Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6556

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201109117/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 25 mei 2009 heeft het college aanlegvergunningen verleend aan het Waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden in verband met de trajecten 1, 2 en 3 van het project "Bommel door Boxtel".

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2012/15 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109117/1/A1.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer In Midden- en Noord-Oost Brabant het Groene Hart (hierna: de vereniging), gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 december 2010 in zaak nr. 10/1264 in het geding tussen:

de vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 25 mei 2009 heeft het college aanlegvergunningen verleend aan het Waterschap De Dommel voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden in verband met de trajecten 1, 2 en 3 van het project "Bommel door Boxtel".

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2010 heeft de rechtbank het door de vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college, het waterschap en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gelijktijdig met zaak nrs. 201104755/1/A1 en 201104756/1/A1, ter zitting behandeld op 16 januari 2011, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door B.A.P. van de Staak en H.L.J. Hoppenbrouwers, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het waterschap, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, gelezen in samenhang met artikel 6:24, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2.2. Naar aanleiding van een brief van 26 juli 2011 van het waterschap aan de vereniging, waarin hij te kennen geeft dat de aanlegvergunningen inzake de trajecten 1, 2 en 3 inmiddels onherroepelijk zijn, nu geen hoger beroep is ingesteld tegen de rechtbankuitspraak in zaak nr. 10/1264, heeft de vereniging op 1 augustus 2011 bij de rechtbank schriftelijk geïnformeerd naar de stand van zaken omtrent haar beroep. Hierop heeft de rechtbank bij brief van 19 augustus 2011 geantwoord dat uit haar registratiesysteem blijkt dat de uitspraken in de zaak nrs. 10/1264, 10/1552 en 10/1671 op 14 december 2010 aan de vereniging aangetekend in één envelop zijn verzonden en heeft daarbij alsnog een afschrift van de uitspraak in zaak nr. 10/1264 gevoegd. De vereniging stelt de uitspraken in zaak nrs. 10/1552 en 10/1671 wél in december 2010 te hebben ontvangen, maar de uitspraak in zaak nr. 10/1264 eerst door de verzending door de rechtbank op 19 augustus 2011.

2.2.1. Nu blijkens het registratiesysteem van de rechtbank drie uitspraken in één envelop zijn verzonden, staat niet met zekerheid vast dat de verzending van de uitspraak in zaak nr. 10/1264 door verzending van die envelop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het verzendoverzicht dat aangeeft dat op 14 december 2010 aan de vereniging een aangetekende brief is verzonden via TNT Post, rechtvaardigt niet het vermoeden dat zij een afschrift heeft ontvangen van deze uitspraak. Niet uitgesloten kan worden dat in de aangetekend verzonden envelop slechts twee uitspraken waren gevoegd en niet die in de zaak met nr. 10/1264. Er moet daarom van uitgegaan worden dat de aangevallen uitspraak eerst op 19 augustus 2011 aan de vereniging is verzonden. Ingevolge artikel 6:8 in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De toezending van de aangevallen uitspraak aan de vereniging op 19 augustus 2011 geldt als bekendmaking als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb. Het hoger beroep van de vereniging is tijdig ingesteld en derhalve ontvankelijk.

Anders dan het college en het waterschap ter zitting hebben betoogd, heeft de vereniging voorts, ondanks de omstandigheid dat, naar het college stelt, de vergunde werkzaamheden al zijn uitgevoerd, belang bij de behandeling van haar hoger beroep inzake de besluiten tot verlening van de aanlegvergunningen, nu het mogelijk is de verrichte werkzaamheden - in ieder geval gedeeltelijk - ongedaan te maken.

2.3. Aan de orde is een drietal aanlegvergunningen voor diverse werkzaamheden. De vergunde werkzaamheden voor traject 1 zijn geletterd C tot en met J, de vergunde werkzaamheden voor traject 2 K tot en met O en de vergunde werkzaamheden voor traject 3 S tot en met W.

