Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV6499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
201107136/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik door [fysiotherapiepraktijk] van een gebouw op het perceel [locatie] te Voorschoten (hierna: het perceel) als bewegingscentrum, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107136/1/A1.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Voorschoten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2011 in zaak nr. 10/8440 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het gebruik door [fysiotherapiepraktijk] van een gebouw op het perceel [locatie] te Voorschoten (hierna: het perceel) als bewegingscentrum, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2009, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2012, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J. Zwiers, en het college, vertegenwoordigd door R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Tevens verscheen daar [fysiotherapiepraktijk], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Adegeest 1968" rust op het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BDB)".

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als "bijzondere doeleinden met bijbehorende erven (BDA, BDB, BDC)" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen van bijzondere aard (zoals scholen, kerken, bejaardentehuizen, verenigingsgebouwen, gebouwen voor sociale en culturele doeleinden en horecabedrijven) met daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen en andere bouwwerken, tuinen en speelterreinen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid, aanhef voor de bouw en/of inrichting van een kantoor.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Daartoe voert hij aan dat met de in 1974 verleende binnenplanse vrijstelling ten behoeve van de oprichting van een kantoor, de in artikel 12 van de planvoorschriften opgenomen bestemming is komen te vervallen nu dat kantoor is gerealiseerd en het gebruik van het gebouw als bewegingscentrum hiermee in strijd is. Voorts voert hij aan dat het gebruik in strijd is met de in artikel 12, eerste lid, aanhef van de planvoorschriften opgenomen doeleindenbeschrijving "gebouwen van bijzondere aard" omdat het bewegingscentrum commercieel van aard is. Ook de overlast en verkeersaantrekkende werking van het bewegingscentrum zijn volgens [appellant] groter dan bij het gebruik van de in artikel 12 genoemde gebouwen.

2.2.1. Het betoog dat de bestemming die ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rust is komen te vervallen omdat op het perceel na verlening van binnenplanse vrijstelling een kantoor is gebouwd, welk gebouw voorts als zodanig in gebruik is genomen, faalt. De in 1974 verleende binnenplanse vrijstelling heeft eenmalig de mogelijkheid geboden om, in afwijking van het bestemmingsplan, op het perceel een bouwwerk op te richten en te gebruiken voor het doel waarvoor de binnenplanse vrijstelling is verleend maar wijzigt dat bestemmingsplan niet. Nu het gebruik van het bouwwerk gewijzigd wordt van een kantoor in een bewegingscentrum, moet aan de hand van de planvoorschriften worden nagegaan of dat gebruik al dan niet is toegestaan.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het gebruik van het gebouw als bewegingscentrum niet in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Bijzondere doeleinden, klasse B, met bijbehorende erven (BDB)". Daartoe wordt overwogen dat de opsomming van gebouwen van bijzondere aard in artikel 12, eerste lid, aanhef van de planvoorschriften gelet op de term "zoals", niet limitatief is en bovendien diverse, uiteenlopende soorten van gebouwen omvat. Het aan de fysiotherapiepraktijk verbonden bewegingscentrum kan hieronder worden begrepen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat de mate van overlast dan wel de verkeersaantrekkende werking van het bewegingscentrum wezenlijk verschilt van die van de in artikel 12 van de planvoorschriften gegeven voorbeelden, zoals een horecabedrijf of een school. Dat het bewegingscentrum commercieel van aard is leidt, wat daar ook van zij, nu in de planvoorschriften het onderscheid tussen commerciƫle en niet commerciƫle instellingen niet gemaakt wordt, niet tot een ander oordeel.

Nu het gebruik niet in strijd is met het bestemmingsplan was het college niet bevoegd om tot handhavend optreden over te gaan.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat het college op grond van de algemene gebruiksverbodsbepaling van artikel 352 van de Bouwverordening Voorschoten, bevoegd was om handhavend op te treden.

2.3.1. Nu het gebruik niet in strijd is met het bestemmingsplan heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de overige beroepsgronden, waaronder die met betrekking tot de verbodsbepaling, geen bespreking behoeven. Het betoog faalt derhalve.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012

414-713.