Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201011564/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kleine kernen - Bergakker" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5231
ABkort 2012/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011564/1/R2.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Kapel Avezaath, gemeente Tiel,

2. [appellant sub 2], wonend te Kapel Avezaath, gemeente Tiel,

3. [appellante sub 3] en anderen, gevestigd te Kapel Avezaath, gemeente Tiel,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Kapel Avezaath, gemeente Tiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Kleine kernen - Bergakker" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, [appellante sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2010, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2011, waar [appellanten sub 1], in persoon, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, [appellante sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door A.M. van Laar, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.E.M. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actueel planologisch juridisch kader voor de bebouwingsconcentratie Bergakker. Het plan is grotendeels conserverend van aard en maakt in beperkte mate nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.2. [appellanten sub 1] betogen dat voor het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 943, in het plan ten onrechte een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarin wordt voorzien in de mogelijkheid een woning te realiseren. [appellanten sub 1] stellen zich op het standpunt dat de privaatrechtelijke situatie een belemmering vormt om op genoemd perceel een woning te realiseren, aangezien die woning niet naar de openbare weg ontsloten kan worden. Zij wijzen in dit verband op de bij notariële akte vastgelegde privaatrechtelijke afspraken met de eigenaren van het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 572, waarbij ten behoeve van de ontsluiting van dat perceel een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd op de thans bestaande uitweg over het perceel kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 571. Verder vrezen [appellanten sub 1] overlast ten gevolge van een ontsluiting van de met de wijzigingsbevoegdheid te realiseren woning op de thans bestaande uitweg, welk pad slechts 3 meter breed, onverhard en onverlicht is en waarop de mogelijkheid tot passeren ontbreekt, terwijl uit de planregels volgt dat bij de wijziging voor het bouwen van woningen ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Tenslotte betogen [appellanten sub 1] dat in reactie op hun zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ten onrechte is gesteld dat ook de gronden waarop de bestemming "Bedrijf" is toegekend in de toekomst bestemd zouden zijn voor woningbouw, omdat van de twee op deze gronden gevestigde bedrijven er inmiddels één toestemming heeft gekregen uit te breiden. De komst van woningen op deze locatie ligt derhalve niet voor de hand.

2.2.1. Blijkens de verbeelding is aan een gedeelte van het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 943, de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' toegekend.

Ingevolge artikel 7.6 van de planregels, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen voor het bouwen van maximaal twee vrijstaande woningen ter plaatse van deze aanduiding met dien verstande dat per aanduidingsvlak maximaal één vrijstaande woning is toegestaan en dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

2.2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat op het moment dat van de wijzigingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt, ook de ontsluiting van de te realiseren woning geregeld dient te zijn. Volgens de raad kan de noodzakelijke ontsluiting op meer manieren geschieden dan via de thans bestaande uitweg over het perceel kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 571, waarop de erfdienstbaarheid rust. Overigens kan volgens de raad de gevestigde erfdienstbaarheid zodanig worden gewijzigd, dat ook voor de te realiseren woning van de bestaande uitweg gebruik gemaakt kan worden.

2.2.3. De Afdeling stelt voorop dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan privaatrechtelijke verhoudingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet van doorslaggevende betekenis zijn. Slechts indien deze van een zodanige aard zijn dat daarmee de realisering van het bestemmingsplan binnen de planperiode niet aannemelijk is, kan hieraan betekenis toekomen. Uit de verbeelding, zoals deze ter zitting nader is toegelicht, blijkt dat de meest voor de hand liggende ontsluiting voor de met de wijzigingsbevoegdheid te realiseren woning op het perceel sectie N, nummer 943, naar de openbare weg de bestaande uitweg over het perceel van [appellanten sub 1] is waarop de gevestigde erfdienstbaarheid van weg rust. Blijkens de notariële akte is de erfdienstbaarheid van weg gevestigd onder de voorwaarde dat nooit zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de eigena(a)r(en) van de heersende erven (aan welke toestemming voorwaarden kunnen worden gekoppeld) een erfdienstbaarheid van welke inhoud of in welke vorm dan ook, of een min of meer soortgelijk beperkt recht gevestigd mag worden ten behoeve van andere percelen dan het perceel, sectie N, nummer 572, het perceel sectie N, nummer 510, en het gedeelte van het perceel sectie N, nummer 571, dat in eigendom van [appellanten sub 1] is gebleven.

