Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7254

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201104750/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BP8564, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2009 heeft het college [appellant sub 1] een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2008 tot de dag van uitbetaling, ter tegemoetkoming in planschade toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 6.1
Wet ruimtelijke ordening 6.2
Wet ruimtelijke ordening 6.3
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening 9.1.18
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2012/62 met annotatie van J.W. van Zundert
O&A 2012/37
O&A 2012/89 met annotatie van B.P.M. van Ravels
AB 2013/78 met annotatie van M.K.G. Tjepkema
TBR 2012/90
JG 2012/29 met annotatie van mw. mr. T. ten Have
JOM 2012/352
JOM 2012/486
JB 2012/90 met annotatie van T. Lam
OGR-Updates.nl 2012-0003 met annotatie van Berthy van den Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104750/1/A2.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg,

3. het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2011 in zaak nr. 10/2835 in het geding tussen:

[appellanten sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2009 heeft het college [appellant sub 1] een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2008 tot de dag van uitbetaling, ter tegemoetkoming in planschade toegekend.

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het college het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2011, verzonden op 21 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de tegemoetkoming in planschade op een bedrag van € 3.000,00 vastgesteld en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2011, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 20 mei 2011. [appellanten sub 2] hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 30 mei 2011.

[appellanten sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2011, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.W.H.M. van Iersel, juridisch adviseur te Zeist, [appellant sub 2A] in persoon, bijgestaan door mr. A. van Diermen, juridisch adviseur te Ede, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.L. van de Wiel, werkzaam bij de gemeente Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval voor rekening van de aanvrager: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade.

Ingevolge artikel 6.3 betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval:

a. de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak;

b. de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Ingevolge het tweede lid geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wro tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

2.2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

2.3. Op 21 februari 1985 heeft [appellant sub 1] de eigendom verkregen van de tussenwoning (hierna: de woning) met bijbehorend perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te Berkel-Enschot en kadastraal bekend gemeente Berkel, sectie A, nr. 1999.

2.4. Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college [appellant sub 2A] ten behoeve van de bouw van een vrijstaande woning met garage/berging (hierna: het object) op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 2] te Berkel-Enschot en kadastraal bekend gemeente Berkel, sectie A, nr. 4301, (hierna: het perceel) met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van de bepalingen van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen.

Aan de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade heeft [appellant sub 1] ten grondslag gelegd dat de bouw van het object op het aan de achterzijde van de woning gelegen perceel ertoe heeft geleid dat de situeringswaarde van de woning is gedaald en dat haar woongenot door het verlies aan privacy, uitzicht en zonlichttoetreding is afgenomen.

2.5. Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van september 2009 heeft de SAOZ uiteengezet dat het uitzicht van [appellant sub 1] in westelijke richting, vergeleken met de vroegere bebouwingsmogelijkheden, door de bouw van het object op een afstand van ongeveer 19 m van de woning is verslechterd, maar dat de situeringswaarde van de woning daardoor niet is gedaald, gezien de situering van verschillende bestaande woningen in de directe omgeving van de woning. Voorts is in dat advies uiteengezet dat de gebruiksmogelijkheden van het perceel zijn gewijzigd en dat de toegenomen gebruiksintensiteit, vergeleken met de oude planologische situatie, zal leiden tot een grotere belasting voor de directe omgeving als gevolg van een extra aantasting van de privacy in de woning en achtertuin van [appellant sub 1] en andere vormen van aan het permanent woongebruik gerelateerde hinder, zoals geluidsoverlast. Volgens de SAOZ heeft het besluit van 9 juni 2008 ertoe geleid dat [appellant sub 1] in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat de waarde van de woning ten tijde van de inwerkingtreding van dat besluit van een bedrag in de orde van grootte van € 242.000,00 naar een bedrag in de orde van grootte van € 236.000,00 is gedaald.

Het college heeft het advies van de SAOZ van september 2009 aan het besluit van 25 november 2009 ten grondslag gelegd.

