Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201107377/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ5973, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 9 juli 2009 en 7 september 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Omrin/Reststoffen Energie Centrale B.V. (hierna: Omrin) onderscheidenlijk bouwvergunning eerste fase en bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een leidingbrug voor de stoom- en condensaatleiding en voor twee gebouwen ten behoeve van technische installaties op het perceel Lange Lijnbaan 14 en 15 te Harlingen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5226
JAF 2012/17 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107377/1/A1.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Afvaloven Nee, gevestigd te Wijnaldum, gemeente Harlingen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 mei 2011 in zaken nrs. 10/1960, 10/2030, 10/2026 in het geding tussen:

Stichting Afvaloven Nee en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Harlingen.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 9 juli 2009 en 7 september 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Omrin/Reststoffen Energie Centrale B.V. (hierna: Omrin) onderscheidenlijk bouwvergunning eerste fase en bouwvergunning tweede fase verleend voor het oprichten van een leidingbrug voor de stoom- en condensaatleiding en voor twee gebouwen ten behoeve van technische installaties op het perceel Lange Lijnbaan 14 en 15 te Harlingen.

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college het door Afvaloven Nee tegen het besluit van 9 juli 2009 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de aan Omrin verleende bouwvergunning eerste fase op het perceel herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd, en het bezwaar van Afvaloven Nee tegen het besluit van 7 september 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het college aan Omrin bouwvergunning verleend voor het oprichten van een leidingbrug ten behoeve van de reststoffenenergiecentrale op het perceel.

Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft het college aan Omrin bouwvergunning verleend voor het oprichten van een pompgebouw op het perceel.

Bij uitspraak van 25 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door Afvaloven Nee tegen het besluit van 17 augustus 2010 ingestelde beroep voor zover dat ziet op haar bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2009, niet-ontvankelijk verklaard en naar aanleiding van het beroep van Omrin dat besluit vernietigd, voor zover het college daarbij de bouwvergunning voor een gebouw ten behoeve van een condensor heeft herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het college het door Afvaloven Nee gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het condensorgebouw, ongegrond verklaard en de besluiten van 9 juli 2009 en 7 september 2009 gehandhaafd, voor zover het de bouwvergunning voor het condensorgebouw betreft.

Tegen de uitspraak van 25 mei 2011 heeft Afvaloven Nee bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Omrin een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Afvaloven Nee heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2011, waar Afvaloven Nee, vertegenwoordigd door [voorzitter] van Afvaloven Nee, bijgestaan door mr. J. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Kremer en mr. M. M. Nicolai, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Omrin daar gehoord, vertegenwoordigd door [manager] in dienst van Omrin, bijgestaan door mr. H.M. Giezen, advocaat te Amsterdam.

2. Overwegingen

2.1. Afvaloven Nee betoogt dat de rechtbank het door haar ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat zij procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep dat is ingesteld tegen het besluit van het college van 17 augustus 2010. Afvaloven Nee stelt zich daartoe op het standpunt dat zij anders geen hoger beroep kan instellen tegen de uitspraak van de rechtbank, terwijl daarbij het besluit is vernietigd voor zover het de bouwvergunning voor het condensorgebouw betreft, en zij zich in zoverre niet kan verenigen met die uitspraak.

2.1.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Afvaloven Nee geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2010 voor zover dat betrekking heeft op haar bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 juli 2009. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de bouwvergunning waartegen Afvaloven Nee in bezwaar opkwam, bij het besluit van 17 augustus 2010 is herroepen en voorts dat de gronden van het beroep van de stichting zich richten tegen de motivering daarvan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat Afvaloven Nee haar betoog omtrent de leidingbrug en het pompgebouw in eventuele toekomstige procedures over de besluiten van 9 september 2010 en 15 oktober 2010 kan inbrengen en heeft haar beroep ook in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het standpunt van Afvaloven Nee dat zij geen hoger beroep kan instellen tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het besluit van 17 augustus 2010 naar aanleiding van het beroep van Omrin is vernietigd, omdat haar beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, is onjuist. Als derde-belanghebbende in die zaak, kan zij hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de rechtbank, zoals zij heeft gedaan, nu zij een tegengesteld belang aan dat van Omrin heeft over het vernietigde onderdeel van het besluit van 17 augustus 2010 en zij door de uitspraak in een nadeliger positie kan komen te verkeren.

Het betoog faalt.

2.2. Het betoog van Afvaloven Nee richt zich enkel tegen het oprichten van een gebouw ten behoeve van technische installaties, waaronder een condensor, op het perceel. De functie van dit gebouw bestaat uit het beschermen van onder meer de condensor tegen zoutneerslag vanuit het nabijgelegen pekelbassin van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Frisia Zout B.V. (hierna: Frisia). Het condensorgebouw heeft een hoogte van 11,65 m.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Industriehaven 2006", rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsgebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorie├źn 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, voor zover het betreft zeehavengebonden bedrijven.