[appellanten sub 1] hebben ter zitting nadrukkelijk verklaard nimmer van plan te zijn schriftelijk toestemming te geven om via de bestaande uitweg over hun perceel in de ten behoeve van de op het perceel sectie N, nummer 943, te realiseren woning noodzakelijke ontsluiting te voorzien. Verder heeft de raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op andere manieren dan via de bestaande uitweg over het perceel waarop de erfdienstbaarheid rust de ten behoeve van de op het perceel sectie N, nummer 943, te realiseren woning noodzakelijke ontsluiting kan worden gerealiseerd.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheid in het plan wat genoemd perceel betreft om reden van de gevestigde erfdienstbaarheid in zoverre in de planperiode redelijkerwijs niet uitvoerbaar is en dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellanten sub 1] is in zoverre gegrond. Het plan dient wat betreft de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' op de verbeelding ter plaatse van een gedeelte op het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 943, te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.2.4. Wat de mogelijkheid betreft woningen te realiseren op de gronden gelegen aan de Zoelensestraat met de bestemming "Bedrijf" stelt de Afdeling vast dat het op deze gronden uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning te realiseren. Andere mogelijkheden van woningbouw in de door [appellanten sub 1] bedoelde zin is ter plaatse niet mogelijk. Het beroep van [appellanten sub 1] mist wat dit onderdeel betreft feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellant sub 2]

2.3. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover de aanduiding 'bedrijf aan huis' op de verbeelding slechts op een gedeelte van zijn woning op het perceel [locatie A] is aangegeven. De aanduiding behelst nu de plaats van de garage waar zijn bedrijf niet is gevestigd, aangezien hij klanten in de woonkamer van de woning ontvangt. Hij heeft de raad gevraagd de aanduiding op het gehele bouwvlak te leggen, waardoor hij flexibiliteit in zijn bedrijfsvoering heeft.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat uit de planregels niet duidelijk blijkt wat de omvang van zijn bedrijf aan huis mag zijn.

Tenslotte betoogt [appellant sub 2] dat hij het wenselijk acht op zijn perceel een dierenverblijf voor paarden te kunnen realiseren. Hoewel de hoorcommissie in het kader van de behandeling van zijn zienswijze op dit punt heeft opgemerkt dat het bouwen van een bijgebouw ten behoeve van het huisvesten van huisdieren kan strekken tot een vergroting van het woongenot en daarom passend wordt geacht binnen de bestemming "Wonen", blijkt uit het plan niet duidelijk of de raad dit standpunt van de hoorcommissie al dan niet deelt.

2.3.1. [appellant sub 2] oefent in zijn woning op het perceel [locatie A] een bestaand aan huis verbonden bedrijf uit. De raad heeft op de verbeelding de plaats van de aanduiding 'bedrijf aan huis' gelegd ter plaatse van de garage in plaats van de woonkamer, waar het bedrijf wordt uitgeoefend.

Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het bestaande aan huis verbonden bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf aan huis'.

Uit de stukken, waaronder het verweerschrift, en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het de bedoeling van de raad is geweest op de verbeelding de aanduiding 'bedrijf aan huis' te leggen op de plaats waar het bedrijf van [appellant sub 2] daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Wat de omvang van het aan huis verbonden bedrijf betreft heeft de raad, zoals ook uit de plantoelichting blijkt, beoogd de reeds bestaande bedrijven in het plan als zodanig te bestemmen, al is dit groter dan de omvang van 50 m2 die op grond van het op dit punt gevoerde beleid is toegestaan. Met het plan is niet bedoeld de bestaande aan huis verbonden bedrijven in hun bedrijfsvoering te beperken, aldus de plantoelichting. Door de plaats en de omvang van de aanduiding 'bedrijf aan huis' niet juist op de verbeelding weer te geven is het plan in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. Het plan dient wat de aanduiding 'bedrijf aan huis' op de verbeelding ter plaatse van de woning op het perceel [locatie A] betreft te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

In het licht van het vorenstaande is het niet van belang in hoeverre ook uit de planregels blijkt wat de omvang van zijn bedrijf aan huis mag zijn.