2.4. Voor zover hier van belang, bestaan de werkzaamheden in het kader van onderdeel D uit het graven van twee poelen en het verruimen van twee sloten. Deze werkzaamheden zijn voorzien op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" de bestemming "Natuur" rust. Voor deze aanlegvergunningplichtige werkzaamheden wordt ingevolge artikel 8.4.5. van de planvoorschriften slechts vergunning verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind. De van belang zijnde waarden zijn ingevolge artikel 8.4.5 en voor zover hier van belang, de waarden zoals aangegeven op de ecologische waardenkaart (plankaart 7) en/of cultuurhistorische en archeologische waardenkaart (plankaart 8). Op plankaart 7 zijn de gronden aangewezen als "natuurgebied en bos met natuurwaarde". Op plankaart 8 zijn de gronden aangewezen als "hoge ensemblewaardering historische geografie".

2.4.1. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de abiotische waarden, bestaande uit het waterregiem, de bodemstructuur en geomorfologie, niet relevant zijn voor de beoordeling of vergunning kon worden verleend. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de gebiedsaantasting van relatief geringe omvang is en dat het graven van onnatuurlijk vlakke oevers niet leidt tot een schending van cultuurhistorische waarden, aldus de vereniging. Zij verwijst ter staving van dit betoog naar de aanpassing bij besluit op bezwaar van de werkzaamheden onder onderdeel K.

2.4.2. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 8.4.5. van de planvoorschriften opgenomen waarden niet onevenredig worden geschaad. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat het plan voorziet in vlakke taluds ter bevordering van de diversiteit van de flora en fauna en dat door de werkzaamheden weliswaar enige flora en fauna verloren gaan, maar dat na de werkzaamheden nieuwe flora en fauna zich zullen ontwikkelen op het perceel. Daarnaast zijn de werkzaamheden gelet op de voorziene ontwikkelingen voor het gehele gebied langs de Dommel in de omgeving van Boxtel van geringe aard en omvang. Het belang van de abiotische waarden kan, anders dan de vereniging betoogt, niet worden afgeleid uit de waarden zoals aangegeven op de bij het bestemmingsplan behorende plankaarten 7 en 8.

Het achterwege laten van het aanleggen van een sloot zoals vergund ten behoeve van de werkzaamheden onder K, om meer recht te doen aan de cultuurhistorische waarde van het perceel, betekent, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, niet dat in dit geval geen aanlegvergunning mocht worden verleend, nu de werkzaamheden onder K elders zullen worden uitgevoerd.

Het betoog faalt.

2.5. De aanlegvergunningplichtige werkzaamheden zoals vergund voor onderdelen E, F en G hebben, voor zover hier van belang, betrekking op het afgraven van grond tot circa 6,50 m boven NAP en zijn voorzien op gronden waar ingevolge het bestemmingsplan "Herziening Oost" de bestemming "Groenvoorzieningen, met natuurontwikkeling -G+NO-" op rust. Ingevolge artikel 18, lid D, onder 2 van de planvoorschriften is een aanlegvergunning slechts toelaatbaar indien door de werken en/of werkzaamheden de landschappelijke- en de natuurwaarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een aanlegvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

2.5.1. De vereniging betoogt, onder verwijzing naar de doeleindenomschrijving in artikel 18, lid A I, van de planvoorschriften waarin de gronden onder meer bestemd zijn voor het behoud, de versterking en/of het herstel van de landschappelijke en natuurwaarde, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de toepasselijke planvoorschriften niet mede beogen geomorfologische waarden te beschermen.

2.5.2. Ook indien de toepasselijke planvoorschriften mede beogen geomorfologische waarden te beschermen, laat dit onverlet dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanlegvergunning in redelijkheid niet kon worden geweigerd. Dat wordt door de vereniging ook niet bestreden.

Het betoog faalt.

