Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201107766/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ8959, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2010 heeft het college aan Schiphol vergunning verleend voor de aanleg van geluidreducerende ribbels op de kadastrale percelen […] (ged.) en […] (ged.) te Haarlemmermeer (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107766/1/A1.

Datum uitspraak: 29 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

2. Schiphol Nederland B.V., gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2011 in zaken nrs. AWB 11/2330 en AWB 11/1609 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2010 heeft het college aan Schiphol vergunning verleend voor de aanleg van geluidreducerende ribbels op de kadastrale percelen […] (ged.) en […] (ged.) te Haarlemmermeer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover ingesteld door [partijen], niet-ontvankelijk verklaard, dit bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 17 september 2010 onder verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 februari 2011 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2011, en Schiphol bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college, Schiphol en [wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Dijk, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, Schiphol, vertegenwoordigd door F. Schenk en bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden] en [wederpartijen], bijgestaan door mr. J. van den Burg, advocaat te Leiden, en [belanghebbende], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De voorziene geluidreducerende ribbels hebben een hoogte van 1,5 m boven maaiveld en een diepte van 1,5 m onder maaiveld, met een afstand van 10 m tussen de toppen van de ribbels en met een breedte van 60 m over de gehele lengte van het perceel.

Het aanleggen van de ribbels heeft ten doel om geluidoverlast als gevolg van het starten en landen van vliegverkeer op de Polderbaan te beperken.

2.2. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte alle appellanten als belanghebbenden heeft aangemerkt. Volgens het college wonen niet alle appellanten in de directe omgeving van de percelen waar de ribbels worden aangelegd en ondervinden zij hierdoor geen zodanig effect op hun leefomgeving dat zij een onderscheidend belang hebben ten opzichte van de andere inwoners van de gemeente Haarlemmermeer. Om die reden zijn [partijen] in bezwaar door het college niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2. [partijen] zijn allen woonachtig dan wel gevestigd op een zodanige afstand van de voorziene ribbels dat, gelet op de beperkte ruimtelijke uitstraling van de ribbels, niet aannemelijk is dat die van invloed zijn op hun woon- en leefomgeving of hun bedrijfsvoering. Derhalve zijn zij niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank het beroep van [wederpartijen], voor zover ingesteld door [aprtijen], ten onrechte gegrond heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

2.3. Het college en Schiphol betogen dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat uitsluitend het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling" het toetsingskader vormt voor het besluit tot verlening van de aanlegvergunning en niet het "Bestemmingsplan Schiphol West e.o.". Hiertoe betogen zij dat het relevante aanlegvergunningenstelsel in het eerstgenoemde bestemmingsplan is opgenomen en dat, gelet op het limitatieve en imperatieve toetsingskader van een aanlegvergunningenstelsel, deze vergunning alleen kan worden geweigerd als een van de daarin opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Volgens hen is de aanlegvergunning niet met dit plan in strijd en heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de aanlegvergunning moest worden verleend.

Voorts betogen het college en Schiphol dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het verlenen van de aanlegvergunning niet met het "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o." in strijd is. Daartoe betogen zij dat de te realiseren ribbels passen binnen artikel 14, eerste en tweede lid, onder d, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, omdat de ribbels ten doel hebben de geluidbelasting van het vliegverkeer te reduceren en daarmee voorzieningen zijn ten behoeve en ten dienste van de luchtvaart. Dat in artikel 17 melding wordt gemaakt van geluidwerende voorzieningen, betekent volgens hen niet dat de voorziene ribbels niet zijn toegestaan op grond van artikel 14. Voorts zijn de ribbels volgens hen aan te merken als "groenvoorzieningen" dan wel als "andere voorziening" in de zin van het bestemmingsplan en is na het realiseren van de ribbels agrarisch gebruik van de betreffende gronden nog steeds mogelijk.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan om te voorkomen dat in een bestemmingsplan begrepen grond minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van de daaraan bij het plan te geven bestemming dan wel om een overeenkomstig het plan verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen, bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge het ter plaatse geldende "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o.", in samenhang gelezen met het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling", rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden II (AII)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o." zijn de op de kaart voor "Agrarische doeleinden II (AII)" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijvigheid, alsmede voor technische voorzieningen ten behoeve van de luchtvaart.

