisering van de ecologische verbinding Zwaluwenberg in de vorm van een ecoduct over de Utrechtseweg (N417) uit heeft kunnen gaan, in plaats van een verbinding in de vorm van een tunnel, omdat een ecoduct voor meer doelsoorten geschikt is dan een tunnel. Hetgeen [appellant sub 2a] aanvoert over het verkeer op de Utrechtseweg biedt geen aanleiding voor een ander oordeel, nu [appellant sub 2a] de conclusie in het deskundigenbericht dat eventuele verkeersmaatregelen niet resulteren in de beoogde verbinding van bos- en heidesysteem, eveneens niet gemotiveerd heeft weersproken. [appellant sub 2a] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat de A27 wordt verbreed, wat daar ook van zij, tot gevolg heeft dat de N417 een rustige weg wordt en het ecoduct over de Utrechtseweg (N417) daarom niet meer noodzakelijk zou zijn. Ook de omstandigheid dat het edelhert bij dit project niet meer als doelsoort wordt aangemerkt brengt niet met zich dat geen noodzaak meer bestaat voor een ecoduct ter plaatse.

2.7. [appellant sub 2a] en MBBU B.V. betogen dat de locatie Zwaluwenberg voor de voorziene ecoducten niet geschikt is. De ecoducten sluiten volgens hen aan op voor dieren ongeschikt terrein, omdat het voorziene ecoduct over de N417 uitloopt op het gebied Hoorneboegse Heide dat doodloopt nu de doelsoorten de aangrenzende verkeersdrukke Noodweg niet kunnen oversteken. Het gebied wordt bovendien intensief recreatief gebruikt en is geen natuurgebied, aldus [appellant sub 2a] en MBBU B.V. [appellant sub 2a] betoogt dat het doel van de EHS derhalve niet wordt bereikt, omdat geen verbinding tussen versnipperde natuurgebieden tot stand kan komen. [appellant sub 2a] draagt de alternatieve locaties Laapersbos, waar door de raad in eerdere onderzoeken de voorkeur aan werd gegeven, en natuurgebied Einde Gooi aan om een ecoduct te realiseren.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de keuze voor een ecoduct op de locatie Zwaluwenberg is gemaakt op basis van een integrale afweging van belangen, waarbij niet alleen ecologie een rol heeft gespeeld. De stelling van [appellant sub 2a] en MBBU B.V. dat het ecoduct over de N417 uitloopt op ongeschikt terrein acht de raad onjuist. Het Goois Natuurreservaat heeft het in de westelijke toeloop van het voorziene ecoduct gelegen dagrecreatieterrein Zwarte Berg, met bijbehorende geasfalteerde ontsluitingswegen, inmiddels verplaatst. Daarnaast zijn de wegen en speelvelden geamoveerd en is het desbetreffende terrein thans ingericht als heideterrein. De ecologische toegevoegde waarde is in verschillende onderzoeken aangetoond, aldus de raad.

2.7.2. In het deskundigenbericht staat dat op een gedeelte van de Hoorneboegse Heide, ten westen van het voorziene ecoduct over de Utrechtseweg (N417), een dagkampeerterrein met een grootte van 6 ha was gevestigd. Het Goois Natuurreservaat, eigenaar van die gronden, heeft dit terrein thans in zuidelijke richting verplaatst en daarnaast zijn de paden naar het terrein opgeheven.

In het deskundigenbericht staat verder dat het Goois Natuurreservaat en de provincie tijdens het onderzoek met betrekking tot de gronden gelegen ten noordwesten van het voorziene ecoduct over de Utrechtseweg (N417) hebben aangegeven dat het recreatieve gebruik overdag plaatsvindt en met name in de weekenden, terwijl de faunasoorten met name 's nachts actief zijn.

Voorts staat in het deskundigenbericht dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de intensiteit van het extensieve recreatieve gebruik bepalend is. Los van de intensiteit kan de relatie worden beïnvloed door onder meer de gevoeligheid van de desbetreffende faunasoort voor verstoring, de voorspelbaarheid van het gedrag van de recreant, de tijdstippen waarop de recreant en de diersoort actief zijn en de inrichting en dimensies van de passage.

Ten aanzien van de Noodweg staat in het deskundigenbericht dat de Noodweg een erftoegangsweg is waar de verkeersintensiteit lager ligt dan op de Utrechtseweg (N417) die wordt aangemerkt als een gebiedsontsluitingsweg. De provincie heeft tijdens het deskundigenonderzoek aangegeven dat op de Noodweg rustiger gereden wordt als gevolg van de uitvoering van de weg en het beperkte zicht door de bochten en de bebossing. De Noodweg maakt in het plan geen deel uit van de infrastructuurbundel A27-spoor-N417 die als barrière in dit project is aangemerkt.