2.6. De aanlegvergunningplichtige werkzaamheden van onderdeel K voorzien in het afgraven van 50 cm grond ten behoeve van het graven van twee sloten over een gebied van ongeveer 45 m bij 15 m. Ingevolge het ter plaatse van toepassing zijnde bestemmingsplan "Buitengebied Boxtel 1994" rust op het perceel waar de werkzaamheden zijn voorzien de bestemming "Agrarische gebieden met gebiedseigen natuurwaarden, zeer kwetsbaar

-AN-" met de gebiedsdifferentiatie: "a-biotische kenmerken: gebieden kwetsbaar voor verdroging en biotische kenmerken: de in ecologisch opzicht belangrijke gebieden voor planten en plantengezelschappen."

Ingevolge artikel III.1, onder 2, sub c, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, wordt medewerking verleend aan maatregelen gericht op de bescherming of herstel van de watersituatie dan wel aan maatregelen die geen negatief effect hebben op de watersituatie in gebieden kwetsbaar voor verdroging.

Volgens artikel III.1, onder 3, sub f, voor zover hier van belang, geldt als uitgangspunt bij de in ecologisch opzicht belangrijke gebieden voor planten en plantgezelschappen dat in goed overleg ingrepen worden afgestemd op de waarde voor de planten en plantgezelschappen en dat met name poelen, randen, reliëf, overhoekjes en bermen in stand blijven. Het plan gaat uit van voortzetting van het beheer gericht op instandhouding, herstel of ontwikkeling van planten en plantgezelschappen.

Volgens artikel III.3, lid I, voor zover hier van belang, geldt in zijn algemeenheid dat de activiteit toelaatbaar is en derhalve mag plaatsvinden, indien deze past binnen de doelstellingen van de bestemmingen of de gebiedsdifferentiatie. Een activiteit mag er niet toe leiden dat de doelstellingen van de betrokken bestemming/gebiedsdifferentiatie onevenredige schade zal oplopen.

2.6.1. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de afgraafwerkzaamheden voor onderdeel K geen onevenredige aantasting van de gebiedsdifferentiaties tot gevolg zal hebben.

2.6.2. Van belang is of de aangevraagde activiteiten geen onevenredige schade zullen toebrengen aan de in het bestemmingsplan opgenomen doelstellingen van de betrokken bestemming/gebiedsdifferentiatie van het gebied. Het college heeft zich in het besluit van 2 maart 2010 op het standpunt gesteld dat de ontwikkelingen een positieve invloed hebben op het tegengaan van verdroging van het gebied. De niet nader gemotiveerde stelling van de vereniging dat het waterbufferende vermogen ten gevolge van de werkzaamheden afneemt, mist feitelijke grondslag, nu twee sloten worden aangelegd. Bovendien is voorzien in flauwe taluds ter vergroting van de natuurwaarden en zorgt het graven van sloten volgens het college voor ontwikkeling van nieuwe natuur. Gelet op de gebiedsdifferentiaties zoals samengevat weergegeven in 2.6, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot onevenredige schade voor de in het gebied te beschermen waarden, zodat het een aanlegvergunning mocht verlenen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Dat het college in het besluit van 2 maart 2010 aanleiding heeft gezien tot het verlagen van het aantal aan te leggen sloten vanwege de cultuurhistorische kenmerken van het gebied betekent niet, anders dan de vereniging kennelijk betoogt, dat de overige vergunde werkzaamheden leiden tot onevenredige schade.

Het betoog faalt.

2.7. De werkzaamheden van onderdeel M bestaan uit het afgraven van 30 cm van het maaiveld ten behoeve van de aanleg van drie sloten en het aanbrengen van een aantal poelen en zijn voorzien op gronden waar ingevolge het bestemmingsplan "Centrum Boxtel" de bestemming "Natuur" op rust.

Ingevolge artikel 26.1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor natuur aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden;

b. waterhuishoudkundige doeleinden;

c. sloten, beken, daarmee gelijk te stellen waterlopen, waterpartijen en waterberging;

d. het behoud van monumentale en te handhaven waardevolle bomen;

e. het behoud van archeologische waarden.

Volgens artikel 26.5.1.2, van de planvoorschriften zijn werken en/of werkzaamheden slechts toelaatbaar indien:

a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de onderhavige bestemming zijn toegekend;

b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.7.1. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanlegvergunning mocht verlenen nu de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het afgraven van de sloten tot een diepte van 1 m onder het maaiveld waardoor een verstoring van de archeologische waarden valt te verwachten.