Ingevolge artikel 17, eerste en tweede lid, zijn op gronden met de bestemming "Luchtvaartdoeleinden I (LVI)" toegelaten:

(…)

e. geluidwerende voorzieningen;

(…).

Ingevolge artikel II, vijfde lid, van het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling" is in artikel VII een aanlegvergunningenstelsel opgenomen om ook ten aanzien van activiteiten die niet onder het begrip bouwwerk vallen de beperkingen op grond van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (hierna: LIB) door te laten werken.

Ingevolge artikel VII is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op de gronden aangegeven op plankaarten "Bouwhoogtebeperkingen", genummerd 1H tot en met 6H, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties op apparatuur;

b. het ophogen van gronden;

c. het beplanten met bomen, heesters, of andere opgaande begroeiing.

Ingevolge het derde lid zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 1 slechts toelaatbaar voor zover zij in overeenstemming zijn met de beperkingen op grond van het LIB.

2.3.2. Ingevolge artikel III, eerste lid, onder b, van het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling" worden de voorschriften van dat bestemmingsplan geacht onderdeel uit te maken en te zijn toegevoegd aan de voorschriften van de uitbreidingsplannen en bestemmingsplannen genoemd in bijlage 1. Het "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o." is opgenomen in bijlage 1 van dat plan, zodat de voorschriften van het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling", waaronder het aanlegvergunningstelsel uit artikel VII, onderdeel uitmaken van het ter plaatse geldende "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o.".

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2003 in zaak nr. 200302352/1) is een aanlegvergunningenstelsel in een bestemmingsplan er op gericht een verwerkelijkte bestemming te handhaven en te beschermen. Hiermee verdraagt zich niet dat voor aanlegwerkzaamheden waarvan bij voorbaat vaststaat dat deze in strijd zijn met de bestemming, een aanlegvergunning wordt verleend.

Gelet op het vorenstaande dient, anders dan het college en Schiphol betogen, bij het verlenen van de in geding zijnde aanlegvergunning niet exclusief te worden getoetst aan artikel VII, derde lid, van het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling", maar dient tevens te worden getoetst of de voorziene werkzaamheden niet in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming "Agrarische doeleinden II (AII)". De voorzieningenrechter is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt in zoverre.

2.3.4. Niet in geschil is dat het aanleggen van de ribbels niet in strijd is met het bepaalde in artikel VII, derde lid, van het "Paraplubestemmingsplan Luchthavenindeling". De voorzieningenrechter heeft evenwel ten onrechte geoordeeld dat de aan te leggen ribbels in strijd zijn met het bepaalde in artikel 14 van het "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o.". Die bepaling hoeft niet zo beperkend te worden gelezen, dat de aan te leggen ribbels niet als technische voorziening ten behoeve van de luchtvaart, als bedoeld in die bepaling, kunnen worden aangemerkt. Hiertoe is van belang dat het aanleggen van de ribbels ten doel heeft om overlast door grondlawaai als gevolg van het starten en landen van vliegverkeer op de Polderbaan te beperken. Aldus hangt de aanleg van de voorziene ribbels samen met het functioneren van de luchtvaart van en naar de luchthaven Schiphol. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, leidt de omstandigheid dat in artikel 17 van de planvoorschriften melding wordt gemaakt van geluidwerende voorzieningen er niet toe dat de aanleg van de voorziene ribbels op grond van artikel 14 van de planvoorschriften binnen de bestemming "Agrarische doeleinden II (AII)" niet is toegestaan.

Nu het aanleggen van de ribbels evenmin in strijd is met het "Bestemmingsplan Schiphol-West e.o.", heeft het college de aanlegvergunning terecht verleend. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend. Hetgeen Schiphol voor het overige heeft betoogd behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking.

Het betoog slaagt.

2.4. De hoger beroepen zijn gegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van het college van 10 februari 2011 alsnog ongegrond verklaren.

Nu de hoger beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding te bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan Schiphol het door haar betaalde griffierecht terugbetaalt. Van het college wordt geen griffierecht geheven.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 8 juni 2011 in zaak nr. AWB 11/1609;

III. verklaart het door [wederpartijen] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schiphol Nederland B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012

407-651.