Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201106736/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning [locatie] te [plaats] als burgerwoning.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/488
JB 2012/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106736/1/A1.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Grave,

2. de erven van [appellant sub 2], allen wonend te [woonplaats], gemeente Grave,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 mei 2011 in zaak nr. 10/1615 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te [plaats],

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2009 heeft het college naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning [locatie] te [plaats] als burgerwoning.

Bij besluit van 7 april 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 april 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 18 juli 2011.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [wederpartij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.G. Schlosser, werkzaam bij de gemeente, de erven van [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. B. de Jong, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het bedrijfsperceel van [wederpartij] rust ingevolge het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 1998" de bestemming "Agrarisch bouwblok". Er is slechts één agrarische bedrijfswoning toegestaan. Het bedrijfsperceel is met een koppelteken verbonden aan het perceel en de woning [locatie] (hierna: de woning). De woning is in 1993 door de rechtsvoorganger van [wederpartij], [Handelsonderneming en Tuinderij], verkocht aan [appellant sub 2].

2.2. Vast staat dat [appellant sub 2] de agrarische bedrijfswoning in strijd met het bestemmingsplan als burgerwoning gebruikte en dat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. De erven en het college betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het college er toe noopten van handhavend optreden af te zien. Volgens hen is sprake van misbruik van recht, dan wel van een oneigenlijk gebruik van het verzoek om handhaving. De erven voeren daartoe aan dat, gelet op de familierelatie tussen de vertegenwoordigers van [wederpartij] en de verkoper van de woning aan [appellant sub 2], door middel van het verzoek om handhaving via een oneigenlijke manier de verkoop van de woning aan [wederpartij] afgedwongen wordt, aangezien dit vanwege de koppeling van de woning aan het bedrijfsperceel van [wederpartij] de enige optie is, indien handhavend wordt opgetreden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek om handhaving oneigenlijk is gebruikt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat een algemeen belang in het geding is en het verzoek slechts dient ten behoeve van de zakelijke belangen van [wederpartij]. Handhavend optreden is voorts volgens het college en de erven, gelet op het ontbreken van een algemeen belang, de zakelijke belangen van [wederpartij] en de nauwe relatie tussen de verkoper van de woning aan [appellant sub 2] en [wederpartij], dermate onevenredig dat daarvan dient te worden afgezien. De erven wijzen voorts op toekomstige ontwikkelingen in de wetgeving ten aanzien van zogenoemde "plattelandswoningen".

2.4.1. Voor het oordeel dat sprake is van misbruik van recht of van oneigenlijk gebruik van het verzoek om handhaving bestaat geen aanleiding.

Het algemeen belang is gediend bij het beëindigen van de overtreding en het handhaven van het bestemmingsplan. Het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van de woning als burgerwoning is bovendien geen overtreding van zeer geringe aard en ernst. Het college was derhalve, los van het verzoek om handhaving van [wederpartij], niet alleen bevoegd, maar gelet op het algemeen belang in beginsel ook verplicht om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning door [appellant sub 2]. De achtergrond van het verzoek om handhaving van [wederpartij] noch de relatie tussen haar en haar rechtsvoorganger bieden grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van misbruik van recht of oneigenlijk gebruik van het verzoek om handhaving. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat de belangen van [wederpartij] bij handhavend optreden in de in het kader van de handhavingsprocedure te maken belangenafweging geen rol zouden mogen spelen. Vast staat dat [wederpartij], gelet op de woning, geen nieuwe bedrijfswoning ten behoeve van haar bedrijf kan oprichten, terwijl de woning door handhavend optreden beschikbaar zou kunnen komen ter verwerving door haar. De omstandigheden dat, zoals het college aanvoert, [wederpartij] het bedrijf van haar rechtsvoorganger heeft overgenomen in de wetenschap dat de bedrijfswoning aan [appellant sub 2] was verkocht, dat [wederpartij] niet bereid zou zijn mee te werken aan een partiële herziening van het bestemmingsplan, waarbij aan het perceel waarop de woning van [appellant sub 2] staat een woonbestemming zou worden toegekend, en dat, zoals de erven aanvoeren, het gebruik van de woning als burgerwoning geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van [wederpartij], brengen, wat daar verder van zij, niet met zich dat aan de belangen van [wederpartij] geen gewicht toekomt en doen voorts niet af aan het algemene belang bij handhaving.

