Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201006768/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterfront-Zuid Boulevard-West" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2934
JBO 2012/17 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2012/694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006768/1/R2.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Harderwijk,

en

de raad van de gemeente Harderwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Waterfront-Zuid Boulevard-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2012, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Oosterkamp, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet onder meer in de aanleg van een strandeiland, een versmalling van de boulevard en de aanleg van een haven voor recreatievaart.

2.2. [appellant] betoogt dat in de aan het plan ten grondslag gelegde rapporten onvoldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van asbest en chloorkoolwaterstoffen op de in het water levende vissen, nu door de ontwikkeling van het plan deze stoffen in het oppervlaktewater terecht zouden kunnen komen. Hij voert aan dat onvoldoende zeker is dat vissen, in het bijzonder paling, niet in contact zullen komen met deze stoffen. Hij betoogt dat hierdoor twijfel zou kunnen ontstaan over de gezondheidseffecten van de consumptie van paling.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in de grond aanwezige verontreinigingen met asbest en chloorkoolwaterstoffen niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan en voorts dat het plan geen risico's met zich brengt voor de consumptie van paling. De raad wijst hierbij op de notitie "risicobeoordeling paling" van 15 april 2010 van het adviesbureau Tauw. Verder stelt de raad dat het project Waterfront, waarvan dit plan deel uitmaakt, leidt tot de verplichting om een omvangrijke asbestsanering uit te voeren en tot de verplichting om te voorkomen dat de aanwezige chloorkoolwaterstofverontreiniging zich door ingrepen in het plangebied verder kan verspreiden.

2.2.2. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.2.3. De raad heeft aan het plan het onderzoek "Milieueffectrapport Waterfront Harderwijk" van 12 januari 2010 van adviesbureau Tauw (hierna: het MER) ten grondslag gelegd. In het MER is onderzoek gedaan naar de effecten van asbest en chloorwaterstoffen. Uit dit onderzoek volgt dat de in de bodem aanwezige verontreinigingen met asbest en chloorkoolwaterstoffen niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan indien sanering en monitoring plaatsvindt. Deze conclusie wordt voorts onderschreven door het onderzoek als opgenomen in de notitie "risicobeoordeling paling" van 15 april 2010 van adviesbureau Tauw. Uit dit onderzoek volgt dat geborgd is dat vissen als gevolg van het plan geen negatieve effecten zullen ondervinden van de verontreinigingen met asbest en chloorkoolwaterstoffen.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de juistheid van het bodemonderzoek zoals opgenomen in het MER en in de notitie getwijfeld moet worden. Evenmin is anderszins gebleken dat het MER en de notitie dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertonen dat de raad zich daar niet op had mogen baseren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de bodemgesteldheid aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep van [appellant] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

12-674.