2.3.2. Wat de door [appellant sub 2] gestelde onduidelijkheid betreft om in een bijgebouw bij zijn woning op het perceel [locatie A] een dierenverblijf te kunnen realiseren, overweegt de Afdeling het volgende.

Uit het besluit van de raad tot vaststelling van het plan van 15 september 2010 blijkt dat het plan overeenkomstig het advies van de hoorcommissie van 20 juli 2010 is vastgesteld en dat is besloten de zienswijzen te beantwoorden zoals door de hoorcommissie wordt geadviseerd, met de daarbij genoemde overwegingen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de raad het standpunt van de hoorcommissie wat de mogelijkheid betreft om in een aan- of bijgebouw op gronden met de bestemming "Wonen" een dierenverblijf ten behoeve van het huisvesten van huisdieren te realiseren, heeft overgenomen. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd. In zoverre is er geen sprake van een onduidelijkheid in de door [appellant sub 2] bedoelde zin en mist het beroep van [appellant sub 2] op dit punt feitelijke grondslag.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen

2.4. [appellante sub 3] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover dat niet voorziet in de bestemming "Bedrijf" voor het perceel gelegen achter hun transportbedrijf aan de [locatie B]. Dit perceel wordt al jarenlang gebruikt ten behoeve van het transportbedrijf en dient naar hun mening als zijnde bestaand legaal gebruik als zodanig bestemd te worden. Voor het bewijs dat bedoeld perceel al jarenlang als zodanig in gebruik is, verwijzen [appellante sub 3] en anderen naar verklaringen van werknemers van de rechtsvoorganger van [appellante sub 3], waarin wordt bevestigd dat het betreffende perceel vanaf het moment van ingebruikname altijd verhard is geweest met gebroken puin en altijd is gebruikt ten behoeve van het keren van vrachtwagencombinaties. Verder hebben [appellante sub 3] en anderen foto's overgelegd waar dit uit zou blijken. [appellante sub 3] en anderen zijn van mening dat de weigering van de raad om het gebruik van bedoeld perceel positief als "Bedrijf" te bestemmen zich niet verhoudt tot de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijventerrein.

Verder zijn [appellante sub 3] en anderen van mening dat in het plan aan het perceel met de bestemming "Bedrijf" ten onrechte geen uitbreidingsmogelijkheid is toegekend, zo nodig door middel van een wijzigingsbevoegdheid, zoals dit bij gronden in het plangebied met de bestemming "Bedrijventerrein" wel het geval is.

[appellante sub 3] en anderen kunnen zich ten slotte niet verenigen met de weigering van de raad op het perceel tegenover hun bedrijf aan de [locatie C] in plaats van de toegekende woonbestemming de mogelijkheid te bieden aldaar een bedrijfswoning te realiseren. Ter zitting hebben [appellante sub 3] en anderen verklaard dat de bedrijfswoning is bedoeld voor het [bedrijf] van de zoon van [eigenaar van appellante sub 3] aan de [locatie D]. Zij achten een dergelijke bestemming in overeenstemming met de in de 'Visie Wonen en Werken' neergelegde uitgangspunten, welke visie door de raad aan het plan ten grondslag is gelegd. [appellante sub 3] en anderen achten een dergelijke bestemming vanuit milieutechnisch perspectief inpasbaar. In dit verband wordt opgemerkt dat aan de richtafstand van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" tot het bestaande transportbedrijf wordt voldaan, aangezien de kleinste afstand tot een milieuhinder gevoelige bestemming in de huidige situatie al 25 meter bedraagt en met het toestaan van een extra woning niet vergroot behoeft te worden.

