Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201104387/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming "Agrarische bedrijven" in de bestemming "Woningen" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104387/1/R3.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente Oss,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming "Agrarische bedrijven" in de bestemming "Woningen" ter plaatse van het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de rechtbank 's Hertogenbosch ingekomen op 29 november 2010, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep naar de Afdeling doorgezonden, waar dit op 12 april 2011 is ingekomen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2012, waar [appellant] , vertegenwoordigd door J.M.P. Kamp, en het college, vertegenwoordigd door ir. A. Straathof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan het perceel [locatie] te [plaats] waarop het verzoek van [appellant] betrekking heeft, zijn in het bestemmingsplan "Buitengebied 1999" de hoofdbestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurwaarden" en de detailbestemming "Agrarische bedrijven" toegekend. Gronden met deze detailbestemming zijn ingevolge artikel 3.1, onder A, aanhef en eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een bestaand grondgebonden of niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, met per bouwblok niet meer dan één agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarische bedrijven" wijzigen in de bestemming "Woningen", niet zijnde een recreatiewoning, met een aanduiding voor de klasse woning, met dien verstande dat:

- bij hergebruik geen onevenredige beperkingen voor agrarische bedrijven optreden;

- in het kader van hergebruik alle overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt, behalve wanneer de bebouwing tevens is bestemd tot "Cultuurhistorische waardevolle bebouwing en elementen";

- het bedrijf ophoudt te bestaan;

- in gebieden die op plankaart 3 zijn aangeduid als "Agrarisch ontwikkelingsgebied", "Agrarisch verbredingsgebied" en "Agrarisch verwevingsgebied" aangetoond moet worden dat agrarisch hergebruik redelijkerwijs niet mogelijk is.

2.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden voldaan aan de in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften gestelde voorwaarde dat alle overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en heeft het verzoek afgewezen. Een deel van het perceel [locatie] waarop bedrijfsgebouwen staan is immers niet in eigendom van [appellant], maar van het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL), aldus het college. Nu bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid het gehele bestemmingsvlak dient te worden betrokken, moet volgens het college ook rekening worden gehouden met de gronden die in eigendom zijn van het BBL. Het BBL heeft aan het college te kennen gegeven de bedrijfsbebouwing niet te willen slopen en zijn gronden te willen verkopen.

2.3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte onder het begrip overtollige bedrijfsbebouwing als bedoeld in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften voormalige bedrijfsbebouwing verstaat. Volgens [appellant] wordt het begrip overtollig niet gedefinieerd in de planregels. In artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften staat voorts niet boven welke maat of hoeveelheid van overtollige bedrijfsbebouwing moet worden gesproken, of dat een gebouw overtollig is wanneer dit niet in overeenstemming met de nieuwe bestemming is te gebruiken.

Voorts stelt [appellant] dat het BBL voornemens is de bedrijfsbebouwing te slopen.

2.3.1. Op het perceel [locatie] staat een bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing. De planvoorschriften voorzien weliswaar niet in een definitie van het begrip overtollige bedrijfsbebouwing maar de betekenis van dit begrip vloeit voort uit de planvoorschriften. Bij een wijziging van de bestemming "Agrarische bedrijven" in de bestemming "Woningen" als bedoeld in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften en een daarmee gepaard gaand gewijzigd gebruik worden de bedrijfsgebouwen overtollig, want wat betreft oppervlakte ruimer dan nodig voor de woonbestemming.

Voor zover [appellant] stelt dat de bedrijfsbebouwing op de gronden van het BBL zullen worden gesloopt, overweegt de Afdeling dat uit navraag van het college bij BBL het tegendeel is gebleken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Overigens acht de Afdeling het standpunt van de raad dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid het gehele bestemmingsvlak dient te worden betrokken, en derhalve ook de gronden die na verkoop door [appellant] in eigendom zijn van het BBL, niet onjuist.

Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met het niet slopen van de bedrijfsgebouwen niet wordt voldaan aan de in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften gestelde voorwaarde dat in het kader van hergebruik alle overtollige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt.

Het betoog faalt.

2.4. Voorts stelt [appellant] dat in het bestemmingsplan "Buitengebied Oss - 2010", dat is vastgesteld op 1 juni 2010, aan zijn perceel een woonbestemming is toegekend. Volgens [appellant] valt niet in te zien waarom het toekennen van een woonbestemming aan zijn perceel middels een wijzigingsplan desondanks niet mogelijk is.

2.4.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat bij het bestemmingsplan "Buitengebied Oss - 2010" een nieuwe planologische afweging is gemaakt. Anders dan bij het vaststellen van het door [appellant] gewenste wijzigingsplan, hoefde bij het toekennen van een woonbestemming in een nieuw bestemmingsplan niet te worden voldaan aan de in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Het betoog faalt.

2.5. Voor zover [appellant] stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, overweegt de Afdeling als volgt. Ten aanzien van de door [appellant] gemaakte vergelijking met andere plannen wordt overwogen dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in die situaties agrarische bestemmingen in een nieuw bestemmingsplan zijn vervangen door een woonbestemming en het hier een wijzigingsplan betreft. Zoals hiervoor onder 2.4.1. is overwogen hoefde bij het toekennen van een woonbestemming in een nieuw bestemmingsplan niet te worden voldaan aan de in artikel 5.2, lid 5.2.8, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

288-653.