Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201107195/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Koninginnelaan I" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107195/1/R2.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Koninginnelaan I" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 augustus 2011.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], makelaar, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.P. Berg en Oorthuysen-Foppen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [partij], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, ter zitting verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek heropend teneinde alsnog kennis te kunnen nemen van een nader ingediend stuk.

Partijen hebben nadere stukken ingediend. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" voor een perceel aan de Koninginnelaan. Met het plan wordt beoogd de bouw van enkele nieuwe woningen mogelijk te maken. Ook voorziet het plan in het toekennen van de bestemming "Wonen" aan een bestaand pand.

[appellante], eigenaar van een belendend perceel, kan zich niet met het plan verenigen.

2.2. [appellante] voert aan dat de stedenbouwkundige onderbouwing van het plan ontbreekt. De nieuwe bouwmassa sluit niet aan bij de omgeving, nu de bestaande bebouwing een geheel ander bouwvolume heeft dan de bebouwing die in het plan mogelijk wordt gemaakt. Het is onduidelijk welke stedenbouwkundige uitgangspunten worden gehanteerd.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat in paragraaf 2.3 van de plantoelichting staat dat in het plangebied kleinschaligheid wordt afgewisseld door grootschaligheid, het plangebied voldoende ruim is om de woningen te situeren en dat de woningen qua bouwmassa in het plangebied passen. De Afdeling ziet gelet hierop geen grond voor het oordeel dat het plan een ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Gezien de aard en omvang van het perceel is er voorts geen grond voor het oordeel dat de raad de voorziene bebouwing niet passend heeft hoeven achten.

2.3. [appellante] stelt zich op het standpunt dat het plan niet voldoet aan het "Toetsingskader woningbouwplannen op inbreidingslocaties" (hierna: het Toetsingskader), nu binnen het plangebied een hogere woningprijs wordt toegestaan en het vereiste percentage goedkopere woningen niet wordt gerealiseerd. Tevens wordt niet voldaan aan de eis in het Toetsingskader dat bij het bouwen van seniorenwoningen een intentieverklaring van een zorginstelling voor de mogelijkheid van het leveren van zorg aanwezig is. Ook stelt zij dat een rechtsongelijkheid wordt gecreƫerd met andere bouwplannen voor seniorenwoningen ten aanzien waarvan de eisen uit het Toetsingskader wel strikt worden gehanteerd.

2.3.1. Blijkens de overgelegde stukken is de raad afgeweken van het Toetsingskader omdat de in het plan voorziene ontwikkeling te klein is om een intentieverklaring voor het leveren van zorg te vereisen. Voorts is het aanhouden van de in het Toetsingskader aangegeven prijsgrens in de gegeven marktomstandigheden niet haalbaar, aldus de raad.

Ten aanzien van de door [appellante] gemaakte vergelijking met het plan aan de Buurtweg in Voorthuizen stelt de raad zich op het standpunt dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat het Toetsingskader moet worden beschouwd als gemeentelijk beleid waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. De Afdeling is van oordeel dat de hiervoor genoemde redenen waarom de raad van het Toetsingskader is afgeweken, deugdelijk zijn.

In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Toetsingskader niet op het plan aan de Buurtweg van toepassing is, nu dat plan een eigen plaats gekregen heeft in het woningbouwprogramma van de gemeente Barneveld.

2.4. [appellante] betoogt dat in het plangebied geen goed woon- en leefklimaat mogelijk is vanwege de geurhinder die het nabijgelegen mengvoederbedrijf Brons veroorzaakt. Het mengvoederbedrijf ligt op minder dan 200 meter afstand van het plangebied, de in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) voor een dergelijk bedrijf aanbevolen afstand.

[appellante] stelt verder dat de raad ten onrechte uitgaat van geurcontouren van 1,0 en 1,4 Oue/m3 op grond van de Bijzondere regeling voor de mengvoederindustrie, onderdeel van de Nederlandse emissierichtlijn (hierna: de NeR). Deze regeling hanteert voor nieuwe situaties een norm van 0,7 Oue/m3. Toepassing van deze norm leidt ertoe dat de nieuwe woningen niet kunnen worden gerealiseerd.

2.4.1. Volgens de raad is sprake van een bestaande situatie in de zin van de NeR, waarvoor ingevolge de NeR een norm van 1,4 Oue/m3 geldt. De raad wijst op het geurrapport waarvan gebruik is gemaakt bij de beoordeling van de aanvraag voor een milieuvergunning van Brons. Blijkens het geurrapport wordt die norm op het perceel waar de woningen zijn voorzien niet overschreden. De raad betoogt tevens dat de afstand vanaf de emissiepunten van het mengvoederbedrijf tot het perceel meer dan 200 meter bedraagt. De geurhinder van het mengvoederbedrijf vormt derhalve geen belemmering voor de in het plan voorziene woningbouw, aldus de raad.

2.4.2. In de NeR zijn voor emissies van de diervoederindustrie richtlijnen opgenomen. Die richtlijnen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Voor bestaande situaties geldt een acceptabel geurhinderniveau van 1,4 Oue/m3 als 98-percentiel. In een bestaande situatie mag de geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden.