2.6. Het college heeft naar aanleiding van het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar nader advies aan de SAOZ gevraagd. In een aanvullend advies van 29 maart 2010 heeft de SAOZ vermeld dat de schade niet voorzienbaar was en dat, nu artikel 6.2 van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, niet is onderzocht of de schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. Wat betreft de gestelde verslechtering van het uitzicht is hierin voorts uiteengezet dat krachtens het bestemmingsplan weliswaar ten westen van de woning vrijstaande bijgebouwen met een goothoogte van 3,3 m en een oppervlakte van 50 m² mochten worden opgericht en de omvang van dergelijke bijgebouwen een bijbehorende kapconstructie mogelijk maakt, maar de nokhoogte daarvan niet onbeperkt is en het door het besluit van 9 juni 2008 te realiseren object een grotere hoogte en bebouwingsmassa heeft, zodat niet kan worden gezegd dat het object het uitzicht in westelijke richting niet verder beperkt dan onder het oude planologische regime mogelijk was. Wat betreft de gestelde toename van de gebruiksintensiteit door een permanent gebruik voor wonen is hierin voorts benadrukt dat de geluidshinder volgens vaste jurisprudentie grond voor planschadevergoeding kan zijn.

Het college heeft het aanvullend advies van de SAOZ van 29 maart 2010 aan het besluit van 31 mei 2010 ten grondslag gelegd.

2.7. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 9 juni 2008 slechts tot toename van de gebruiksintensiteit door permanent gebruik voor wonen heeft geleid en niet tot verslechtering van het uitzicht. Zij heeft daarin, zelf in de zaak voorziend, aanleiding gezien de door het college aan [appellant sub 1] toegekende tegemoetkoming in planschade te halveren.

2.8. [appellanten sub 2] betogen allereerst dat [appellant sub 1] geen belang bij haar hoger beroep heeft en dat dit derhalve niet-ontvankelijk is. Daartoe voeren zij aan dat het belang van [appellant sub 1] parallel loopt aan dat van het college en dat haar belang door het college zal worden behartigd. Voorts voeren zij aan dat niet vaststaat dat het college de helft van het aanvankelijk aan [appellant sub 1] toegekende bedrag van haar zal terugvorderen.

2.8.1. Dit betoog faalt. Dat het college hoger beroep heeft ingesteld en daarbij opkomt voor een belang dat parallel aan dat van [appellant sub 1] is, laat onverlet dat zij, los van het college, een eigen belang heeft dat rechtstreeks bij de aangevallen uitspraak betrokken is. Die uitspraak brengt met zich dat het college bevoegd is om de helft van de aan [appellant sub 1] toegekende tegemoetkoming in planschade als zijnde onverschuldigd betaald van haar terug te vorderen.

2.9. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is, zodat eventuele binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor haar rekening blijft. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank aldus de betekenis van het overgangsrecht van artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, heeft miskend.

2.9.1. Dit overgangsrecht, dat ziet op aanvragen om vergoeding van planschade als gevolg van planologische wijzigingen die vóór 1 september 2005 onherroepelijk zijn geworden, is hier niet van toepassing.

Omdat het besluit dat de door [appellant sub 1] gestelde schade zou hebben veroorzaakt in de periode tussen 1 september 2005 en 1 juli 2008 in werking is getreden en de aanvraag om tegemoetkoming in planschade in de periode tussen 1 juli 2008 en 1 september 2010 is ingediend, brengt artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening met zich dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro op de aanvraag van toepassing is. Derhalve blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van [appellant sub 1]. Dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro niet op de aanvraag van toepassing is, doet daaraan niet af.

Het betoog faalt.

2.10. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het voor [appellant sub 1] ten tijde van de aankoop van de woning niet voorzienbaar was dat het college vrijstelling van de bepalingen van het bestemmingsplan zou verlenen om het oprichten van een vrijstaande woning met garage/berging in twee achtertuinen mogelijk te maken. Daartoe voeren zij aan dat inbreiding was te verwachten, ook gezien de situering van het perceel in een bestaande woonkern en het feit dat destijds in de gemeentelijke huisnummering ruimte voor zelfstandige woningbouw ter plaatse was gereserveerd.