2.4.1. Blijkens de plantoelichting heeft de raad de 'Visie Wonen en Werken' als uitgangspunt genomen voor het toekennen van de verschillende functies binnen het plangebied. Hierin is het gebied Bergakker omschreven als een bebouwingsconcentratie met een diversiteit aan functies, waaronder wonen, werken en bedrijven aan huis. Van belang is geacht de structuur van het plangebied te verbeteren door de functies te scheiden, waarbij enige ruimte wordt geboden aan bedrijvigheid langs de Provincialeweg en het accent in het westelijk plangebied ligt op de woonfunctie. De bedrijvigheid wordt toegestaan binnen het bebouwde gebied van het reeds bestaande bedrijventerrein aan de Provincialeweg. Verder is het plan conserverend van aard en maakt het verdere bedrijfsontwikkelingen in het westelijk deel van het plangebied niet mogelijk. De raad heeft in het plan, behalve de mogelijkheid tot de bouw van twee woningen door middel van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 7.6 van de planregels, in het plangebied geen nieuwe woningen willen toestaan.

2.4.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad de vrijheid heeft bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1983" was aan de gronden gelegen achter het transportbedrijf van [appellante sub 3] en anderen aan de [locatie B] de bestemming "Agrarisch" toegekend. [appellante sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat een deel van bedoelde gronden op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1983" een bedrijfsbestemming had. De gronden waarop het transportbedrijf van [appellante sub 3] en anderen is gevestigd en waaraan in het plan de bestemming "Bedrijf" is toegekend, bevinden zich in het westelijk plangebied waar in het plan de bestemming "Wonen" als richtinggevende functie tot uitgangspunt is gekozen. De raad heeft het bestaande transportbedrijf in het plan planologisch mogelijk gemaakt, maar gelet op het conserverend karakter van het plan daarbij geen uitbreidingsmogelijkheden toegekend. De raad heeft aan de hand van in de jaren 2003, 2005, 2007 en 2009 gemaakte luchtfoto's vastgesteld dat de agrarische gronden gelegen achter het transportbedrijf aan de [locatie B] in 2003 nog niet werden gebruikt voor niet-agrarische activiteiten en dat deze gronden nadien onverhard waren maar wel zijn gebruikt voor niet-agrarische activiteiten, waaronder de stalling van vrachtwagens. De raad heeft dit met de geldende bestemming als agrarisch gebied strijdige gebruik nimmer toegestaan. Verder heeft de raad vastgesteld dat niet eerder is verzocht om uitbreiding van het bestemmingsvlak "Bedrijf" met de bedoelde gronden en dat bij brief van 1 maart 2010 aan [appellante sub 3] is medegedeeld dat het gebruik van deze gronden in strijd is met de geldende bestemming "Agrarisch" en dat tegen dit gebruik handhavend zal worden opgetreden, indien legalisatie van dit strijdige gebruik niet mogelijk of wenselijk blijkt te zijn.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gezegd dat het gebruik van bedoelde gronden, gelegen achter het transportbedrijf aan de [locatie B], als bestaand legaal gebruik planologisch mogelijk had moeten worden gemaakt door aan deze gronden de bestemming "Bedrijf" toe te kennen. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 3] en anderen verklaringen en foto's hebben overgelegd waaruit dit gebruik volgens hen zou blijken doet hieraan niet af, nu vaststaat dat het gebruik, wat daar ook van zij, in elk geval strijdig was met de toen voor bedoeld perceel geldende bestemming "Agrarisch". [appellante sub 3] en anderen kunnen aan dit strijdige gebruik geen rechten ontlenen, welke in het plan zouden moeten worden verwezenlijkt.

Wat de bestemming van de gronden gelegen aan de [locatie B] en de gronden gelegen achter het bestaande transportbedrijf betreft en de door de raad gemaakte keuze voor bestaande bedrijven in het westelijk plangebied geen verdere uitbreidingsmogelijkheden toe te staan, ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is in zoverre ongegrond.

2.4.3. Wat betreft de door [appellante sub 3] en anderen gewenste mogelijkheid de realisering van een bedrijfswoning op gronden gelegen tegenover de percelen [locatie C] mogelijk te maken, overweegt de Afdeling als volgt.

