Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201101358/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege aan [locatie] te Oud Gastel. Dit besluit is op 16 december 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201101358/1/A4.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

2. [appellant sub 2], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege aan [locatie] te Oud Gastel. Dit besluit is op 16 december 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 januari 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft de gronden van beroep aangevuld bij brief van 11 maart 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H.U. van der Zee, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. H. Martens, en het college, vertegenwoordigd door drs. J.A. Keij en ing. G. van Dooren, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door ing. M. Raeijmaekers, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. De verleende revisievergunning heeft betrekking op de uitbreiding van het aantal dieren en de uitbreiding van de inrichting met een longeerbak met twee longeercirkels.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgronden omtrent het ontbreken van een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit en omtrent de niet bij de beoordeling van de aanvraag betrokken activiteiten, te weten horeca, zakelijke dienstverlening en toeristische trips in de regio, ingetrokken.

2.5. [appellant sub 2] stelt dat hij, doordat in de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.2.2. en 3.2.3. is bepaald dat het verkeer vanaf de in- en uitrit aan de Stoofstraat/Pietseweg (hierna: de in- en uitrit) van [vergunninghoudster] rechtsaf de inrichting dient te verlaten, en het daardoor langs zijn woning komt, licht- en geluidhinder ondervindt.

2.5.1. Gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting kunnen slechts aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien het zich door het rijgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De woning van [appellant sub 2] ligt aan de kruising van de Pietseweg en de Stoofstraat. De afstand van de in- en uitrit tot de woning van [appellant sub 2] bedraagt 50 meter. Gelet op de ligging en de afstand van de woning tot de inrichting, moet het aan- en afrijdend verkeer ter plaatse van de woning worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De gestelde licht- en geluidhinder van dit verkeer ter hoogte van de woning van [appellant sub 2] kunnen daarom niet aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend. Derhalve heeft het college in hetgeen hij heeft aangevoerd geen aanleiding moeten zien voor het standpunt dat de voorschriften niet in redelijkheid aan de vergunning konden worden verbonden.

De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant sub 1] voert aan dat hij geluidhinder ondervindt van het verkeer dat gebruik maakt van de in- en uitrit. Daarbij gaat het zowel om het geluid van het verkeer op het terrein van de inrichting als op de openbare weg.

2.6.1. Zoals de Afdeling ook reeds heeft overwogen in de uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200904085/1/M2, is de in- en uitrit gelegen op het terrein van de inrichting, zodat het geluid van het verkeer dat zich op deze in- en uitrit bevindt, moet worden aangemerkt als geluid van het in werking zijn van de inrichting.

Blijkens het bestreden besluit heeft het college bij de beoordeling van de geluidemissie van de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van het ministerie van Infrastructuur en Milieu gehanteerd (hierna: de Handreiking).

In voorschrift 3.3.1 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45, 40 en 35 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In voorschrift 3.3.2 zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidsniveau van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De hoogte van de hiervoor genoemde grenswaarden zijn overeenkomstig de in de Handreiking aanbevolen waarden. Er kan volgens het op 23 april 2010 uitgebrachte rapport "Akoestisch onderzoek [manege], dat in opdracht van [vergunninghoudster] is verricht door Wematech Milieu Adviseurs B.V. (hierna: het akoestisch rapport), aan de in onder meer de Handreiking gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. De juistheid van de bevindingen van het akoestisch rapport is in zoverre niet bestreden.

Voor zover de beroepsgrond ziet op het verkeer op de openbare weg nabij de in- en uitrit, wordt overwogen dat uit het akoestisch rapport volgt dat wordt voldaan aan de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) van de circulaire van 29 februari 1996 "Beoordeling geluidhinder van het wegverkeer in verband met vergunningverlening Wm" van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, die door het college als uitgangspunt is gehanteerd. De juistheid van de bevindingen van het akoestisch rapport is in zoverre niet bestreden.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de vergunning geluidhinder, veroorzaakt door het verkeer op de in- en uitrit en van en naar de inrichting in voldoende mate is beperkt. De beroepsgrond faalt.

2.7. [appellant sub 1] stelt tevens dat hij lichthinder ondervindt van het verkeer dat gebruik maakt van in- en uitrit van [vergunninghoudster], en dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende zijn om de lichthinder te beperken. Hij betoogt dat in de voorschriften het gebruik van de weg niet aan beperkingen is gebonden.

2.8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften lichthinder in voldoende mate wordt beperkt.

2.9. Ter voorkoming van lichthinder zijn de volgende voorschriften aan de vergunning verbonden:

"3.2.1. Ter voorkoming van directe lichtinstraling bij de woningen aan de Pietseweg dient een afschermend doek of een hiermee vergelijkbare afscherming (o.a. beplanting, schutting) te worden aangebracht op het hekwerk van de inrichting ter plaatse van de uitrit. Op de bij de aanvraag behorende tekening (tekeningnummer WMB-60070108a d.d. 22 april 2010) is aangegeven waar dit doek aangebracht dient te worden. Deze afscherming dient voldoende dicht en van voldoende omvang te zijn, zodat er geen directe lichtinstraling plaatsvindt bij de woningen tegenover de in- en uitrit aan de Pietseweg.