2.10.1. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, is de planschade voorzienbaar en blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling actief te hebben aanvaard. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is vereist dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt, niet dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

2.10.2. [appellant sub 1] is sinds 21 februari 1985 eigenaar van de woning. Niet in geschil is dat ten tijde van de aankoop ervan geen concreet beleidsvoornemen, als hiervoor bedoeld, ter openbare kennis was gebracht. Wat betreft de door [appellanten sub 2] vermelde kenmerken van het perceel is van belang dat voor voorzienbaarheid van planschade meer is vereist dan dat de planologische ontwikkeling niet onwaarschijnlijk was en belemmerende omstandigheden daarvoor ontbraken. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de door [appellant sub 1] gestelde schade voor haar voorzienbaar was.

Het betoog faalt.

2.11. [appellanten sub 2] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de schade niet tot het normale maatschappelijke risico behoort, omdat vrijstelling van de bepalingen van een bestemmingsplan om het oprichten van een vrijstaande woning met garage in twee achtertuinen mogelijk te maken, niet kan worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling, die voor rekening van [appellant sub 1] blijft. Daartoe voeren zij onder meer aan dat gelet op de structuur en het karakter van de omgeving ter plaatse sprake is van een centrumgebied waar bebouwing kan worden verwacht en dat uitzichtschade in een bestaande woonkern tot het normale maatschappelijke risico behoort.

2.11.1. De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normale maatschappelijke risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de benadeelde rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Omstandigheden die in acht worden genomen zijn verder de aard van de maatregel en de aard en de omvang van het daardoor veroorzaakte nadeel.

2.11.2. In de in zoverre niet bestreden ruimtelijke onderbouwing, behorende bij het besluit van 9 juni 2008, is vermeld dat in de directe omgeving van de bouwlocatie uitsluitend sprake is van percelen met een woonbestemming, dat het bouwplan zich goed voegt in het karakter van de buurt, dat de locatie tot het (centrum)dorpse woonmilieu behoort, dat de conclusie is dat de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie en dat het bouwplan in overeenstemming is met het ruimtelijke beleid van de gemeente.

Gezien voorts de afmetingen van het object, de onder de ter plaatse geldende bestemmingsplannen reeds bestaande bouwmogelijkheden en de afstand tot de woning, zal ter plaatse geen grote aantasting van de bestaande stedenbouwkundige structuur en van het woonklimaat plaatsvinden. Daarnaast is inbreiding van woningen in een bestaande woonkern een normale maatschappelijke ontwikkeling.

Onder deze omstandigheden lag de planologische wijziging in de lijn der verwachtingen. Daarbij komt dat de gestelde schade, gezien de door de SAOZ verrichte taxatie, relatief gering van omvang is. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.12. Het hoger beroep van [appellanten sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellanten sub 2] tegen het besluit van het college van 31 mei 2010 ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 6:2, eerste lid, van de Wro vernietigen, omdat het college in dat besluit niet heeft onderkend dat de door [appellant sub 1] gestelde schade binnen het normale maatschappelijke risico valt en voor haar rekening blijft. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.13. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] geen belang bij beoordeling van de overige door haar aangevoerde gronden en heeft het college geen belang bij hetgeen door hem in hoger beroep is aangevoerd.

Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk.

2.14. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2011 in zaak nr. 10/2835;

III. verklaart het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 29 april 2010, kenmerk BZR.10.0011.001;

V. verklaart het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gemaakte bezwaar gegrond;

VI. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 25 november 2009, kenmerk PU10331883 WB;

VII. wijst het verzoek van [appellant sub 1] om een tegemoetkoming in planschade af;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IX. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

X. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg niet-ontvankelijk;

XI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.185,00 (zegge: eenentwintighonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 377,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

452.