Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201008322/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010, kenmerk 10raad00306, heeft de raad het bestemmingsplan "Dommelen 2009" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Besluit ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.6
Waterwet
Waterwet 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2012/83 met annotatie van H.J. Breeman, R.J.G. Bäcker
Milieurecht Totaal 2012/5727 met annotatie van P. Jong
JOM 2012/436
JM 2012/56 met annotatie van P. Jong
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008322/1/R3.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Valkenswaard,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Valkenswaard,

3. [appellant sub 3], wonend te Valkenswaard,

4. [appellanten sub 4] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Valkenswaard,

en

de raad van de gemeente Valkenswaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010, kenmerk 10raad00306, heeft de raad het bestemmingsplan "Dommelen 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2010, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 september 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2010, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 september 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3], [appellanten sub 2], en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2012, waar [appellant sub 3], bijgestaan door E.M. Ledder, [appellanten sub 2], bij monde van [een van appellanten sub 2], [appellant sub 4], bij monde van [een van appellanten sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door S. Looijmans en mr. H.G.W. van Heugten, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actualisatie van de bestemmingsplannen voor de kern Dommelen en is overwegend conserverend van aard.

De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 3]

2.2. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] voeren aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" voor het perceel Vilderwei 1 heeft vastgesteld.

[appellanten sub 1] voeren aan dat het bestaande bijgebouw ten onrechte op de verbeelding is weergegeven en als zodanig is bestemd, dan wel onder het overgangsrecht is gebracht. Daartoe voeren zij aan dat dit bijgebouw zonder de daartoe vereiste vrijstelling en vergunning is gebouwd.

[appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte het bijgebouw niet als zodanig heeft bestemd. Daartoe voert hij aan dat de raad in een eerdere bouwvergunningprocedure en in de beantwoording van de zienswijzen heeft gesteld dat tegen het bijgebouw geen bezwaren bestaan vanuit een oogpunt van stedenbouw en ruimtelijke ordening. Verder wijst [appellant sub 3] er op dat de in artikel 19, lid 19.4, onder 19.4.2, van de planregels vervatte ontheffingsbevoegdheid die voorzag in legalisering van het bijgebouw, ten onrechte bij de vaststelling is komen te vervallen.

2.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bijgebouw in het plan niet als zodanig is bestemd. Dat het bijgebouw op de kadastrale ondergrond van de verbeelding voorkomt betekent niet dat het bijgebouw als zodanig is bestemd. De raad voert voorts aan dat in het ontwerp van het plan een ontheffingsbevoegdheid was opgenomen ten aanzien van de aan te houden afstand voor bijgebouwen van de zijdelingse perceelsgrens. Deze regeling is uiteindelijk niet vastgesteld vanwege het streven naar een uniforme regeling op dit punt voor alle bestemmingsplannen. Ter zitting heeft de raad verklaard geen ruimtelijke bezwaren te hebben tegen het bijgebouw ter plaatse en dat het college van burgemeester en wethouders inmiddels een omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bijgebouw heeft verleend.

2.2.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.2, aanhef en onder b, sub 2, van de planregels, voor zover hier van belang, mogen, met inachtneming van de subbepalingen in lid 19.3, de bijgebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak voor hoofdgebouwen en op gronden op de plankaart aangeduid met "(mg)".

Ingevolge artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.3, aanhef en onder b.2, voor zover hier van belang, geldt voor de bouw van aanbouwen en bijgebouwen, voor zover gesitueerd op de gronden aangeduid met "(mg)" en/of binnen dat deel van het bouwvlak dat niet is bestemd voor de hoofdbouw een minimum afstand van 0 meter tot de zijdelingse perceelgrens bij aanbouwen en bijgebouwen achter de van de weg afgekeerde bouwvlakgrens en achter het verlengde van die grenslijn, voor zover op de plankaart niet anders aangegeven.

Ingevolge artikel 1, onder 25, wordt onder de van de weg afgekeerde bouwvlakgrens verstaan: een op de plankaart aangegeven lijn die de grens vormt van een bouwvlak aan de zijde van het achtererf.

Ingevolge artikel 27, lid 27.1, onder 1 en a, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning en afwijkt van het plan, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 27, lid 27.2, onder 1, mag het gebruik van de grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 27, lid 27.2, onder 4, is het bepaalde onder 1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.2.3. De gronden op het perceel Vilderwei 1 hebben de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)". Op de verbeelding is ten behoeve van het hoofdgebouw een bouwvlak aangebracht en verder is op de kadastrale ondergrond het bedoelde bijgebouw aangeduid. Het bijgebouw staat op de zijdelingse perceelgrens met onder meer het perceel van [appellanten sub 1] aan de [locatie a]. Dit perceel heeft een achtertuin met een diepte van ongeveer 12 meter.

