Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV7232

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
29-02-2012
Zaaknummer
201113134/1/R1 en 201113134/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113134/1/R1 en 201113134/2/R1.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Gennep,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gennep,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 december 2011, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. van Hoorne, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door F.J.S. van Driel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Het plan voorziet in de bouw van een woning op het perceel [locatie] in [plaats].

2.3. [appellant] betoogt dat een advies van BRO over het bouwplan in strijd met artikel 3:11 van de Awb ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

2.3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met dien verstande dat in voormeld artikel enkele aanvullende voorschriften worden gegeven.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.2. Vaststaat dat het door [appellant] genoemde stuk niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

2.3.3. Het advies van BRO kan niet worden aangemerkt als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk, dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Hiertoe wordt overwogen dat dit advies niet is opgesteld in het kader van het voorliggende plan, maar - zoals [appellant] zelf aangeeft en ook in de plantoelichting staat - is opgesteld in het kader van het bouwplan.

2.4. [appellant] betoogt verder dat in de reactie op de zienswijze is verwezen naar de bijlage "reactie onderdeel natuurwetgeving zienswijze bestemming [locatie] te [plaats]" van 19 juli 2011, maar dat hij die reactie niet als bijlage bij de zienswijzennota heeft aangetroffen.

2.4.1. Deze beroepsgrond - wat daarvan ook zij - heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds hierom de rechtmatigheid daarvan niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

2.5. [appellant] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Milsbeek 2002", mede gelet op het beleid dat daaraan ten grondslag lag, bewust de keuze heeft gemaakt om de bouw van een woning op het perceel [locatie] niet toe te staan. Niet is gebleken waarin de rechtvaardiging is gelegen dat de bouw van een woning in het thans voorliggende plan wel wordt toegestaan, aldus [appellant]. Verder wijst hij erop dat te veel gewicht is toegekend aan het gemeentelijk bundelingsbeleid, temeer nu voldoende andere inbreidingslocaties voorhanden zijn.

2.5.1. De raad stelt dat het gebied weliswaar wordt verdicht, maar dat de woning wordt gebouwd op een inbreidingslocatie die is gekozen in overeenstemming met het bundelingsbeleid als bedoeld in de Nota Ruimte van 2006 en het beleid in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 met de bijbehorende aanvulling van 2010 inhoudende dat nieuwe woningen door middel van inbreiding in bestaande kernen dienen te worden gerealiseerd. [appellant] heeft niet bestreden dat het perceel [locatie] is gelegen op een inbreidingslocatie. De raad heeft ter zitting voorts toegelicht dat het college van burgemeester en wethouders op 10 april 2007 beleid heeft vastgesteld inzake woningbouw op particuliere inbreidingslocaties die zijn gelegen binnen de rode contour, zoals het perceel [locatie]. Dit beleid wordt door de raad onderschreven. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat al het hiervoor genoemde beleid onvoldoende rechtvaardiging biedt voor de bouw van een woning op dit perceel. Met betrekking tot het betoog dat beter op een alternatieve locatie een woning kan worden gerealiseerd, wordt overwogen dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van die alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. In dit geval heeft de raad in redelijkheid alternatieve locaties kunnen afwijzen om de reden dat Thijssen, voor wie het plan beoogt in een woning te voorzien, niet elders gronden in eigendom heeft.

2.6. [appellant] voert aan dat niet kan worden voldaan aan de richtafstand in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) van 10 m die vanwege de aspecten geluid en gevaar moet worden aangehouden tussen een woning en een transformatorhuisje.

2.6.1. De voorzitter stelt voorop dat de richtafstanden in de VNG-brochure indicatief zijn en dat daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. De raad stelt met verwijzing naar het rapport "Akoestische rapportage betreffende de geluidsuitstraling van een transformatorhuisje op de locatie kruising Helweg - Langstraat te Gennep ten behoeve van een bouwplan op dezelfde locatie" van Abovo Acoustics van 17 februari 2009 dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning die op ongeveer 7 m afstand van het transformatorhuisje is voorzien, maximaal 28 dB(A) zal bedragen. [appellant] heeft dit niet bestreden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze geluidsbelasting niet zodanig is dat daardoor ter plaatse van de woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd.

In het akoestisch onderzoek staat verder dat de hier aan de orde zijnde transformator een vermogen heeft tot 0,1 MVA en dat deze derhalve, zo daarvan al sprake is, een zeer beperkte industriële belasting heeft. De raad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat dientengevolge geen sprake is van een onveilig woonklimaat op ongeveer 7 m afstand van het transformatorhuisje. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de raad in redelijkheid kunnen afwijken van de richtafstand van 10 m in de VNG-brochure waarbij is uitgegaan van een transformator met een vermogen tot 1 MVA.

2.7. [appellant] acht de bouw van een woning op het perceel niet passend in de omgeving die wordt gekenmerkt door veel ruimte en laagbouw. Verder vreest hij voor een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van een beperking van privacy en uitzicht ter plaatse van zijn woning aan de [locatie 2].

2.7.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "vrijstaand" en "bouwvlak" toegekend. Aan de westzijde van het bouwvlak is een gevellijn ingetekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor een vrijstaande woning ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand". Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, voor zover van belang, voldoen hoofdgebouwen aan de volgende kenmerken:

a. gebouwd binnen het bouwvlak;

[…];

c. de voorgevel wordt gebouwd op of in de gevellijn;

d. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is bij vrijstaande woningen aan beide zijden minimaal 4,5 m;

e. de woning wordt over een oppervlakte van ten minste 70% met een kap afgedekt, waarvan de dakhelling ten minste 20° en niet meer dan 45° bedraagt.

2.7.2. In de plantoelichting staat dat de nieuw te bouwen woning aan de Helweg zich bevindt in de bestaande bebouwingslijn. De raad heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels ertoe leidt dat de woning maximaal 9,5 m hoog mag worden en dat voor de omvang en uiterlijke kenmerken daarvan aansluiting is gezocht bij nabijgelegen woningen die met een kap zijn afgedekt. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woning in zoverre in de omgeving past. De enkele omstandigheid dat naast het perceel twee bungalows met een plat dak zijn gesitueerd, waaronder één op het perceel van [appellant], is hiervoor onvoldoende.

2.7.3. Voorts wordt overwogen dat niet valt uit te sluiten dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant] enigszins wordt aangetast nu het plan de bouw van een woning mogelijk maakt op een thans onbebouwd naastgelegen terrein. De raad heeft daaraan echter in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. Daarbij heeft hij van belang kunnen achten dat de afstand van de woning van [appellant] tot de voorziene woning met een maximale bouwhoogte van 9,5 m, ongeveer 11 m bedraagt en dat geen sprake is van een ongebruikelijke bouwmogelijkheid in een woonomgeving. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat geen garantie bestaat op een woonsituatie vrij van inkijk. Evenmin bestaat een blijvend recht op een vrij uitzicht. Met betrekking tot het aspect privacy wordt ook in aanmerking genomen dat de woning, gelet op de ligging van de voorgevel op of in de gevellijn, niet zal zijn gericht op de woning van [appellant].

2.8. [appellant] voert aan dat natuurwaarden als gevolg van het plan verloren gaan.

2.8.1. In de plantoelichting staat dat in het plangebied naar verwachting geen natuurwaarden voorkomen en dat, gelet op de ligging daarvan in woongebied, evenmin sprake is van negatieve invloeden op de natuurwaarden in nabijgelegen gebieden met natuurwaarden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan desondanks met zich brengt dat natuurwaarden verloren gaan.

2.9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

2.10. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

371-646.