Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201106547/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een appartementencomplex op een perceel aan de Zeeweg/Werfpad te Harlingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106547/1/A1.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Harlingen,

2. Belangenvereniging "Het Havenkwartier", gevestigd te Harlingen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 mei 2011 in zaak nr. 10/2106 in het geding tussen:

[wederpartij], gevestigd te Harlingen

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het college geweigerd aan [wederpartij] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een appartementencomplex op een perceel aan de Zeeweg/Werfpad te Harlingen.

Bij besluit van 8 september 2010 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 september 2010 vernietigd, bepaald dat het bezwaar van [wederpartij] gegrond is, het besluit van 23 maart 2010 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2011, en Belangenvereniging "Het Havenkwartier" bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 8 juli 2011. Belangenvereniging "het Havenkwartier" heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 14 juli 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam, Belangenvereniging "Het Havenkwartier", vertegenwoordigd door J. Roos en M. Twijnstra, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. E. Wiarda, juridisch adviseur te Oranjewoud, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een gebouw met hoofdzakelijk vier bouwlagen en 37 huurappartementen op het terrein van de voormalige scheepswerf Welgelegen aan de rand van de oude binnenstad van Harlingen. Het bouwplan voorziet voorts in de aanleg van 39 parkeerplaatsen op het onbebouwde terrein aan de achterzijde van het te realiseren appartementengebouw.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Harlingen- Havenkwartier c.a" heeft het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Woondoeleinden", met de nadere aanduiding bouwklasse C.

Ingevolge artikel 5, onder B, tweede lid, sub c, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de bepaling dat de maatvoering per op de kaart in het bouwvlak aangegeven bouwklasse zal voldoen aan de daaraan in het op de kaart opgenomen bouwschema gestelde eisen. Volgens het op de plankaart aangegeven bouwschema geldt voor de bouwklasse C een bouwhoogte van minimaal 8 m en maximaal 14 m.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Gemeente Harlingen, voor zover hier van belang, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien of indien het voldoen aan die bepalingen door bijzonder omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

2.3. Het college heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering om bouwvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met zowel de in de beschrijving in hoofdlijnen van het bestemmingsplan opgenomen uitgangspunten met betrekking tot de realisering van nieuwbouw als de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gestelde eis, dat voor het op te richten gebouw voldoende parkeergelegenheid moet worden aangebracht op eigen terrein.

2.4. Het college en Belangenvereniging "Het Havenkwartier" betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het bouwplan van rechtswege bouwvergunning is verleend. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het voorziene gebouw aan de westelijke zijde niet voldoet aan de minimale bouwhoogte van 8 m.

2.4.1. De bouwaanvraag is op 23 december 2010 bij het college ingekomen. Op grond van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, diende het college uiterlijk 17 maart 2011 op deze aanvraag te beslissen. Ingevolge artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien het college niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslist binnen de daarvoor in het eerste lid gestelde termijn. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet geldt de termijn waarbinnen het college een beslissing op de bouwaanvraag moet hebben genomen niet wanneer het bouwplan, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met het bestemmingsplan. In dat geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om het benodigde planologische besluit ter afwijking van het bestemmingsplan.

2.4.2. Uit de bij de bouwaanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat het appartementencomplex aan de westelijke zijde over een lengte van 7,3 m een hoogte van 6,275 m heeft. Daarmee voldoet het bouwplan niet aan de in artikel 5 onder B, tweede lid, sub c, van de planvoorschriften gestelde minimale bouwhoogte van 8 m. Aangezien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat bouwvergunning van rechtswege is verleend. Dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan om een andere reden dan het college in zijn besluit van 8 september 2010 heeft aangenomen, maakt dit niet anders. Het betoog slaagt.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande komt de Afdeling niet meer toe aan een bespreking van de overige in hoger beroep aangevoerde gronden.

2.5. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de bespreking van de door [wederpartij] in beroep aangevoerde gronden, zal de Afdeling deze alsnog beoordelen.

2.6. [wederpartij] heeft in beroep betoogd dat het college de aanvraag om bouwvergunning mede had moeten aanmerken als een aanvraag om een projectbesluit vast te stellen.