2.2.4. De Afdeling overweegt dat het feit dat het bijgebouw op de ondergrond van de verbeelding voorkomt niet reeds met zich brengt dat dit als zodanig is bestemd. Uit de onder 2.3.2 geciteerde planregels volgt dat, onder voorwaarden, bijgebouwen binnen de bestemming "Wonen (W)" binnen bouwvlakken zijn toegestaan en op gronden met de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)", mits aan het bepaalde onder 19.3.3 wordt voldaan. Dat is hier niet het geval, aangezien het bijgebouw niet achter de van de weg afgekeerde bouwvlakgrens en achter het verlengde van die grenslijn staat, maar deze lijn gedeeltelijk overschrijdt. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het bijgebouw niet als zodanig is bestemd en het betoog van [appellanten sub 1] mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover [appellanten sub 1] betogen dat het bijgebouw ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, wordt overwogen dat dit niet het geval is. In dit verband stelt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 15 juli 2009, in zaaknr. 200809378/1/H1 (www.raadvanstate.nl), vast dat bij besluit op bezwaar de aanvankelijk voor het bijgebouw verleende vrijstelling en bouwvergunning zijn herroepen en dat alsnog is geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen en dat het beroep en hoger beroep tegen dit besluit op bezwaar ongegrond zijn verklaard. Het bijgebouw is in strijd met het voorheen geldende plan gebouwd en valt derhalve niet onder de werking van het overgangsrecht.

2.2.5. In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)" voor het perceel Vilderwei 1 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond.

2.2.6. Ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2.3. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] overweegt de Afdeling dat de raad het bestaande bijgebouw niet als zodanig heeft bestemd, terwijl gebleken is dat hij in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen bezwaren had tegen het bijgebouw ter plaatse. Dat de raad, naar aanleiding van een amendement, bij de vaststelling van het plan heeft besloten te streven naar een uniforme regeling voor bijgebouwen in alle bestemmingsplannen is geen reden om niet te bezien of dit bijgebouw niet reeds bij recht mogelijk kon worden gemaakt. Dit klemt te meer nu [appellant sub 3] in zijn zienswijze de raad nadrukkelijk heeft verzocht om het bijgebouw als zodanig te bestemmen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad onvoldoende met de belangen van [appellant sub 3] rekening heeft gehouden. Het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)" voor het perceel Vilderwei 1 is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.

2.3.1. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)" voor het perceel Vilderwei 1, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

2.3.2. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.4. Het beroep van [appellanten sub 2] is gericht tegen de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" voor de gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b]. Volgens [appellanten sub 2] is op grond van artikel 3, lid 3.5, van de planregels wijziging van de bestemming van deze gronden mogelijk in "Maatschappelijk - begraafplaats (M-MP)", terwijl ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van deze wijziging voor de waterhuishouding van hun gronden en de wijzigingsvoorwaarden geen waarborgen bevatten ter voorkoming van wateroverlast. Voorts voeren zij aan dat de desbetreffende gronden opgehoogd dienen te worden waardoor hun uitzicht zal worden belemmerd, inkijk zal ontstaan op hun perceel en dat de landschappelijke waarden hierdoor zullen worden verstoord. Ook voeren zij aan dat de raad ten onrechte geen overleg met hen heeft gevoerd over deze wijzigingsbevoegdheid en deze ten onrechte pas bij de vaststelling van het plan hierin heeft opgenomen.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bij recht mogelijk maken van de uitbreiding van de begraafplaats niet noodzakelijk is, maar dat het maatschappelijke belang bij een mogelijke uitbreiding van de bestaande begraafplaats wel met zich brengt dat dient te worden voorzien in voormelde wijzigingsbevoegdheid. Volgens de raad is de uitbreiding daadwerkelijk mogelijk. Aan de wijzigingsbevoegdheid zijn voorts zodanige voorwaarden verbonden dat voor ernstige waterhuishoudkundige problemen niet behoeft te worden gevreesd en met de belangen van [appellanten sub 2] rekening zal worden gehouden. Voorts wijst de raad er op dat voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid een afzonderlijke procedure geldt met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden.

2.4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de gronden met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid" ten behoeve van de uitbreiding van de begraafplaats gelegen aan de Bergstraat en de bestemming "Agrarisch (A)" geheel of gedeeltelijk te verwijderen en de gronden te bestemmen voor "Maatschappelijk - begraafplaats (M-MP)", zoals omschreven in en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in artikel 12, onder de voorwaarden dat:

a. middels een capaciteitsonderzoek is aangetoond dat uitbreiding van de begraafplaats noodzakelijk is;

b. middels een onderzoek naar de bodemgesteldheid en de gemiddelde hoogste grondwaterstand wordt aangetoond dat de desbetreffende gronden geschikt zijn voor uitbreiding van de begraafplaats.

