Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-03-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201107903/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college geweigerd aan [appellante] lichte bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de dakkapellen van de woonwagen op het perceel [locatie] te Kampen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107903/1/A1.

Datum uitspraak: 7 maart 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Kampen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 juni 2011 in zaak nr. 11/283 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college geweigerd aan [appellante] lichte bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de dakkapellen van de woonwagen op het perceel [locatie] te Kampen.

Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2012, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.L. Bogerd, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De dakkapellen zijn geplaatst in het linker zijdakvlak van de woonwagen op het perceel. Het college heeft de bouwvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met artikel 44, derde lid, van de Woningwet, zoals deze bepalingen luidde ten tijde van belang, moet de lichte vergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid onderdeel a, van de Woningwet, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn beslissing niet mocht baseren op het negatieve advies van de welstandscommissie omdat het naar wijze van totstandkoming en inhoud niet aan redelijk te stellen eisen voldoet.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 mei 2009 in zaak nr. 200806662/1; www.raadvanstate.nl), mag een bestuursorgaan, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

2.3.2. Aan de weigering bouwvergunning te verlenen heeft het college het advies van Het Oversticht (hierna: de welstandcommissie) van 24 maart 2010 ten grondslag gelegd. Volgens dit advies heeft de welstandcommissie het bouwplan getoetst aan de welstandscriteria voor het gebied "Hagenbroek/Middenwetering" uit de welstandsnota van de gemeente Kampen. Het bouwplan is hiermee in strijd nu het niet voldoet aan het daarin genoemde criterium dat een nieuw bouwvolume een heldere hoofdvorm dient te hebben, in aansluiting op de belendingen, aldus de welstandscommissie.

De rechtbank heeft in het door [appellante] in beroep aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het welstandsadvies van 24 maart 2010 naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college deze niet aan zijn beslissing op bezwaar ten grondslag heeft mogen leggen. Nu [appellante] geen deskundigenrapport heeft overgelegd, heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat het college in dit geval mocht uitgaan van dit welstandsadvies.

Het betoog faalt.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet van het negatieve welstandsadvies af te wijken. Daartoe voert zij aan dat een eerder ingediende aanvraag om bouwvergunning op het gemeentehuis is zoekgeraakt en dat zij om die reden een nieuwe bouwaanvraag heeft ingediend. Voorts stelt zij dat het college het vertrouwen heeft gewekt dat op grond van de medische situatie van haar kind van het advies zou worden afgeweken.

2.4.1. Het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel faalt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college zou afwijken van het negatieve welstandsadvies en bouwvergunning zou worden verleend. Het feit dat het college bij de behandeling van het bezwaarschrift [appellante] in de gelegenheid heeft gesteld om een medische verklaring over te leggen, rechtvaardigt niet het vertrouwen dat overlegging van een dergelijke verklaring zonder meer zou leiden tot afwijking van het welstandadvies. Voorts blijkt uit de doktersverklaring van 9 februari 2011 slechts dat de zoon van [appellante] behoefte heeft aan een eigen kamer met veel lichtinval. Hieruit volgt niet dat dakkapellen in de omvang zoals aangevraagd medisch noodzakelijk zijn. Nu [appellante] evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat een eerder door haar ingediende identieke aanvraag om bouwvergunning op het gemeentehuis is zoekgeraakt, bestaat ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het college behoorde af te wijken van het negatieve welstandsadvies.

2.5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college met de weigering bouwvergunning te verlenen het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Daartoe stelt zij dat in de door haar voorgedragen gevallen misschien geen bouwvergunning is verleend, maar dat deze wel worden gedoogd, zodat derhalve uitzonderingen door het college zijn toegestaan.

2.5.1. Het college heeft ten aanzien van de door [appellante] aangevoerde gevallen aangegeven dat ofwel een tijdelijke ontheffing is verleend, waarbij niet aan de redelijke eisen van welstand wordt getoetst, ofwel een ander welstandsregime van toepassing is. Niet is gebleken dat het college voor een dergelijk situatie als die van [appellante] in afwijking van een negatief welstandsadvies bouwvergunning heeft verleend, noch dat het dergelijke situaties gedoogt. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012

17-713.