2.7.3. In het startdocument uit 2005 zijn een noordelijk en een zuidelijk zoekgebied onderzocht, waarbij werd geconcludeerd dat het noordelijk zoekgebied niet geschikt was voor de realisering van een ecologische verbinding. Binnen het zuidelijk zoekgebied zijn drie locaties onderzocht, te weten Laapersbos, Zwaluwenberg en Dassenveld.

In het advies van Alterra uit 2005 aan Rijkswaterstaat is aangegeven dat de locatie Laapersbos de voorkeur verdient.

In de notitie "Beslisdocument locatiekeuze ecoducten A27 en spoorverbinding Utrecht-Hilversum", van 30 augustus 2005, van het Projectteam Ecoduct A27/spoorlijn, wordt geadviseerd voor de locatie Zwaluwenberg te kiezen. In de notitie staat dat deze locatie vanuit landschappelijk, verkeerskundig, civieltechnisch, planologisch en kostentechnisch oogpunt het meest geschikt is om twee ecoducten te realiseren. De verbinding zal daarmee voldoen aan de eisen die gesteld worden aan een verbinding op landschapsniveau ten behoeve van het bos- en heidesysteem. In de notitie wordt een aantal voorwaarden aan de keuze van de locatie Zwaluwenberg gesteld:

- om de omgeving van het gebied geschikt te maken is een aantal inrichtingsmaatregelen (ontwikkeling optimaal bos/heide-biotoop en slechten barrières) nodig. De ruimte hiervoor zal gevonden moeten worden op gronden van landgoed Zwaluwenberg (in beheer bij het Ministerie van Defensie), dan wel landgoed "Uytwyck" (particulier eigendom). De voorkeur gaat uit naar gronden van Zwaluwenberg, omdat deze rijkseigendom zijn;

- voor een goed functioneren van de verbinding zal de verstoring op en in de directe omgeving van de ecoducten voorkomen moeten worden. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij de verdere gebiedsinrichting;

- de ecoducten over de A27 en de spoorlijn zullen op zo korte afstand van elkaar gelegen moeten zijn dat gezamenlijke uitvoer voor de hand ligt;

- te zijner tijd zullen tevens maatregelen getroffen moeten worden om de versnipperende werking van de N417 te verminderen. In de komende fase worden de mogelijkheden hiervoor, op verzoek van de provincie Noord-Holland, in kaart gebracht. Mochten de mogelijkheden hiervoor op de locatie Zwaluwenberg aanzienlijk moeilijker of kostbaarder zijn dan op de locatie Laapersbos, dan kan dit reden zijn het besluit te wijzigen. Een en ander zal dan bestuurlijk afgestemd worden.

2.7.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de locatie van de ecoducten een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Van de zijde van de raad is ter zitting medegedeeld dat Einde Gooi niet geschikt is als locatie voor de ecoducten, omdat niet is beoogd een verbinding in zuidelijke richting te realiseren en niet is beoogd een verbinding in oostelijke en westelijke richting tot stand te laten komen. Met betrekking tot de locatie Laapersbos stelt de raad zich op het standpunt dat in navolging van het beleidsdocument van 30 augustus 2005 is gekozen voor de locatie Zwaluwenberg. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het aspect ecologie op de alternatieve locatie Laapersbos weliswaar hoog scoort, maar dat op die locatie landschappelijke, verkeerskundige, civieltechnische, planologische en kostentechnische aspecten relatief gezien veel lager scoren dan op de locatie Zwaluwenberg. Op de locatie Zwaluwenberg scoren alle aspecten relatief gezien hoog en staan deze meer tot elkaar in verhouding dan het geval is op de locatie Laapersbos. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de door [appellant sub 2a] aangedragen alternatieven en de alternatieven niet in redelijkheid ongeschikt heeft kunnen achten.

