Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201109131/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:BR1632, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister de bij besluit van 18 december 2009 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Evelop Ontwikkeling B.V. verleende vergunning voor het oprichten en in stand houden van het offshore windturbinepark "Scheveningen Buiten" (hierna: het windturbinepark), welke op 26 januari 2010 op naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheveningen Buiten B.V. is gesteld, gewijzigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 8:26
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/101 met annotatie van P.M.J. de Haan
JB 2012/87
JOM 2012/484
OGR-Updates.nl 2012-0250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109131/1/A2.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting Bewonersbelangen Kijkduin, gevestigd te

Den Haag,

2. de gemeente Den Haag, het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en de raad van de gemeente Den Haag (hierna tezamen in enkelvoud: Den Haag),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011 in zaak nr. 11/1265 in het geding tussen:

de stichting

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen: de minister van Verkeer en Waterstaat).

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister de bij besluit van 18 december 2009 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Evelop Ontwikkeling B.V. verleende vergunning voor het oprichten en in stand houden van het offshore windturbinepark "Scheveningen Buiten" (hierna: het windturbinepark), welke op 26 januari 2010 op naam van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheveningen Buiten B.V. is gesteld, gewijzigd.

Bij uitspraak van 14 juli 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, en Den Haag bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 23 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Scheveningen Buiten B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De stichting en Den Haag hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting gelijktijdig met zaak nr. 201109132/1/A2 behandeld op 20 januari 2012, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. G.G.M. Johannes, bijgestaan door [gemachtigde], Den Haag, vertegenwoordigd door mr. drs. O.J.D.M.L. Jansen, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.M. Nijboer, werkzaam bij Rijkswaterstaat dienst Noordzee, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Scheveningen Buiten B.V, vertegenwoordigd door mr. E.M.N. Noordover, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [projectmanager] bij Scheveningen Buiten B.V..

2. Overwegingen

Het hoger beroep van Den Haag

2.1. Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Op deze zaak is de Crisis- en Herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing.

Ingevolge artikel 1.4 van de Chw kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

2.2. De rechtbank heeft het verzoek van Den Haag om als partij als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb te worden toegelaten, afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat het door Den Haag ingestelde beroep tegen het besluit van 26 januari 2011 bij uitspraak van 13 mei 2011 in zaak 11/1306 (www.rechtspraak.nl), gelet op artikel 1.4 van de Chw, niet-ontvankelijk is verklaard en dat artikel 8:26, eerste lid, onder die omstandigheid geen ruimte laat om Den Haag als partij tot het geding toe te laten. De rechtbank heeft daarbij het gestelde in de Memorie van Toelichting bij artikel 8:26 (Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 117/118) in aanmerking genomen.

2.3. Den Haag betoogt dat de rechtbank artikel 8:26, eerste lid, van de Awb onjuist heeft toegepast. Zij voert aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de verwijzing naar artikel 6.2.6a (thans artikel 6:13) in de Memorie van Toelichting, waaruit blijkt dat alleen belanghebbenden aan wie procesrechtelijk kan worden verweten dat zij geen zienswijzen of geen bezwaar of beroep hebben ingediend, zijn uitgesloten van participatie. Omdat haar geen verwijt treft, nu zij zienswijzen naar voren heeft gebracht, had de rechtbank haar als partij als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb moeten toelaten, aldus Den Haag.

2.3.1. Bij uitspraak van 7 december 2011 in zaak nr. 201107071/1/H1 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2011 in zaak nr. 11/1306 bevestigd. In rechte staat derhalve vast dat Den Haag ingevolge artikel 1.4 van de Chw niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit van 26 januari 2011.