Uit artikel 7.1 van de planregels volgt dat in het plan van het bestaande woningenbestand wordt uitgegaan en in artikel 7.6 van de planregels is uitsluitend een wijzigingsbevoegdheid voor maximaal twee vrijstaande woningen ter plaatse van de aanduiding op de verbeelding opgenomen. Verder is het plan conserverend van aard en wordt wat de functie wonen betreft niet voorzien in verdere uitbreidingsmogelijkheden. De raad heeft in dit verband ter zitting verklaard dat hij het naar de huidige aan het plan ten grondslag liggende planologische inzichten, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, onwenselijk acht in de directe nabijheid van de bestaande bedrijven in het westelijk plangebied de bouw van nieuwe woningen toe te staan, zolang de ongewenste situatie van de aanwezigheid van deze bedrijven aan de Zoelensestraat bestaat.

2.4.4. In hetgeen [appellante sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling wat betreft de door de raad gekozen uitgangspunten en de in het plan gemaakte keuze in het westelijk plangebied geen verdere uitbreidingsmogelijkheden voor de bouw van een (bedrijfs)woning toe te staan, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen is in zoverre ongegrond.

Beroep van [appellant sub 4]

2.5. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met het plan voor zover de raad hiermee is voorbijgegaan aan door hem gedane voorstellen om tot een andere invulling van het gedeelte van het plangebied te komen waar bedrijven op de percelen [locatie E] en [locatie F] zijn gevestigd. [appellant sub 4] heeft in dit verband voorgesteld zijn bedrijf op het perceel [locatie F] te verplaatsen en de locatie te herontwikkelen door woningbouw in combinatie met kleinschalige bedrijvigheid mogelijk te maken en heeft hiertoe concrete voorstellen laten uitwerken. Behalve dat hij hierdoor onnodige kosten heeft moeten maken, is met de vaststelling van het plan hem de mogelijkheid ontnomen een bijdrage te leveren aan een zodanige herontwikkeling van dit deel van het gebied, waarmee invulling wordt gegeven aan het beleid zoals neergelegd in de 'Visie Wonen en Werken'.

2.5.1. Zoals hiervoor in r.o. 2.4.2. reeds is overwogen, heeft de raad de vrijheid bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft in het plan voldoende gemotiveerd waarom in navolging van de 'Visie Wonen en Werken' de structuur van het plangebied dient te worden verbeterd door de functies bedrijvigheid en wonen te scheiden, waarbij bedrijvigheid wordt toegestaan binnen het bebouwde gebied van het reeds bestaande bedrijventerrein aan de Provincialeweg, waarvan de percelen [locatie E] en [locatie F] deel uitmaken, en het accent in het westelijk plangebied ligt op de woonfunctie. De raad heeft er in dit verband voor gekozen het plan conserverend van aard te doen zijn door de bestaande bebouwing als uitgangspunt te nemen en slechts in beperkte mate bedrijfsontwikkelingen in het plangebied mogelijk te maken, en dan uitsluitend op het bestaande bedrijventerrein.

2.5.2. De Afdeling is op grond van de stukken gebleken dat de procedure van totstandkoming van het plan op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat [appellant sub 4] tijdens deze procedure door middel van het indienen van zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan in de gelegenheid is geweest zijn plannen voor herontwikkeling van bedoeld plandeel onder de aandacht van de raad te brengen. Gebleken is dat [appellant sub 4] van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en dat de raad deze zienswijze in zijn besluitvorming heeft betrokken. In aanmerking genomen de vrijheid die de raad in dit opzicht toekomt, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in dit opzicht anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het betoog van [appellant sub 4] faalt.

