Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201105086/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105086/1/A2.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bemmel, gemeente Lingewaard,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 maart 2011 in zaak nr. 10/3667 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 augustus 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2011, waar [appellant] in persoon, vergezeld van zijn [echtgenote], en het college, vertegenwoordigd door R.L. Noppen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellant] is eigenaar van perceel [locatie A] te Bemmel. Hij heeft verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van het college van 14 oktober 2004 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO van het bestemmingsplan 'Het Hoog 1978', met gebruik waarvan bouwvergunning is verleend voor de bouw van een woning op perceel [locatie B] te Bemmel. Hij heeft tevens verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van het college van 10 mei 2005 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO van het bestemmingsplan, met gebruik waarvan een zwembad mag worden gerealiseerd.

Het college heeft aan het besluit van 7 juli 2009 een door Adviesbureau Kraan & De Jong opgestelde advies van 27 januari 2009 ten grondslag gelegd en aan het besluit van 24 augustus 2010 een door Kraan & Jong opgesteld nader advies van 26 april 2010.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de kosten van een deskundigenadvies heeft afgewezen. Hij voert aan dat hij naar aanleiding van het advies van Kraan & De Jong van 27 januari 2009 advies heeft gevraagd aan ir. H. Post van bureau Oostzee Stedenbouw, omdat dit bureau met het opstellen van het bestemmingsplan was belast, en dat hij op basis van door Post bij brief van 4 mei 2009 uitgebracht advies bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 juli 2009. Hij voert verder dat hij het door Post bij brief van 13 oktober 2010 uitgebrachte nadere advies heeft gevraagd naar aanleiding van het besluit van 24 augustus 2010, omdat het college op basis van het advies van Kraan & De Jong van 26 april 2010, in afwijking van een advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 22 december 2009, het besluit van 7 juli 2009 heeft gehandhaafd.

2.3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze door [appellant] gemaakte kosten niet kunnen worden aangemerkt als redelijkerwijs noodzakelijk om tot een geobjectiveerde waardebepaling te komen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat Post in zijn brieven aan [appellant] vooral een toelichting heeft gegeven op de geschiedenis van de totstandkoming en op de bedoeling van de ingevolge het bestemmingsplan voor perceel [locatie B] geldende bestemming. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat aan de bedoelingen die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen in deze procedure geen betekenis kan toekomen.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn verzoek het college te adviseren of op te dragen bij de voorbereiding van een nieuw besluit op het door hem gemaakte bezwaar geen gebruik te maken van de diensten van Kraan & De Jong.

2.4.1. Ook dit betoog faalt. Ingevolge artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht mag het college ter motivering van een besluit volstaan met een verwijzing naar een met het oog op dat besluit uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het college komt bij de keuze van een adviseur een ruime discretionaire marge toe. De rechtbank heeft dan ook met juistheid in de omstandigheid dat zij de door Kraan & De Jong gemaakte planvergelijking ondeugdelijk heeft bevonden, geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college aan een nieuw besluit op het door [bezwaarmaker] gemaakte bezwaar geen ander door Kraan & De Jong opgesteld advies ten grondslag mag leggen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Oranje

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

507.