2.4.3. Niet in geschil is dat de bestaande waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het perceel van [appellanten sub 2], zoals ter zitting aan de hand van fotomateriaal nader is toegelicht, problematisch is vanwege de aanwezigheid van waterlopen en het hoogteverschil tussen gronden. Vast staat dat geen onderzoek is verricht naar de waterhuishoudkundige gevolgen van de mogelijke uitbreiding van de begraafplaats voor hun perceel. De raad heeft de wijzigingsbevoegdheid bij de vaststelling in het plan opgenomen omdat de Pastorale Eenheid Valkenswaard op termijn een uitbreiding van haar begraafplaats wenst. Het standpunt van de raad dat voorafgaand aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid onderzoeken naar de bodemgesteldheid en grondwaterstand zullen worden verricht en dat de uitbreiding van de bestaande begraafplaats binnen de planperiode niet is uitgesloten gaat er echter aan voorbij dat hij reeds bij de vaststelling van het plan dient te onderzoeken of gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk is, met inachtneming van de belangen van [appellanten sub 2]. Dat de raad hieraan voorbij is gegaan klemt te meer nu de waterhuishouding van de gronden ter plaatse problematisch is en dit juist aanleiding had moeten zijn voor zorgvuldig onderzoek naar de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid. Nu de raad dit heeft nagelaten is het plan in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.

Gelet hierop behoeven de gronden van [appellanten sub 2] voor het overige geen verdere bespreking.

2.4.4. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" voor de gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.4.5. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 4]

2.5. [appellant sub 4] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zijn beroep is gericht tegen de vaststelling van de plangrens aan de achterzijde van het perceel aan het Brouwerijplein 87, de plandelen met de bestemmingen "Horeca (H)" en "Agrarisch" met onder meer de aanduiding "wonen (w)" aan de Westerhovenseweg 2 en het daarachter gelegen plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" en het maximum bebouwingspercentage van 25. Voorts is het beroep gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" aan de Goudenrijderhof 2 en de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk-begraafplaats (M-BP)" en "Agrarisch (A)" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b].

Ontvankelijkheid

2.6. Voor zover het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" aan de Goudenrijderhof 2, overweegt de Afdeling dat de afstand tussen zijn gronden op en nabij het perceel Westerhovenseweg 2 en dit perceel ongeveer 250 m is.

[appellant sub 4] heeft geen zicht op dit perceel. Deze afstand is in dit geval te groot om een rechtstreeks bij het bestreden plandeel betrokken belang te kunnen aannemen en ook overigens is niet gebleken van belangen van [appellant sub 4] die rechtstreeks bij dat plandeel zijn betrokken. Dat op het perceel Goudenrijderhof 2, anders dan op de gronden van [appellant sub 4], wel uitbreiding van bedrijfsmatige activiteiten door middel van toekenning van een bedrijfsbestemming zijn toegestaan, maakt niet dat hij als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij voormeld plandeel kan worden aangemerkt.

[appellant sub 4] is evenmin belanghebbende bij de plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk-begraafplaats (M-BP)" en "Agrarisch (A)" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b] waar de bestaande begraafplaats en, na wijziging, een uitbreiding hiervan, is voorzien. Dat hij als gevolg hiervan ter plaatse en op zijn agrarische gronden, die op een aanzienlijke afstand van deze plandelen, liggen, wateroverlast vreest maakt niet dat hij bij deze plandelen een rechtstreeks betrokken belang heeft.

Het beroep van [appellant sub 4] is, voor zover gericht tegen voornoemde plandelen, niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.7. [appellant sub 4] betoogt dat de raad ten onrechte de plangrens heeft vastgesteld aan de achterzijde van het perceel Brouwerijplein 87 en zijn agrarische gronden ter plaatse. Hierdoor zijn zijn gronden ten onrechte buiten het plan gelaten en worden de problemen ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van de bierbrouwerij, waarvoor eind jaren '80 een vrijstelling en een bouwvergunning is verleend, niet opgelost. Hij voert aan dat deze landschappelijke inpassing niet kan worden verwezenlijkt.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 4] bedoelde groenzone niet in het plan behoefde te worden opgenomen en dat de landschappelijke inpassing onderdeel is van de vrijstelling die in 1989 is verleend voor een uitbreiding van de bierbrouwerij. Deze inpassing heeft betrekking op gronden ten westen van de bierbrouwerij.

