Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6527

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201105644/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisnummer toe te kennen aan het bijgebouw gelegen aan de Wolfhezerweg op het perceel kadastraal bekend als gemeente Oosterbeek, sectie B, nummer 799, behorend bij zijn woning aan de [locatie] te Doorwerth, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105644/1/A3.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Doorwerth, gemeente Renkum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011 in zaak nr. 10/3006 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een huisnummer toe te kennen aan het bijgebouw gelegen aan de Wolfhezerweg op het perceel kadastraal bekend als gemeente Oosterbeek, sectie B, nummer 799, behorend bij zijn woning aan de [locatie] te Doorwerth, afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.E. Nauta, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Geleijnse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening naamgeving en nummering van 24 september 2008 (hierna: de oude Verordening), kan het college aan een object of aan een te onderscheiden deel daarvan een nummer toekennen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) van 2 juni 2010 (hierna: de nieuwe Verordening) wordt onder "nummeraanduiding" verstaan: door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, wordt onder "verblijfsobject" verstaan: de kleinste binnen één of meerdere panden gelegen en voor woon-, bedrijfsmatige of recreatieve doeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, die onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, kent het college binnen het grondgebied van de gemeente nummers toe aan verblijfsobjecten, ligplaatsen en standplaatsen.

Ingevolge het zevende lid kan bij de toekenning, weigering of de afbakening, als bedoeld in het tweede tot en met het vijfde lid, het ter plaatse geldende bestemmingsplan worden betrokken. Indien met het toekennen van een nummer strijd kan ontstaan of ontstaat met het geldende bestemmingsplan kan de nummering worden geweigerd. Het toekennen van een nummer houdt niet automatisch een toestemming op grond van het bestemmingsplan in.

2.2. Bij besluit van 6 juli 2010 heeft het college de afwijzing van de aanvraag van [appellant] voor de toekenning van een huisnummer aan een bijgebouw bij zijn woning gehandhaafd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het huisnummer is aangevraagd met het oog op legalisatie van de verhuur van het pand als woonruimte. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat deze legalisatie in strijd is met het geldende bestemmingsplan en acht verstedelijking van het buitengebied niet wenselijk. Voorts is medewerking aan de toekenning van een huisnummer geweigerd omdat hiermee de indruk wordt gewekt dat het bijgebouw een zelfstandig woonobject is.

Ten tijde van het besluit van 20 mei 2009 gold de op 24 september 2008 in werking getreden oude Verordening. Het besluit van 6 juli 2010 is gebaseerd op de nieuwe Verordening. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de oude Verordening niet duidelijk gunstiger is dan de nieuwe Verordening, zodat het besluit van 6 juli 2010 aan de nieuwe Verordening moest worden getoetst.

2.3. [appellant] betoogt dat de oude Verordening, anders dan de nieuwe Verordening, geen mogelijkheden kende zijn aanvraag af te wijzen op een planologische grond. De oude Verordening is volgens hem gunstiger dan de nieuwe Verordening. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat artikel 3 van de oude Verordening er niet aan in de weg stond om het geldende bestemmingsplan in de afweging te betrekken.

[appellant] stelt voorts dat het college geen beleidsregels heeft of ander vast en kenbaar beleid waaruit blijkt dat een aanvraag kan worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich er tegen dat deze weigeringsgrond aan het besluit ten grondslag wordt gelegd. Voorts heeft de bezwaarschriftencommissie volgens [appellant] terecht opgemerkt dat de toelichting bij de oude Verordening geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat bij het toekennen van een huisnummer planologische motieven een rol mogen spelen.

Ten slotte betoogt [appellant] dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het niet mee wil werken aan legalisatie om de verstedelijking van het buitengebied tegen te gaan. De bestemming "Bos- en natuurgebied" komt al langere tijd niet meer overeen met de feitelijke situatie, aldus [appellant].

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 9 november 2011 in zaak nr. 201101913/1/H3 bepaalt artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van dit uitgangspunt in een ongunstigere positie komt, daargelaten het antwoord op de vraag of deze omstandigheid zich in dit geval voordoet, is onvoldoende om daarvan af te wijken. Het college heeft de aanvraag derhalve terecht getoetst aan de nieuwe Verordening. Anders dan [appellant] betoogt verzet de rechtszekerheid zich daar niet tegen.

[appellant] heeft zijn aanvraag tot toekenning van een huisnummer gedaan met het oog op de verhuur van het pand als woonruimte. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat bewoning van het pand in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Dat de bestemming "Bos- en natuurgebied" niet meer overeen zou komen met de feitelijke situatie, wat daar verder ook van zij, doet aan deze strijdigheid niet af en brengt ook niet met zich dat zicht zou zijn op legalisatie van het gebruik van het pand als woonruimte. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toekennen van een huisnummer zou kunnen leiden tot een met het bestemmingsplan strijdige situatie. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2002 in zaak nr. 200100915/1 overweegt de Afdeling dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat het college, gelet op het belang van bestendiging van de in het bestemmingsplan neergelegde kwalificatie en ter voorkoming van een onwenselijke, mogelijke gedoogsituatie, in redelijkheid de gevraagde toekenning van een huisnummer heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

97-721.