Het algemene belang en de belangen van [wederpartij] bij handhavend optreden tegen de overtreding dienen afgewogen te worden tegen het belang van [appellant sub 2], waarbij het algemene belang bij handhavend optreden vooropgesteld dient te worden. De omstandigheid dat [appellant sub 2] jarenlang in de woning heeft kunnen wonen zonder dat daartegen handhavend werd opgetreden en zonder dat [wederpartij] of haar rechtsvoorganger een verzoek om handhaving indienden, biedt geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [appellant sub 2], zoals ter zitting is bevestigd, bij de koop van de woning wist dat het om een agrarische bedrijfswoning ging. Voor zover ter zitting door de erven is betoogd dat de gemeente toegezegd zou hebben zich in te zetten voor de omzetting van de woning naar een burgerwoning kan daaraan, wat daar verder van zij, niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat nimmer handhavend zal worden opgetreden tegen het gebruik van de woning als burgerwoning.

Voor zover de erven wijzen op toekomstige ontwikkelingen in de wetgeving ten aanzien van zogenoemde plattelandswoningen, wordt overwogen dat, wat daar verder van zij, hieruit geen concreet zicht op legalisatie kan worden afgeleid, reeds omdat geen sprake is van een wetsvoorstel dat de legalisatie van het gebruik van de onderhavige woning als burgerwoning mogelijk maakt.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het college er toe noopten van handhavend optreden af te zien.

Het betoog faalt.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Op 23 augustus 2011 heeft het college, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist en dit bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, lettend op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

2.7. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uitzonderingen mogelijk zijn op de regel dat het algemeen belang in zijn algemeenheid is gediend met naleving van de door de overheid gestelde regels. Volgens het college levert het "dwingen" van de overheid om de op haar rustende beginselverplichting tot handhaving te gebruiken uitsluitend ter verwezenlijking van een privébelang, zoals in het onderhavige geval, misbruik van recht op en daarmee een uitzondering als hiervoor bedoeld. Het algemeen belang is er volgens het college mee gediend dat er voor de gerezen problemen een bevredigende oplossing wordt gevonden. Dat er geen oplossing is gevonden, is volgens hem uitsluitend te wijten aan de opstelling van [wederpartij]. Het college acht het nu niet opportuun om handhavend op te treden tegen het gebruik van de woning, omdat het voornemen bestaat om de bestemming die op het perceel [locatie] rust te wijzigen waardoor de woning als burgerwoning kan worden gebruikt. Het college kent het belang van [appellant sub 2] om de uitkomst van de lopende bestemmingsplanprocedure af te wachten een zwaarder gewicht toe dan het belang bij naleving van het geldende bestemmingsplan.

2.8. [wederpartij] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het van handhavend optreden dient af te zien.

2.8.1. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4.1. volgt dat het college niet wordt gevolgd in zijn standpunten dat sprake is van misbruik van recht en dat handhavend optreden zodanig onevenredig is dat daarvan dient te worden afgezien.

Voor zover het college heeft verwezen naar de lopende bestemmingsplanprocedure, wordt voorts overwogen dat hieruit geen concreet zicht op legalisatie volgt. Voor een concreet zicht op legalisatie is ten minste vereist dat een ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Vast staat dat ten tijde van het besluit van 23 augustus 2011 geen ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage was gelegd of lag.

Het betoog slaagt.

2.9. Het beroep tegen het besluit van 23 augustus 2011 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.

2.10. Het college dient ten aanzien van [wederpartij] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 23 augustus 2011 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Grave van 23 augustus 2011, kenmerk R&W/AS/2011-2568;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Grave tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 915,71 (zegge: negenhonderdvijftien euro en eenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

580.