2.6.1. Dit betoog slaagt. Nu het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, was het college ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet gehouden de aanvraag om bouwvergunning tevens aan te merken als een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen, dan wel een verzoek om een projectbesluit te nemen. Uit de aan het besluit tot weigering van de bouwvergunning ten grondslag liggende overwegingen en het dictum kan niet worden geconcludeerd dat het college zich hiervan rekenschap heeft gegeven. Door dit niet te doen heeft het college in het besluit van 8 september 2010 ten onrechte geen beslissing genomen op het verzoek om verlening van ontheffing dan wel het nemen van een projectbesluit, zodat het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtbank het besluit van 8 september 2010, zij het op andere gronden, terecht heeft vernietigd.

2.7. Met betrekking tot de vraag of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, wordt als volgt overwogen.

2.8. [wederpartij] heeft in beroep voorts betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de Bouwverordening en de bouwvergunning om die reden geweigerd moet worden. Hiertoe voert zij aan dat het terrein, waarop 39 parkeerplaatsen zijn voorzien, eigendom is van [wederpartij] en dat de resterende benodigde 16,5 parkeerplaatsen in de directe nabijheid van het gebouw kunnen worden gerealiseerd, zodat het college in redelijkheid ontheffing had moeten verlenen van de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gestelde parkeereis.

2.8.1. Niet in geschil is dat het college zich bij de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen kon baseren op een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning en dat op basis hiervan 55,5 parkeerplaatsen benodigd zullen zijn. Uit de bij de bouwaanvraag behorende situatietekening blijkt dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 39 parkeerplaatsen op het achter het te realiseren gebouw gelegen onbebouwde terrein. Vast staat daarmee dat het bouwplan niet voorziet in de aanleg van de benodigde 55,5 parkeerplaatsen op het bij het te bouwen appartementencomplex behorend terrein, zodat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gestelde eis.

In hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet heeft kunnen afzien van het verlenen van ontheffing van de in het eerste lid van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening gestelde parkeereis. Op grond van artikel 6.4 van de Projectovereenkomst is de gemeente weliswaar gehouden haar medewerking te verlenen aan het realiseren van voldoende eigen parkeerruimte ten behoeve van het voorziene appartementencomplex, maar uitsluitend voor zover dat niet ten koste gaat van de openbare parkeergelegenheid en de kwaliteit van het gebied. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door de aanleg van extra parkeerplaatsen ten behoeve van het appartementencomplex onvoldoende ruimte resteert voor de aanleg van benodigde openbare parkeerplaatsen en dat de kwaliteit van de openbare ruimte onaanvaardbaar zal worden aangetast indien ter plaatse geen verblijfsgebied en speel- en zitvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd.

Het betoog faalt.

2.8.2. Gelet op het vorenstaande staat het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening in de weg aan verlening van de bouwvergunning. Nu zich een in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgrond voordoet, heeft het college gegeven de stand van zaken in dit geval reeds hierom de weigering om bouwvergunning te verlenen terecht in stand gelaten in het besluit op bezwaar van 8 september 2010. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.9. De hoger beroepen van het college en Belangenvereniging "Het Havenkwartier" zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin bepaald is dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 september 2010. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

2.10. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het college de op 26 juli 2011 ingediende aanvraag om omgevingsvergunning voor verhoging van de dakrand van het appartementencomplex buiten behandeling gelaten. [wederpartij] heeft verzocht dit besluit op de voet van artikel 6:19 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, bij het geding te betrekken. De Afdeling ziet daarvoor geen grond, nu het besluit van 12 oktober 2011 geen wijziging aanbrengt in het in dit geding voorliggende besluit van 8 september 2010, maar ziet op een nieuwe aanvraag die buiten behandeling is gelaten.

2.11. Nu de hoger beroepen gegrond zijn, bestaat aanleiding te bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan Belangenvereniging "Het Havenkwartier" het door haar betaalde griffierecht terugbetaalt. Van het college wordt geen griffierecht geheven.

2.12. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 mei 2011 in zaak nr. 10/2106, voor zover daarin is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 september 2010;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Harlingen van 8 september 2010, kenmerk U10.000381 geheel in stand blijven;

IV. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan Belangenvereniging "Het Havenkwartier" het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

604.