2.6. [appellant sub 4] betoogt verder dat de begrenzing van het plangebied niet juist is, omdat het parkeerterrein dat bij de voormalige tinfabriek gelegen op het perceel [locatie E] hoort, welk perceel thans zijn eigendom is, en als parkeerterrein ten behoeve van de tinfabriek in gebruik was, ten onrechte buiten het plan is gelaten. In het bestemmingsplan "Buitengebied Gemeente Tiel" is aan bedoeld perceel, gelegen tussen Bergakker en de rijksweg A15, de bestemming "Bedrijf/Horeca" toegekend, zonder verdere bouw- en gebruiksmogelijkheden. [appellant sub 4] heeft als eigenaar van dit perceel niet de gelegenheid het bestaande parkeerterrein te gebruiken ten behoeve van zijn bedrijfsvoering op het perceel [locatie F] dan wel de mogelijkheid dit perceel bij de door hem beoogde herontwikkeling van de percelen [locatie E] en [locatie F] in het plangebied te betrekken.

2.6.1. Het perceel grond waarop [appellant sub 4] doelt is gelegen aan [locatie G] en bevindt zich binnen het gebied van het bestemmingsplan "Buitengebied Gemeente Tiel". Dit plan is op 16 maart 2005 door de raad vastgesteld en bij uitspraak van de Afdeling in zaak nr. 200509593/1 op 23 mei 2007 gewijzigd vastgesteld. Het bedoelde perceel grond heeft de hoofdbestemming "Agrarisch gebied" met de sub-bestemmingen "Bedrijf" en "Horeca". In de voorschriften behorende bij deze bestemmingen zijn de daarbij toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden gegeven. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 4] sinds september 2004 eigenaar van bedoeld perceel is. Het lag naar het oordeel van de Afdeling op de weg van [appellant sub 4] om zich ten tijde van de aankoop van het perceel op de hoogte te stellen van de mogelijkheden die het ter plaatse geldende en/of in voorbereiding zijnde bestemmingsplan biedt. [appellant sub 4] is in het kader van de totstandkoming van genoemd bestemmingsplan in de gelegenheid geweest tegen dit plan zienswijzen en bedenkingen in te brengen. Dat hij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en dat de Afdeling hierin aanleiding heeft gezien het beroep van [appellant sub 4] in haar uitspraak van 26 juni 2006 in zaak nr. 200509593/3 niet-ontvankelijk te verklaren, dient voor zijn risico te komen. Ook tegen de herziening van genoemd bestemmingsplan, vastgesteld op 17 augustus 2008, heeft [appellant sub 4] geen zienswijzen ingediend. De omstandigheid dat de in de voorschriften van het geldende bestemmingsplan toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden naar de mening van [appellant sub 4] niet passen bij de door hem op het perceel [locatie F] gevoerde bedrijfsvoering of de door hem beoogde ontwikkelingen, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad dit perceel had moeten betrekken bij het thans in geding zijnde plan.

De raad staat overigens op het standpunt dat het gebruik van het terrein als onderdeel van de bedrijfsvoering van [appellant sub 4] op het perceel [locatie F] niet wenselijk is.

2.6.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.7. [appellant sub 4] kan zich verder niet verenigen met het plan voor zover hierin voor de percelen [locatie E] en 66 de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1983" ten onrechte zijn beperkt. In dit verband wijst hij erop dat de maximale bouwhoogte in het onderhavige plan is verlaagd. Daarnaast betoogt [appellant sub 4] dat het plan ten onrechte een beperking vormt van de gebruiksmogelijkheden van de percelen ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1983". De handel in aanhangwagens is beperkt tot een gedeelte van het perceel [locatie F] en het aantal aanhangwagens is gemaximeerd. [appellant sub 4] wenst deze mogelijkheid van detailhandel ook voor het perceel [locatie E]. In dit verband wijst [appellant sub 4] erop dat het college van burgemeester en wethouders een handhavingsprocedure is gestart. [appellant sub 4] acht in artikel 4.1 van de planregels onduidelijk waaraan het genoemde maximum aantal te stallen aanhangwagens refereert, te weten of dit per transactie, per dag, per maand of per jaar is. Verder wijst [appellant sub 4] op een aan de Provincialeweg gelegen caravanbedrijf, waarvoor een met zijn bedrijf vergelijkbare functieaanduiding geldt, waarbij wel toegestaan zou zijn caravans voor de voorgevelrooilijn te stallen, terwijl dat hem met aanhangwagens niet is toegestaan.