Met betrekking tot de geschiktheid van de locatie Zwaluwenberg overweegt de Afdeling dat op de gronden waar voorheen een kampeerterrein gevestigd was, thans op die gronden niet langer sprake is van intensief recreatief medegebruik, omdat het kampeerterrein verplaatst is. Voor zover [appellant sub 2a] wijst op de grote intensiteit van het extensieve dagrecreatieve gebruik, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat enkel de intensiteit van het recreatieve gebruik niet bepalend is voor de relatie tussen extensieve recreatie en de aanwezigheid van faunasoorten, het provinciebestuur en het Goois Natuurreservaat onweersproken hebben gesteld dat het recreatieve gebruik overdag plaatsvindt op de desbetreffende gronden en met name in de weekenden, terwijl de faunasoorten met name 's nachts actief zijn. Gelet op het voorgaande, gelet op de omstandigheid dat [appellant sub 2a] en MBBU B.V. hetgeen in 2.7.2. met betrekking tot de Noodweg is opgenomen niet hebben weersproken, en nu [appellant sub 2a] en MBBU B.V. hun betogen eveneens niet anderszins aannemelijk hebben gemaakt, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Hoorneboegse Heide en de Zwarte Berg niet dusdanig intensief recreatief gebruikt worden dat een ecoduct op de locatie Zwaluwenberg in dat opzicht niet geschikt zou zijn.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de locatie Zwaluwenberg niet in redelijkheid geschikt heeft kunnen achten als locatie voor de voorziene ecoducten.

2.8. MBBU B.V. betoogt dat de voorziene ecoducten een zeer grote aantasting vormen van de landschappelijke waarden van de omgeving rondom de ecoducten. Volgens MBBU B.V. worden ten onrechte grote delen van het bos gekapt. De kap van de bomen zal leiden tot extra geluidsoverlast voor de omwonenden als gevolg van het verkeer van de A27, nu de bossen een geluiddempende functie hebben. De laatste jaren is de geluidhinder reeds aanzienlijk toegenomen. Er is ten onrechte geen geluidsonderzoek gedaan noch aangegeven of, en zo ja welke geluidwerende maatregelen worden getroffen, aldus MBBU B.V.

2.8.1. Het betoog faalt. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar rechtsoverweging 2.5.2. in de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 23 februari 2011, zaak nr. 201011164/2/R1. De Afdeling ziet in de stukken geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.

2.9. MBBU B.V. betoogt dat de maximale bouwhoogte van de ecoducten in het plan ten onrechte op 15 m is gesteld, terwijl de Afdeling bij uitspraak van 21 januari 2010, in zaak nr. 200905760/3/R2, een eerder plan heeft vernietigd, dat voorzag in onder meer de aanleg van ecoducten op dezelfde locaties. In dat plan was volgens MBBU B.V. een maximale hoogte van 13,5 m opgenomen. Daarnaast spreekt de plantoelichting van een maximale hoogte van 12,5 m, aldus MBBU B.V.

2.9.1. Het betoog faalt. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar rechtsoverweging 2.7.1. in de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 23 februari 2011, zaak nr. 201011164/2/R1. De Afdeling ziet in de stukken geen aanleiding om tot een ander oordeel dan dat van de voorzitter te komen.

2.10. Voor zover [appellant sub 2a] betoogt dat de raad toezeggingen met betrekking tot behoud van de bestaande bebossing tussen het perceel [locatie] en het ecoduct en ook met betrekking tot herplanting van bomen op privéterreinen niet is nagekomen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2a] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de raad.

2.11. [appellant sub 2a] voert aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met vermindering van uitzicht.

2.11.1. In het deskundigenbericht staat dat de woning van [appellant sub 2a] op een afstand van ongeveer 80 m van het hart van het ecoduct ligt. Tussen de woning en de rand van het voorziene ecoduct is aan een strook grond de bestemming "Natuur-Bos en Heide" toegekend. Deze strook grond heeft ter hoogte van de woning van [appellant sub 2a] een breedte van ongeveer 25 m. Door middel van zandlichamen met een licht hellend vlak worden toelopen naar het ecoduct gerealiseerd. Het talud zal met bomen beplant worden. In de zomerperiode zal de aarden wal door de aanwezige beplanting aan het zicht onttrokken worden. In de winterperiode zal door boombeplanting heen een aarden wal met beplanting zichtbaar worden waar [appellant sub 2a] voorheen uitsluitend op bomen uitkeek. Gelet op de hoogte van het talud ter hoogte van de woning, de afstand tussen het talud en de woning en de tussenliggende boombeplanting acht de Afdeling niet aannemelijk dat ernstige vermindering van uitzicht voor [appellant sub 2a] zal plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van verandering van uitzicht.

2.12. Verder voert [appellant sub 2a] aan dat de toezegging van de raad dat inpassing van het ecoduct over de Utrechtseweg (N417) zou plaatsvinden door middel van de zogenoemde schuine variant niet is nagekomen.

