Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV8029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2012
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
201201056/2/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201056/2/V6.

Datum uitspraak: 27 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister),

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 december 2011 in zaak nr. 11/1152 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van [verzoeker] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 20 april 2011 heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 april 2011 vernietigd, het besluit van 10 november 2010 herroepen en bepaald dat de minister er zorg voor dient te dragen dat zo spoedig mogelijk aan [verzoeker] het Nederlanderschap wordt verleend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2012, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft de minister de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. C.J. Ullersma, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep aan de aldus bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te geven.

2.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter valt niet op voorhand uit te sluiten dat de uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Voorts is de minister, indien het verzoek niet wordt toegewezen, gehouden er zorg voor te dragen dat aan [verzoeker] het Nederlanderschap wordt verleend. De gevolgen daarvan, zoals het verkrijgen van het actief en passief kiesrecht, het verstrekken van een paspoort, de registratie in de gemeentelijke basisadministratie en de verantwoordelijkheid van de minister voor het verblijf van [verzoeker] in het buitenland, zullen bezwaarlijk zijn te redresseren.

[verzoeker] heeft ter zitting aangevoerd er belang bij te hebben dat de minister uitvoering geeft aan de aangevallen uitspraak voordat op het hoger beroep is beslist, omdat de onzekerheid over het Nederlanderschap voor veel spanning zorgt bij hem en zijn gezin. De voorzitter acht dit belang, in het licht van het hiervoor overwogene, niet van zodanig gewicht, dat dit noopt tot het spoedig gevolg geven aan de aangevallen uitspraak. De voorzitter overweegt voorts dat deze voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent voor de beoordeling van de door [verzoeker] betrokken stelling, dat de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel niet is aan te merken als een sanctie in de zin van de toelichting op de Rijkswet op het Nederlanderschap. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Groenendijk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012

164.