Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7246

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201104144/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BP7273, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BP7276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van het dak en de veranda van het pand op het perceel [locatie] te Helvoirt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104144/1/A1.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 november 2010 en 3 maart 2011 in zaak nr. 08/3063 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij])

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van het dak en de veranda van het pand op het perceel [locatie] te Helvoirt.

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar, onder verbetering van de gronden waarop het berust, ongegrond verklaard en het besluit van 4 maart 2008 in stand gelaten.

Bij tussenuitspraak van 22 november 2010, verzonden op 25 november 2010, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de door de rechtbank geconstateerde gebreken in dat besluit te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 4 maart 2008 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 3 maart 2011, verzonden op 8 maart 2011, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 8 juli 2008 en 18 januari 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak van 22 november 2010 en deze uitspraak is overwogen en bepaald dat voorbereiding van het nieuwe besluit niet overeenkomstig de eisen als bedoeld in artikel 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hoeft te geschieden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2011, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 10 mei 2011, verzonden op 23 mei 2011, heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 4 maart 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en alsnog vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend.

Bij brief van 15 augustus 2011 heeft de rechtbank het door [wederpartij] bij brief van 29 juni 2011 tegen het besluit van 10 mei 2011 ingestelde beroep doorgezonden aan de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door S. Verouden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het inmiddels gerealiseerde bouwplan voorziet in het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van het dak van de recreatiewoning, het plaatsen van een veranda en het plaatsen van een dakkapel.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1994" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden W(d)".

Ingevolge artikel 32, tweede lid, onder f, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd c.q. aanwezig zijn, gebouwen ten dienste van woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits de goothoogte daarvan niet meer bedraagt dan 3,5 m en de nokhoogte maximaal 5,0 m is.

Ingevolge artikel 46, aanhef en eerste lid, onder a, kan het college vrijstelling verlenen van de maximale en minimale hoogte-, breedte- en oppervlaktematen voor bebouwing, mits de afwijking van enige maat ten hoogte 10% bedraagt.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, mag een bouwwerk, dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van dit plan bestond of in uitvoering was, dan wel is of kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag voor dat tijdstip is ingediend, en dat afwijkt van het in dit plan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft;

2. (…)

3. met niet meer dan 15% van de oppervlakte van het in de aanhef bedoelde bouwwerk worden uitgebreid, met inachtneming van de grenzen welke ten aanzien van het bouwen ter plaatse bij het plan zijn bepaald.

2.3. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de in artikel 32, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen bebouwingsvoorschriften van het bestemmingsplan, omdat - voor zover hier van belang - de maximaal toegestane nokhoogte wordt overschreden. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 8 juli 2008 op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de maximaal toegestane nokhoogte onder de beschermende werking van het in artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde bouwovergangsrecht valt, zodat op grond hiervan bouwvergunning kan worden verleend voor het bouwplan. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op de uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2007 (06/3757 en 07/1483).

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het besluit van 8 juli 2008 berust op een onjuiste toepassing van artikel 57, eerste lid, van de planvoorschriften en het bouwovergangsrecht geen grondslag kan vormen voor verlening van de gevraagde bouwvergunning. Bij tussenuitspraak van 22 november 2011 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de aan het besluit van 8 juli 2008 klevende gebreken te herstellen, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat het college in dat kader in elk geval dient te bezien of ten behoeve van het bouwplan vrijstelling kan worden verleend krachtens artikel 19 van de WRO. Omdat het college zich in het besluit van 18 januari 2011 op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied", maar dit bestemmingsplan ten tijde van het nemen van het besluit als gevolg van de uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 25 januari 2010 in zaak nr. 200907076/2/R3 voor het perceel nog niet in werking was getreden, heeft de rechtbank overwogen dat de aan het besluit van 8 juli 2008 klevende gebreken onverminderd aanwezig zijn.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de beoordeling van de bouwaanvraag niet gebonden is aan hetgeen de rechtbank in voormelde uitspraak van 26 juni 2007 op dit punt heeft overwogen. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat deze uitspraak formele rechtskracht heeft gekregen, zodat de toepasselijkheid van het bouwovergangsrecht op het bouwplan in deze procedure niet meer ter discussie kan worden gesteld.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbankuitspraak van 26 juni 2007 heeft gezag van gewijsde gekregen voor zover het betreft het in die uitspraak beslechte geschil over het besluit van 10 november 2006, waarbij het college heeft geweigerd handhavend op te treden tegen het toen nog zonder bouwvergunning gerealiseerde bouwplan. In de thans aan de orde zijnde procedure is een besluit tot verlening van bouwvergunning in geschil en de rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de rechtskracht van de uitspraak van 26 juni 2007 zich niet tot dit geschil uitstrekt. Voor de toetsing van het bouwplan in het kader van de bouwaanvraag is het college derhalve niet gebonden aan het eerdere oordeel van de rechtbank in een handhavingsgeschil omtrent de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

2.7. Bij het besluit van 10 mei 2011, voor zover hier van belang, heeft het college vrijstelling krachtens artikel 46, aanhef en eerste lid, onder a, van de planvoorschriften verleend om overschrijding van de maximaal toegestane nokhoogte mogelijk te maken.

2.8. [wederpartij] keert zich in het beroepschrift tegen dit besluit van het college.

2.9. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. In het bestemmingsplan "Buitengebied", dat onherroepelijk is geworden met de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2011, in zaak nr. 200907076/1/R3, wordt voorzien in ruimere bouwmogelijkheden voor burgerwoningen in het buitengebied. Realisering van het bouwplan is, naar niet in geschil is, niet in strijd met dit bestemmingsplan. Indien derhalve het tegen het besluit van 10 mei 2011 gerichte beroep van [wederpartij] zou leiden tot vernietiging van dat besluit, zou het college een nieuw besluit moeten nemen, waarbij het bouwplan aan het bestemmingsplan "Buitengebied" moet worden getoetst. Aangezien dat daarmee in overeenstemming is, zou verlening van vrijstelling van het bestemmingsplan niet nodig zijn. Hieruit volgt dat [wederpartij] geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de bij besluit van 10 mei 2011 verleende vrijstelling. Gelet hierop is het beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaren van 10 mei 2011, kenmerk UIT2011/2697/RS, niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

604.