In de Memorie van Toelichting bij artikel 8:26 van de Awb staat: "Het spreekt vanzelf dat het artikel niet beoogt te voorzien in participatie door belanghebbenden die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen dan wel niet-ontvankelijk zouden zijn in hun beroep (vgl. in dit verband artikel 6.2.6a)". Anders dan Den Haag betoogt, volgt uit deze vergelijking met artikel 6.2.6a van de Awb niet dat de wetgever uitsluitend de situaties heeft beoogd als bedoeld in dat artikel. Hieruit volgt integendeel dat niet-ontvankelijkheid in het beroep, daargelaten of dit al dan niet verwijtbaar is, de mogelijkheid uitsluit aan het geding deel te nemen op grond van artikel 8:26, eerste lid. De rechtbank heeft Den Haag derhalve terecht en op goede gronden niet als partij tot het geding toegelaten.

Hetgeen Den Haag voor het overige heeft aangevoerd in verband met de toepasselijkheid van artikel 8:26, eerste lid, behoeft dan ook geen bespreking meer.

Het betoog van Den Haag faalt. Mede onder verwijzing naar de uitspraak van 7 december 2011 ziet de Afdeling geen aanleiding om, zoals verzocht door Den Haag, ter zake prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, wordt het verzoek van Den Haag om in deze hoger beroepsprocedure te worden toegelaten als partij als bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 49, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, afgewezen.

Dit betekent dat de brief van Den Haag van 22 september 2011 bij de behandeling van het hoger beroep van de stichting buiten beschouwing wordt gelaten.

Het hoger beroep van de stichting

2.5. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister, voor zover hier van belang, een aan de aan Scheveningen Buiten B.V. verleende vergunning verbonden voorschrift gewijzigd. Deze wijziging ziet op de ligging van het kabeltracé over zee vanaf het windturbinepark naar land. Hierdoor is het aanlandingspunt gewijzigd van Noordwijk in Kijkduin. Het betreft het deel vanaf het offshore transformator station naar land tot aan de duinvoet bij Kijkduin. Aan de wijziging ligt ten grondslag de door Scheveningen Buiten B.V. beoogde aansluiting van het windturbinepark op het landelijke hoogspanningsnet in Wateringen. In het besluit is vermeld dat, doordat niet met zekerheid vaststaat dat dit het definitieve aanlandingspunt van de kabel zal zijn, de vergunningverlening voor het kabeltracé vanaf de duinvoet over land op een later tijdstip zal plaatsvinden en dat dit dan ook geen onderdeel uitmaakt van het besluit.

De vergunning en de wijziging hiervan zijn gebaseerd op de Waterwet. De bij verlening of wijziging van deze vergunning te maken belangenafweging volgt uit de Waterwet, het Waterbesluit en de ten tijde hier van belang zijnde Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone.

Het belang van de stichting ligt, zoals de stichting ter zitting heeft bevestigd, niet in de wijziging van het aanlandingspunt maar in de door haar gevreesde gevolgen van het kabeltracé over land vanaf dit aanlandingspunt. Over dat tracé heeft, zoals hierboven is overwogen, nog geen besluitvorming plaatsgevonden. De belangen die in dat kader aan de orde kunnen komen betreffen de ruimtelijke ordening en worden niet beheerst door de Waterwet en kunnen ten volle in de procedure over die besluitvorming aan de orde worden gesteld.

Nu de door de stichting gevreesde gevolgen van het kabeltracé over land geen verband hebben met de wijziging in de Waterwetvergunning, maar met de nog af te geven vergunning in het kader van de ruimtelijke ordening, staat het belang van de stichting in een zodanig ver verwijderd verband met de wijziging in de Waterwetvergunning dat hier geen sprake is van een rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de stichting geen belanghebbende is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep van de stichting is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de stichting tegen het besluit van 26 januari 2011 van de minister niet-ontvankelijk verklaren. Het hoger beroep van Den Haag is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan de stichting wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de stichting Stichting Bewonersbelangen Kijkduin gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011 in zaak nr. 11/1265;

III. verklaart het door de stichting Stichting Bewonersbelangen Kijkduin bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het hoger beroep van de gemeente Den Haag, het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en de raad van de gemeente Den Haag ongegrond;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan de stichting Stichting Bewonersbelangen Kijkduin het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

85-615.