2.12.1. De raad stelt dat het bestemmingsplan zowel de rechte als de schuine variant mogelijk maakt. Medio februari 2011 is echter een bestuurlijke overeenkomst getekend door de gemeente, het Goois Natuurreservaat en de provincie, waarin tot een schuine variant voor de ecoducten is besloten, aldus de raad.

2.12.2. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het plan zowel de rechte als de schuine variant mogelijk maakt. Weliswaar bestond ten tijde van de vaststelling van het plan een voorkeur voor de schuine variant, maar niet is beoogd de realisering van de rechte variant uit te sluiten. De voorkeur voor de schuine variant is inmiddels neergelegd in de bestuurlijke overeenkomst van februari 2011. De raad heeft ter zitting toegezegd de inpassing van het ecoduct in overeenstemming met de bestuurlijke overeenkomst in de schuine variant uit te voeren. Hiertoe is volgens de raad reeds een inrichtingsplan opgesteld. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende zekerheid bestaat dat de schuine variant zal worden gerealiseerd.

2.13. [appellant sub 2a] en MBBU B.V. richten zich voorts tegen de realisering van een dubbel fietspad aan de westzijde van de N417.

2.13.1. In het deskundigenbericht staat dat de strook grond ter plaatse van het tracé van de Utrechtseweg waaraan de bestemming "Verkeer-Provinciale Weg" is toegekend, een breedte heeft van ongeveer 11 meter. Dit is gelijk aan de breedte van het huidige wegprofiel. Derhalve biedt het plan niet de mogelijkheid het bestaande wegprofiel te verbreden ten behoeve van de realisatie van een vrijliggend fietspad. Van de zijde van de provincie is ook bevestigd dat de realisatie van het ecoduct en de lengte van het ecoduct losstaan van het voornemen een vrijliggend fietspad aan te leggen.

2.13.2. In het deskundigenbericht is onweersproken gesteld dat de gronden met de bestemming "Verkeer-Provinciale Weg" ter plaatse van het ecoduct geen ruimte bieden voor een dubbel fietspad zonder dat dit zou leiden tot een versmalling van de rijbaan. Aan de overspanning van de lengte van het ecoduct van 30 m ligt de overweging ten grondslag dat het zicht over de weg onder het viaduct door dient te blijven bestaan. Het ecoduct kan ook met het huidige tracé van de Utrechtseweg met aan weerszijden een fietspad worden gerealiseerd en daarnaast kan het dubbele fietspad ook worden aangelegd zonder realisering van het ecoduct, hetgeen door de raad ter zitting is bevestigd. Gelet op het voorgaande is de vrees van [appellant sub 2a] en MBBU B.V. dat het plan de planologische inpassing van een dubbel fietspad mogelijk maakt, dan wel daar onherroepelijk toe noopt, ongegrond.

2.14. [appellant sub 2a] en MBBU B.V. betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het plan, omdat volgens hen de financiering voor het ecoduct over de N417 nog onzeker is. Daarnaast is volgens MBBU B.V. onzeker of de aanvraag voor een Europese subsidie zal worden toegekend en staat de provincie slechts voor een deel van de realisatiekosten van het desbetreffende ecoduct garant. Voorts is volgens [appellant sub 2a] geen rekening gehouden met de te verwachten planschade.

2.14.1. De raad en het college van gedeputeerde staten hebben ter zitting verklaard dat het ecoduct geheel door de provincie zal worden gefinancierd.

2.14.2. In de plantoelichting staat dat de aanleg van de ecoducten zal worden gefinancierd door Rijkswaterstaat, ProRail en de provincie. Voorts zijn in het Meerjarenprogramma Ontsnippering voor het ecoduct over de A27 en de spoorlijn reeds sluitende budgetten gereserveerd. Ter zitting is gebleken dat provinciale staten ten aanzien van een bedrag van 4,25 miljoen euro ten behoeve van de financiering van de twee voorziene ecoducten reeds hun goedkeuring hebben gegeven. Het resterende bedrag ad 750.000 euro wordt op korte termijn ter goedkeuring voorgelegd aan provinciale staten en het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting aangegeven het niet waarschijnlijk te achten dat deze goedkeuring niet zal worden verkregen. Nu ter zitting aannemelijk is gemaakt dat de financiële middelen voor de realisering van het plan beschikbaar zullen zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

2.15. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van omliggende woningen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog van [appellant sub 2a] faalt.

Conclusie

2.16. In hetgeen [appellant sub 2a] en MBBU B.V. hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2], voor zover ingesteld door [appellant sub 2c] en beweerdelijk door [appellant sub 2b], en het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de Buitenplaats "Uytwijck" ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bosnjakovic

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

410-668.