2.7.1. Aan de percelen [locatie E] en [locatie F] is de bestemming "Bedrijventerrein" met de nadere aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en voor een deel van het perceel [locatie F] is de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel-handel in aanhangwagens' toegekend.

Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' voor de handel in aanhangwagens met een maximum van 10 aanhangwagens.

Uit de verbeelding blijkt dat ter plaatse van het perceel [locatie E] een maximale goot- en bouwhoogte geldt van 7 meter.

2.7.2. Blijkens de plantoelichting heeft de raad in het plangebied bedrijvigheid willen toestaan binnen het bebouwde gebied van het reeds bestaande bedrijventerrein aan de Provincialeweg, waarvan de percelen [locatie E] en [locatie F] deel uitmaken. Verder is het plan conserverend van aard en heeft de raad verdere bedrijfsontwikkelingen in het westelijk deel van het plangebied niet mogelijk willen maken. Het plan is in zoverre hoofdzakelijk gericht op het behoud en beheer van de bestaande ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur in het plangebied. Het plan doet hiermee, blijkens de toelichting, recht aan het behoud van bestaande functies en waarden en voorziet nauwelijks in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De in het plan toegestane bouwhoogte is hierom aangepast aan de ter plaatse gerealiseerde bouwhoogten.

Hoewel detailhandel in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1983" ter plaatse van het perceel [locatie F] uitdrukkelijk niet was toegestaan, heeft de raad dit gebruik in het thans voorliggende plan planologisch mogelijk willen maken, door dit voor dit perceel toe te staan en daarbij de handel in het aantal aanhangwagens te maximeren tot 10. Een verdere uitbreiding van detailhandel binnen het bedrijventerrein acht de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet wenselijk.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat hij door het onderhavige plan in zijn bouwmogelijkheden wordt beperkt stelt de Afdeling vast dat niet is gebleken van ten tijde van het vaststellen van het plan bestaande concrete plannen om de ruimere bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" te benutten. Verder zijn onder de gelding van dat plan in de afgelopen jaren geen bouwaanvragen van die strekking ingediend. Gelet hierop en in aanmerking genomen de door de raad gemaakte planologische keuzes, ziet de Afdeling niet in waarom de raad in redelijkheid de bouwmogelijkheden van de percelen [locatie E] en [locatie F] niet heeft mogen beperken tot de thans gerealiseerde bouwhoogten. In zoverre faalt het betoog van [appellant sub 4].

Ter zitting is echter door [appellant sub 4] onweersproken gesteld dat de bouwhoogte van een deel van het bedrijfspand op het perceel [locatie E] thans 10 meter bedraagt. De raad heeft als reactie hierop erkend dat hij zich er bij de vaststelling van het plan niet van bewust is geweest dat de bestaande hoogte van een deel van het bedrijfspand 10 meter zou zijn. Omdat de raad blijkens de plantoelichting heeft beoogd de in het plan toegestane goot- en bouwhoogte aan te passen aan de ter plaatse gerealiseerde bouwhoogten, heeft de raad voor een deel van het pand op het perceel [locatie E] de aanduiding van de toegestane maximale goot- en bouwhoogte, door deze te bepalen op 7 meter, niet juist op de verbeelding weergegeven. Hierdoor is het plan in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond. Het plan dient wat de aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie E] betreft te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7.4. Wat betreft de beperking van de handel in aanhangwagens tot het perceel [locatie F] met een maximum van 10 aanhangwagens en de wens van [appellant sub 4] om deze mogelijkheid van detailhandel eveneens toe te staan voor het perceel [locatie E], overweegt de Afdeling als volgt.

Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat hij ten onrechte in zijn gebruiksmogelijkheden wordt beperkt ten opzichte van het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" stelt de Afdeling vast dat ter plaatse van de percelen [locatie E] en [locatie F] op grond van dat vorige plan detailhandel in het geheel niet was toegestaan. De raad heeft [appellant sub 4] echter ter wille willen zijn door een beperkte detailhandel tot een maximum van 10 aanhangwagens op het perceel [locatie F] toe te staan, omdat het college van burgemeester en wethouders van Tiel in een brief van september 1995 heeft aangegeven dat ter plaatse van het zijerf van dat perceel detailhandel in aanhangwagens mag worden gevoerd tot een maximum van 10 aanhangwagens. In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen hetgeen de raad hierover ter zitting nader heeft toegelicht, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de mogelijkheid van detailhandel van aanhangwagens in het plan voor wat betreft het perceel [locatie F] heeft toegestaan en deze heeft beperkt tot een maximum van 10 aanhangwagens. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.7.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 4] dat er ten aanzien van de opslag van aanhangwagens op het perceel [locatie E] een handhavingsprocedure loopt, overweegt de Afdeling dat deze handhavingsprocedure op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1983" is gestart en dat hieraan in het kader van de onderhavige procedure geen betekenis toekomt.

Dit betoog van [appellant sub 4] faalt.

2.7.6. Wat het betoog van [appellant sub 4] ten aanzien van de onduidelijkheid van artikel 4.1 van de planregels betreft is de Afdeling van oordeel dat uit artikel 4.1 van de planregels in samenhang met de verbeelding duidelijk blijkt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' op enig moment maximaal 10 aanhangwagens mogen zijn gestald. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, blijkt uit de verbeelding dat ook op het perceel Provincialeweg 12 met de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - caravanbedrijf' het niet is toegestaan voor de voorgevelrooilijn caravans te stallen. Deze betogen van [appellant sub 4] falen.

2.7.7. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat de mogelijkheid van detailhandel van aanhangwagens en de hiermee verband houdende opslag van aanhangwagens ten onrechte niet is toegestaan voor het perceel [locatie E], heeft [appellant sub 4] ter zitting verklaard mogelijk de voorkeur te geven aan detailhandel en de opslag van aanhangwagens inpandig op het perceel [locatie E] in plaats van de thans in het plan toegestane buitenopslag bij het perceel [locatie F]. Daarmee zou kunnen worden tegemoet gekomen aan het bezwaar van de raad tegen de buitenopslag uit een oogpunt van visuele hinder en de ongewenste uitbreiding van detailhandel binnen het huidige bedrijventerrein aan de Provincialeweg, aldus [appellant sub 4]. Ter zitting heeft de raad verklaard niet onwelwillend te staan tegenover een dergelijke wijziging van de detailhandel van aanhangwagens met de toegestane buitenopslag van aanhangwagens naar een inpandige opslag van deze aanhangwagens. Hierbij is door de raad wel opgemerkt dat hij vanuit een oogpunt van beperking van detailhandel ter plaatse zich beperkt tot het toegestane maximum van 10 aanhangwagens. Gelet op het vorenstaande is het plan wat de plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie F] betreft in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre gegrond. Het plan dient wat de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie F] betreft te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie

2.8. Het besluit van de raad van 15 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kleine kernen - Bergakker" dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' op de verbeelding ter plaatse van een gedeelte op het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 943, de aanduiding 'bedrijf aan huis' op de verbeelding ter plaatse van de woning op het perceel [locatie A], de aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie E] en de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie F]. De raad dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Proceskostenveroordeling

2.9. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellante sub 3] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tiel van 15 september 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kleine kernen - Bergakker", voor zover het betreft:

- de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' op de verbeelding ter plaatse van een gedeelte op het perceel Bergakker 42, kadastraal bekend gemeente Tiel, sectie N, nummer 943;

- de aanduiding 'bedrijf aan huis' op de verbeelding ter plaatse van de woning op het perceel [locatie A];

- de aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie E] en

- de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - handel in aanhangwagens' op de verbeelding ter plaatse van het perceel [locatie F];

III. draagt de raad van de gemeente Tiel op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen omtrent de onder II. genoemde aanduidingen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] voor het overige en het beroep van [appellante sub 3] en anderen geheel ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Tiel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Tiel tot vergoeding van bij [appellanten sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 908,51 (zegge: negenhonderdacht euro en eenenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Tiel aan [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 4] het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor ieder van hen vergoedt, met dien verstande dat wat de beroepen van [appellanten sub 1] en van [appellanten sub 4] betreft de betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

159.