Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6558

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201104755/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend aan het Waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse bouwwerkzaamheden in verband met traject 1 van het plan "Dommel door Boxtel" op de locatie van de Dommel, ter hoogte van Boxtel-Oost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104755/1/A1.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud en Milieubeheer in Midden- en Noord-Oost Brabant het Groene Hart, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel (hierna: de vereniging),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 maart 2011 in zaak nr. 10/2684 in het geding tussen:

de vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft het college ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend aan het Waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse bouwwerkzaamheden in verband met traject 1 van het plan "Dommel door Boxtel" op de locatie van de Dommel, ter hoogte van Boxtel-Oost.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2011, verzonden op 14 maart 2011, heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college en het waterschap hebben een verweerschrift ingediend.

Het waterschap heeft bij het college om wijziging van de bouwvergunning verzocht en een gewijzigde bouwtekening ingediend. Bij besluit van 16 november 2011 heeft het college aangegeven dat de gewijzigde tekening onderdeel uitmaakt van het besluit van 6 juli 2010 (lees: 29 juni 2010).

Het college, het waterschap en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nrs. 201104756/1/A1 en 201109117/1/A1, ter zitting behandeld op 16 januari 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door A.A. van Abeelen en ir. C.D. van Dijk, en het college, vertegenwoordigd door B.A.P. van de Staak en H.L.J. Hoppenbrouwers, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap, vertegenwoordigd door E. Schellekens en R. van Otterloo, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Traject 1 van het plan "Bommel door Boxtel" heeft, voor zover hier van belang, betrekking op het realiseren van een zandvang, een kano-uitstapplaats, een visplaats voor mindervaliden, een vlonderpad en een voetgangersbrug.

2.2. Het betoog van de vereniging dat de rechtbank ten aanzien van het te realiseren vlonderpad en de voetgangersbrug heeft miskend dat met de aanleg daarvan de gebiedswaarden niet worden versterkt is ter zitting ingetrokken.

2.3. De bouw van de beoogde kano-uitstapplaats en de visplaats voor mindervaliden is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Herziening Oost". Teneinde daarvoor toch bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college ontheffing verleend.

2.3.1. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door haar voorgestelde alternatief met betrekking tot de visplaats voor mindervaliden en de kano-uitstapplaats geen alternatief vormt met aanmerkelijk minder bezwaren, nu het voorgestelde alternatief volgens de vereniging het landschappelijke beeld aanzienlijk minder aantast.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van ontheffing aan het project, zoals daarvoor ontheffing is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het door de vereniging voorgestelde alternatief, een vrijdragende platformconstructie, een gelijkwaardige alternatief vormt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dergelijke constructies dienen ook bevestigd te worden aan het talud of het land en tasten volgens het college het landschappelijk beeld ter plaatse ook aan.

Het betoog faalt.

2.4. De zandvang is een constructie die over de volledige breedte van de Dommel zal worden aangebracht en is bedoeld voor het opvangen van het over de bodem voortbewogen sediment waardoor aanzanding van de Dommel wordt voorkomen.

2.4.1. De vereniging betoogt dat de wijziging van het bouwplan voor de zandvang geen wijziging van ondergeschikte aard is omdat het bouwplan wezenlijke veranderingen heeft ondergaan, zoals een verschuiving van de loop van de Dommel en een wijziging van aan- en afvoerroutes.

2.4.2. Indien hangende een procedure in hoger beroep met betrekking tot een bouwvergunning bij nader besluit naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag bouwvergunning wordt verleend voor een wijziging van het bouwplan waarvoor de eerdere bouwvergunning is verleend, zijn op dat nadere besluit de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is.

Voor een wijziging van ondergeschikte aard van een bouwplan is geen nieuwe bouwaanvraag vereist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 september 2008 in zaak nr. 200800531/1) dient de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, per concreet geval te worden beantwoord. Het bouwplan is gewijzigd omdat op de bij het besluit van 29 juni 2010 eerder behorende bouwtekening de suggestie werd gewekt dat de Dommel naar het zuiden zou worden verlegd omdat de zandvang buiten de Dommel was geprojecteerd op de bestemming "Natuur". In de besluitvorming is evenwel steeds van uitgegaan dat de zandvang in de Dommel zou worden aangelegd op gronden waarop de bestemming "WAL" rust. Het dossier biedt geen enkele grondslag aan de veronderstelling dat het waterschap en het college beoogd hebben de Dommel ter plaatse te verleggen. Nu met het gewijzigde bouwplan de loop van de Dommel op juiste wijze is weergegeven en hiermee is beoogd een kennelijke fout te herstellen, het bouwwerk wat uiterlijke verschijningsvorm betreft niet is gewijzigd, er geen nieuwe toetsingsaspecten zijn verbonden aan de wijziging omdat het college steeds is uitgegaan van de bestemming "WAL", zijn de veranderingen van ondergeschikte aard. Dat de aan- en afvoerroutes zijn gewijzigd, zoals de vereniging stelt, is in deze niet van belang nu de bouwvergunning daar niet op ziet.

Het betoog faalt.

2.5. De vereniging betoogt dat de rechtbank niet is ingegaan op het in beroep aangevoerde betoog dat de zandvang in strijd is met de bestemmingsdoeleinden en op het betoog dat de zandvang niet doelmatig is.

2.5.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Water met landschappelijke en natuurlijke waarde (WAL)" aangewezen gronden, onder meer, bestemd voor:

a. waterberging, waterhuishouding en waterlopen;

b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarde van het water, met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mogen de op de plankaart voor water met landschappelijke en natuurlijke waarde aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd, andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

a. aanlegsteigers niet zijn toegestaan;

b. stuwen uitsluitend zijn toegestaan indien en voor zover daardoor bestaande kanoroutes niet worden belemmerd;

c. de hoogte niet meer dan 1.50 m mag bedragen.

2.5.2. De rechtbank heeft overwogen dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zandvang van belang is voor de waterhuishouding en het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke waarde van het water. De rechtbank heeft hierbij, onder meer, van belang geacht dat de zandvang zorgt voor een verlaging van het aantal vereiste baggerwerkzaamheden en daarmee voor een vermindering van de verstoring van het ecosysteem. Aldus wordt een positieve bijdrage geleverd aan de waterkwaliteit en de natuur. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de zandvang ten dienste van de bestemming "WAL" staat. Aldus is de rechtbank, anders dan de vereniging betoogt, ingegaan op de strijd van de beoogde zandvang met de bestemmingsdoeleinden. De vereniging voert echter terecht aan dat de rechtbank niet is ingegaan op haar argumenten met betrekking tot de doelmatigheid van de zandvang. Dat betoog leidt echter niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de beoogde zandvang ten dienste staat van de bestemming "WAL". Het college heeft zich, onder verwijzing naar het advies van Eelerwoude B.V. van 2 april 2010, op het standpunt mogen stellen dat de zandvang in het belang van de waterhuishouding en waterkwaliteit kan worden aangebracht. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de doelmatigheid van de zandvang aan de orde is geweest in het in opdracht van de gemeente Boxtel en het waterschap opgestelde voor beroep vatbare en inmiddels in rechte onaantastbare inrichtingsplan "Uitwerkingsvisie en Inrichtingsplan van Dommel en Smalwater door Boxtel 2007".

Het betoog faalt

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

414-700.