Ingevolge artikel 6.2.1, aanhef en onder c, zal de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw ten hoogste 20 m bedragen.

Ingevolge artikel 27.3, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan, worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 1, tiende lid, wordt in deze voorschriften verstaan onder bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

2.4. Afvaloven Nee betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het condensorgebouw in strijd is met het bestemmingsplan, zodat de daarvoor verleende bouwvergunning niet in stand kan blijven. Daartoe voert zij aan dat Omrin, ten behoeve waarvan het condensorgebouw is aangevraagd, niet kan worden aangemerkt als een zeehavengebonden bedrijf als bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Ingevolge artikel 27.3 van de planvoorschriften is uitbreiding van dat bedrijf met een condensorgebouw dan ook niet toegestaan, aldus Afvaloven Nee. Voor zover het condensorgebouw als bedrijfsgebouw ten behoeve van Frisia zou moeten worden aangemerkt, stelt Afvaloven Nee zich op het standpunt dat Frisia niet behoort tot de categorie toegelaten bedrijven als genoemd in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en voorts dat uitbreiding van de bedrijfsgebouwen van Frisia evenmin is toegestaan.

2.4.1. Niet in geschil is dat het condensorgebouw als bedrijfsgebouw moet worden aangemerkt. Het condensorgebouw is gesitueerd op het terrein van Frisia en wordt opgericht ter voorziening in de energiebehoefte van voornamelijk Frisia, waarbij het onderdeel uitmaakt van de warmtekrachtcentrale van Frisia. Omrin heeft de bouwvergunning aangevraagd omdat zij de warmtekrachtcentrale van Frisia exploiteert. Gelet hierop heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat het condensorgebouw als bedrijfsgebouw ten behoeve van Frisia moet worden aangemerkt.

Niet bestreden is dat Frisia een zeehavengebonden bedrijf is als bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Geen aanknopingspunt is aanwezig voor het oordeel dat Frisia niet als een anorganische chemische grondstoffenfabriek aangemerkt kan worden als bedoeld in categorie 4.2, genoemd in bijlage 1 bij artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Ter zitting hebben het college en Omrin het proces om zout te bewerken toegelicht en uiteengezet dat Frisia deze anorganische chemische grondstof verwerkt ten behoeve van de chemische industrie.

Nu ook de hoogte van het condensorgebouw in overeenstemming is met het bepaalde in de planvoorschriften, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het oprichten van het condensorgebouw in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Gelet hierop behoeft het betoog van Afvaloven Nee dat het bouwplan in strijd is met artikel 27.3 van de planvoorschriften geen bespreking meer.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.15 februari 2012

2.6. Bij besluit van 7 juni 2011 heeft het college het door Afvaloven Nee gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen het condensorgebouw, ongegrond verklaard en de besluiten van 9 juli 2009 en 7 september 2009 gehandhaafd, voor zover deze de verlening van de bouwvergunning voor het condensorgebouw betreffen.

Het besluit wordt, gelet op artikel 6:24, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Voor Afvaloven Nee is van rechtswege een beroep tegen dit besluit ontstaan, nu daarbij niet aan de bezwaren van Afvaloven Nee is tegemoetgekomen.

2.7. Omrin stelt dat de verlening van bouwvergunning voor het condensorgebouw geen noodzakelijke voorwaarde is voor de exploitatie van de reststoffenenergiecentrale, zodat Afvaloven Nee niet als belanghebbende bij het besluit van 7 juni 2011 kan worden aangemerkt. Het beroep tegen dat besluit had volgens Omrin om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

2.7.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.7.2. Op grond van de statuten van Afvaloven Nee richt deze stichting zich, voor zover hier van belang, op het verhinderen dan wel doen staken van de (voorbereidingen van de) bouw en exploitatie van onder meer reststoffenenergiecentrales of vergelijkbare inrichtingen hoe ook genaamd in de gemeente Harlingen en omstreken, en het behouden en verbeteren van een goede ruimtelijke ordening.

Deze doelstelling omschrijft in voldoende mate de algemene belangen die door Afvaloven Nee in het bijzonder worden behartigd. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze belangen niet rechtstreeks door het besluit van 7 juni 2011 worden geraakt, zodat Afvaloven Nee als belanghebbende bij dat besluit moet worden beschouwd.

Het betoog faalt.

2.8. Het betoog van Afvaloven Nee, dat het college niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, faalt. Zoals is overwogen onder rechtsoverweging 2.4.1, is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan. Het college heeft het bezwaar van Afvaloven Nee derhalve terecht ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

407-672.