2.7.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestreden plangrens strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daartoe wordt overwogen dat [appellant sub 4] niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen de agrarische gronden ten westen van de plangrens en de gronden in het plan een zodanige samenhang bestaat dat de raad deze gronden in het plan had moeten betrekken. Voor zover ter plaatse een landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat de raad hierin geen aanleiding heeft behoeven te zien om deze agrarische gronden in het plan op te nemen. Het enkele feit dat deze gronden buiten het plan zijn gelaten betekent niet reeds dat hier geen landschappelijke inpassing kan plaatsvinden. Overigens staat het plan niet in de weg aan enige landschappelijke inpassing op gronden van de bierbrouwerij met de bestemming "Bedrijf (B)", nu ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels gronden met deze bestemming mede bestemd zijn voor groenvoorzieningen. Het betoog ten aanzien van de plangrens faalt.

2.8. [appellant sub 4] betoogt voorts dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 25%" heeft vastgesteld voor zijn agrarische gronden achter het perceel Westerhovenseweg 2, omdat niet is voorzien in het door hem gewenste extensieve agrarische bouwblok, waardoor een uitbreiding van bebouwing en een goede bedrijfsvoering mogelijk wordt gemaakt.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van concrete plannen van [appellant sub 4] die ter plaatse een hoger bebouwingspercentage dan 25 noodzakelijk maken.

2.8.2. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een maximum bebouwingspercentage van 25 heeft kunnen vaststellen voor deze agrarische gronden. Daarbij wordt overwogen dat [appellant sub 4] ter zitting heeft verklaard dat hij geen concrete plannen heeft voor uitbreiding van de bestaande activiteiten op deze agrarische gronden en dat het vastgestelde maximum bebouwingspercentage niet in de weg staat aan enige uitbreiding.

Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om het door [appellant sub 4] voorgestane bouwblok in het plan op te nemen.

2.9. Ten aanzien van de plandelen met de bestemmingen "Horeca (H)" en "Agrarisch (A)" en de aanduiding "wonen (w)" aan de Westerhovenseweg 2 voert [appellant sub 4] aan dat de grens tussen de horecabestemming en de woonbestemming ter plaatse onjuist is en dat ten onrechte slechts is voorzien in een maximum bebouwingspercentage van 15. [appellant sub 4] stelt dat met een vergroting van de omvang van het plandeel met de horecabestemming en het maximum bebouwingspercentage bebouwing mogelijk wordt op nog in de grond aanwezige fundamenten van voormalige bebouwing van de bierbrouwerij en dat dit nodig is voor het behoud van bestaande bouwwerken.

2.9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de vastgestelde horecabestemming en het maximum bebouwingspercentage in overleg met [appellant sub 4] tot stand zijn gekomen en toereikend zijn voor de huidige horeca-activiteiten van [appellant sub 4].

2.9.2. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 4] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat het standpunt van de raad onjuist is. Niet aannemelijk is gemaakt dat de huidige activiteiten niet als zodanig zijn bestemd en dat het bebouwingspercentage ontoereikend is. Voorts heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om verdere uitbreiding van de horeca-activiteiten op bedoelde fundamenten op het perceel mogelijk te maken, nog daargelaten dat [appellant sub 4] dit voornemen pas na de vaststelling van het plan kenbaar heeft gemaakt. [appellant sub 4] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat vergroting van het plandeel met de horecabestemming en het maximum bebouwingspercentage nodig is voor het behoud van bestaande bouwwerken. Overigens kan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 25 van de planregels ontheffing van de planregels verlenen voor de verruiming van de bestemmingsgrens en de vergroting van het maximum bebouwingspercentage met ten hoogste 10%, indien aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.

2.10. [appellant sub 4] heeft zich voor het overige in zijn beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 4] heeft in zijn beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

2.11. In hetgeen [appellant sub 4] ook overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, in zoverre, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.11.1. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 4] niet-ontvankelijk, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" voor het perceel Goudenrijderhof 2;

b. plandelen met de bestemmingen "Maatschappelijk-begraafplaats (M-BP)" en "Agrarisch (A)" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b];

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 2] gegrond;

III. vernietigt het besluit van 1 juli 2010, kenmerk 10raad00306, van de raad van de gemeente Valkenswaard tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dommelen 2009", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "erfbepaling met gebouwen (mg)" voor het perceel Vilderwei 1;

b. de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" voor de gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" aan de zuidzijde van het perceel [locatie b];

IV. verklaart het beroep van [appellanten sub 4] voor het overige en het beroep van [appellanten sub 1] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Valkenswaard tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van hun beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 359,13 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro en dertien cent);

VI. gelast dat de raad van de gemeente Valkenswaard aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a) € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3];

b) € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

459-629.