3.2.2. Bij de westelijke uitrit van de inrichting wordt door middel van bebording aangegeven dat voertuigen die verlichting voeren (dimlicht of grootlicht) de uitrit aan de Pietseweg in noordelijke richting (rechtsaf) dienen te verlaten.

3.2.3. Tijdens evenementen zal een toezichthouder van de [vergunninghoudster] er op toezien dat voertuigen na zonsondergang de uitrit aan de Pietseweg in noordelijke richting (rechtsaf) verlaten.

3.3.5. Na afloop van een evenement mogen vanaf 23.00 uur vrachtwagens het terrein van de inrichting niet meer via de uitrit aan de Pietseweg verlaten.

3.3.6. De deelnemers moeten bij deelname aan een evenement een inschrijfformulier ondertekenen waarbij tegelijk kennis genomen kan worden van de onderstaande voorwaarden:

- vrachtwagens moeten het terrein van de inrichting via de uitrit aan de Pietseweg verlaten;

- vrachtwagens moeten het terrein van de inrichting vóór 23.00 uur hebben verlaten;

- indien bij het verlaten van de inrichting na zonsondergang verlichting wordt gevoerd, de vrachtwagens na het uitdraaien van de uitrit de Pietseweg in noordelijke richting (dus rechtsaf) moeten oprijden."

2.9.1. Bij uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200904085/1/M2 heeft de Afdeling vastgesteld dat auto's die vanuit de in- en uitrit linksaf de Pietseweg oprijden, directe lichtinstraling veroorzaken in de woning van [appellant sub 1] aan de Pietseweg 2 te Oud Gastel.

Wat de omvang betreft van het gebruik van de in- en uitrit komt uit de stukken naar voren en ter zitting is bevestigd dat de in- en uitrit alleen tijdens evenementen zal worden gebruikt, die ongeveer 78 dagen per jaar plaats zullen vinden en dat de in- en uitrit daarnaast één keer per week zal worden gebruikt voor het vervoer van mest, één keer per maand voor het vervoer van stro en één keer per maand voor het vervoer van voer zal worden gebruikt.

De woning van [appellant sub 1] ligt, vanuit de kant van de manege bezien, tegenover de linkerhelft van de in- en uitrit. Gelet op de ligging van de woning ten opzichte van de in- en uitrit zal de directe lichtinstraling zich in mindere mate voordoen wanneer, zoals is voorgeschreven, het verkeer dat verlichting voert vanuit de in- en uitrit rechtsaf de Pietseweg oprijdt. Voorschrift 3.2.2, waarin is bepaald dat voertuigen die licht voeren de inrichting rechtsaf dienen te verlaten, is voldoende duidelijk, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een voorschrift waarin staat vermeld vanaf welk tijdstip voertuigen uitsluitend rechtsaf de inrichting mogen verlaten, niet kan worden gemist. De directe lichtinstraling in de woning door het verkeer dat zich, komende vanuit de manege, op de in- en uitrit bevindt, zal daarnaast worden verminderd door het voorgeschreven afschermende doek of hiermee vergelijkbare afscherming dat op het hekwerk van de inrichting geplaatst dient te worden. Ter zitting heeft vergunninghouder gesteld dat de kleur van het aan te brengen doek zal worden voorgelegd aan het college en dat tevens beplanting langs het hek zal worden aangebracht. Voorts zullen de overige voorschriften leiden tot een beperking van lichthinder.

Gelet op de aan de vergunning verbonden voorschriften en de omvang van het gebruik van de in- en uitrit, zoals dat uit de stukken naar voren komt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat lichthinder in voldoende mate wordt beperkt.

De Afdeling stelt echter vast dat de omvang van het gebruik van de in- en uitrit door het verkeer niet in de vergunning is beperkt, terwijl het college dit wel van belang heeft geacht ter beperking van de door [appellant sub 1] te ondervinden lichthinder. Het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarom in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep slaagt in zoverre.

2.10. Gelet op het vorengaande is het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond en het beroep van [appellant sub 2] geheel ongegrond.

Het besluit van 23 november 2010 wordt vernietigd, voor zover een voorschrift met betrekking tot het toegestane gebruik van de in- en uitrit aan de Stoofstraat/Pietseweg ontbreekt. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en alsnog een voorschrift ter zake aan de vergunning te verbinden en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.11. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge van 23 november 2010, voor zover een voorschrift met betrekking tot de mate van gebruik van de in- en uitrit aan de Stoofstraat/Pietseweg ontbreekt;

IV. bepaalt dat het hierna weergegeven voorschrift 1.3 alsnog aan de vergunning wordt verbonden:

Voorschrift 1.3

De in- en uitrit aan de Stoofstraat/Pietseweg mag worden gebruikt:

- voor evenementen, ten hoogste 78 dagen per jaar;

- voor de aan- en afvoer van mest, ten hoogste eenmaal per week;

- voor de aan- en afvoer van voer, ten hoogste eenmaal per maand; en

- voor de aan- en afvoer van stro, ten hoogste eenmaal per maand;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Halderberge tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 902,11 (zegge: negenhonderdtwee euro en elf cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Halderberge aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

163-720.