2.7.2. Het betoog van de vereniging dat de rechtbank heeft miskend dat geen rekening is gehouden met het afgraven van sloten tot een diepte van 1 m onder het maaiveld is terecht voorgedragen, nu de rechtbank is uitgegaan van een afgraving van 30 cm ten opzichte van het maaiveld. Om het hiernavolgende leidt het betoog echter niet tot het daarmee door haar beoogde doel.

RAAP Archeologisch Advies Bureau B.V. (hierna: RAAP) heeft omtrent de archeologische verwachtingswaarde een bureaustudie uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een notitie van augustus 2008. In juni 2009 is naar aanleiding van dit onderzoek een Plan van Aanpak opgesteld door RAAP. Hierin is, samengevat weergegeven, vermeld dat in overleg met het waterschap, de gemeente, de plaatselijke heemkundekring en RAAP is besloten om een groot deel van de werkzaamheden archeologisch te begeleiden. De werkzaamheden zullen plaatsvinden onder lichte archeologische begeleiding. Dit houdt in dat een archeoloog de graafvlakken op regelmatige basis controleert op de aanwezigheid van archeologische resten.

De Afdeling ziet gelet op het voorgaande en in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ten gevolge van de vergunde werkzaamheden de aanwezige waarden van de gronden onevenredig worden of kunnen worden verkleind, nu de vergunde werkzaamheden met voldoende waarborgen zijn omkleed.

Het betoog faalt.

2.8. De door de vereniging gestelde vragen ten aanzien van de werkzaamheden van onderdeel S en W behoeven geen beantwoording in de uitspraak, nu daaruit geen klacht gericht tegen de aangevallen uitspraak kan worden afgeleid.

2.9. Onderdeel W van de aanlegvergunningplichtige werkzaamheden bestaat, voor zover hier van belang, uit het afgraven en verruimen van een sloot en is voorzien op gronden die in het bestemmingsplan "Kantoor Waterschap" zijn bestemd voor "Groenvoorzieningen en natuurontwikkeling -G(n)-".

Ingevolge artikel 5, lid D II, van de planvoorschriften is een aanlegvergunning slechts toelaatbaar indien door die werken en/of werkzaamheden de landschappelijke- en de natuurwaarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een aanlegvergunning in redelijkheid niet kan worden verleend.

2.9.1. De vereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de aanlegvergunning mocht verlenen, nu volgens de vereniging voldaan moet worden aan beide voorwaarden opgenomen in artikel 5, lid D II, van de planvoorschriften. De rechtbank heeft volgens de vereniging de woorden "dan wel" in dat artikel verkeerd uitgelegd.

2.9.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de twee voorwaarden zoals opgenomen in het planvoorschrift gelet op de bewoordingen "dan wel" niet-cumulatief zijn. Wanneer de landschappelijke- en de natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast dient het college een aanlegvergunning te verlenen, en behoeft niet meer getoetst te worden of de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate wordt verkleind. Hierbij is van belang, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat strijdigheid met één van de twee voorwaarden vaak tevens strijdigheid oplevert met de andere voorwaarde. De rechtbank heeft verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat gelet op het gesteld ontbreken van positieve gevolgen voor de landschappelijke- en natuurwaarden in het gebied ten gevolge van het te realiseren project, het college geen aanlegvergunning kon verlenen, nu het college zich onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat het te realiseren project nieuwe natuur ten goede komt en daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid D II, van de planvoorschriften.

Het betoog faalt.

2.10. Het betoog van de vereniging dat de rechtbank bij de toetsing van de besluiten van het college niet is uitgegaan van vaste toetsingskaders mist feitelijke grondslag, nu de voor de desbetreffende werkzaamheden van belang zijnde toetsingskaders uit het bestemmingsplan zijn toegepast. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college gelijke gevallen ongelijk heeft behandeld.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

414-700.