2. Voor nieuwe situaties geldt een acceptabel hinderniveau van 0,7 Oue/m3 als 98-percentiel. In een nieuwe situatie mag de geurbelasting bij geurgevoelige objecten deze waarde niet overschrijden.

Deze normen moeten gelezen worden in samenhang met het in paragraaf 2.5.4 van de NeR gestelde, dat als volgt luidt: "Er is sprake van een nieuwe situatie als voor de eerste keer een milieuvergunning wordt gevraagd voor een bepaalde activiteit. Bij een bestaande situatie is een activiteit reeds eerder vergund geweest."

De in de NeR bedoelde bestaande en nieuwe situatie hebben derhalve naar het oordeel van de Afdeling betrekking op de situatie van de inrichting en niet op de situatie in de omgeving daarvan.

Voor het mengvoederbedrijf is, voor zover hier van belang, in het verleden een milieuvergunning verleend. Derhalve kan de raad worden gevolgd in zijn standpunt dat in dezen sprake is van een bestaande situatie als bedoeld in de NeR en heeft hij de norm van 1,4 Oue/m3 in dit geval als maatstaf voor een acceptabel hinderniveau bij geurgevoelige objecten mogen hanteren. Dat het plan voorziet in nieuwe woningen maakt dat gezien het bovenstaande niet anders.

Uit het rapport van onderzoeksbureau Blauw, gedateerd 16 november 2010, dat is opgesteld ten behoeve van de aanvraag om een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer voor het mengvoederbedrijf, blijkt dat op het perceel de waarde van 1,4 Oue/m3 niet wordt overschreden. Het betoog van [appellante] dat niet van dit rapport mocht worden uitgegaan, nu ten tijde van de vaststelling van het plan de desbetreffende milieuvergunning nog niet onherroepelijk was, faalt. Dit feit doet niet af aan de kwaliteit van dit rapport. Ook overigens heeft [appellante] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven aan de juistheid van het rapport op dit punt te twijfelen. De raad mocht daarom op basis van de NeR concluderen dat voldoende waarborgen bestaan voor een acceptabel hinderniveau bij de in het plan voorziene woningen.

Niet in geschil is dat de in de VNG-brochure in verband met geurhinder aanbevolen minimale afstand tussen bedrijven als het mengvoederbedrijf Brons en woningen 200 meter bedraagt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze afstand in redelijkheid vanaf de geuremissiepunten van het mengvoederbedrijf kunnen meten, gelet op het feit dat de twee emissiepunten zich blijkens de milieuvergunning op een vaste plaats op het terrein bevinden. De raad heeft onweersproken gesteld dat de afstand tussen de emissiepunten en het plangebied meer dan 200 meter is. Gelet op het bovenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ook op basis van de VNG-brochure in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van woningen op het perceel uit een oogpunt van geurhinder vanwege het mengvoederbedrijf Brons aanvaardbaar is.

2.5. [appellante] stelt dat bij de voorbereiding van het plan onderzocht had moet worden of de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Op het perceel zouden krachtens de Ffw beschermde kikkers en muizen kunnen voorkomen.

2.5.1. Op 18 augustus 2008 is een bezoek aan het terrein gebracht om de aanwezige flora en fauna te bezien. Op basis daarvan is in de toelichting vermeld dat er geen holtes of nesten zijn waargenomen in de in het plangebied aanwezige bomen en beplanting. In het gazon en de strooisellaag onder de bomen en struiken kunnen muizen en kikkers voorkomen, waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen in de Ffw geldt. De raad stelt dat geen nader onderzoek verricht hoefde te worden.

2.5.2. De feiten en omstandigheden zoals in de toelichting vermeld zijn niet betwist of onjuist gebleken. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek verricht is en dat de Ffw op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.

2.6. [appellante] voert aan dat het behoud van beeldbepalende bomen op het perceel niet is gegarandeerd. Ook stelt zij dat in het plan de zinsnede "beeldbepalende bomen" ten onrechte is vervangen door "waardevolle groene elementen" en dat de eigenaar niet is gehouden om deze bomen blijvend te beschermen, terwijl dat wel zou moeten.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat de zinsnede "waardevolle groene elementen" afkomstig is uit de plantoelichting. De plantoelichting maakt evenwel geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, zodat daartegen niet kan worden opgekomen. Gelet hierop dient aan de bezwaren tegen de gewijzigde vaststelling van de plantoelichting te worden voorbijgegaan.

Voor het oordeel dat beeldbepalende bomen onvoldoende worden beschermd bestaat geen grond. De Algemene Plaatselijke Verordening bevat een regeling voor het behoud van waardevolle bomen.

2.7. Door [appellante] wordt aangevoerd dat het plan aan het gemeentelijk rioleringsplan had moeten worden getoetst. Zij stelt dat toetsing aan het gemeentelijk rioleringsplan dient plaats te vinden voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

2.7.1. De raad heeft naar voren gebracht dat het rioleringsplan zich niet leent als toetsingskader voor een bestemmingsplan als het onderhavige. [appellante] heeft geen redenen genoemd waarom dit anders zou zijn.

2.8. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

59-726.