Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201106667/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ4852, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het college aan Wonen Venray vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van 52 appartementen op het perceel aan de Donkweg 2 t/m 42 en 50 t/m 110 (even) te Venray (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/83
JOM 2012/481
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106667/1/A1.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Venray,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 mei 2011 in zaken nrs. 10/453, 10/483 en 10/499 in het geding tussen:

onder meer [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het college aan Wonen Venray vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van 52 appartementen op het perceel aan de Donkweg 2 t/m 42 en 50 t/m 110 (even) te Venray (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 10 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door onder meer [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Wonen Venray een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.J.A. Vis, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Smids, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Wonen Venray, vertegenwoordigd door ing. B.C.J. Lubse en bijgestaan door mr. J.M.H. van den Mosselaar, advocaat te Best, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Anders dan het college heeft gesteld is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet van toepassing op dit geding. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201101738/1/H1) volgt uit categorie 3.1 van bijlage 1 bij de Chw dat die wet van toepassing is op projecten van meer dan 20 woningen die tot stand zijn gekomen krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening. Nu de vrijstelling is gebaseerd op artikel 19 van de voorheen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en betrekking heeft op een bestemmingsplan dat is vastgesteld op voet van die wet, is in dit geval van een project als bedoeld in de Chw geen sprake.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Uitwerkingsplan ex art. 11 WRO Brabander, cluster 1" van 24 juli 2007 (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel waar het bouwplan is voorzien de bestemmingen "Woondoeleinden-WI", "Groen/Water-G/W" en "Groenvoorzieningen-G".

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college om het bouwplan niettemin te kunnen realiseren vrijstelling van het bestemmingsplan heeft verleend krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO. Zoals blijkt uit het voorblad van het besluit van 9 maart 2010 en de daarvan deel uitmakende ruimtelijke onderbouwing bestaan de afwijkingen van het bestemmingsplan uit een overschrijding van het bebouwingspercentage, het bouwen buiten de bouwgrens en een overschrijding van de maximale bouwhoogte. Voorts wordt er niet voldaan aan de parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per appartement en zijn de voorziene wadi's niet toegestaan binnen de bestemming "Groenvoorzieningen-G". Zoals blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het college er van uitgegaan dat de afwijkingen van het bestemmingsplan hiermee zijn verwoord.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er meer afwijkingen zijn van het bestemmingsplan. Zo wordt de vierde verdieping volgens hem ten onrechte niet in set-back uitgevoerd, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op grond van de planvoorschriften aan de zijde van de ontsluitingsstraten de bebouwing maximaal 3 bouwlagen hoog mag zijn met eventueel een vierde bouwlaag in een set-back.

2.3.1. Anders dan [appellant] betoogt, is het bouwplan niet in strijd met artikel 4, derde lid, onder f, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat bij gestapelde woningen aan de zijde van een ontsluitingsstraat de bebouwing maximaal drie bouwlagen hoog mag zijn, eventueel met een vierde bouwlaag in een set-back. Het college heeft terecht gesteld dat deze bepaling betrekking heeft op bebouwing die direct aan een ontsluitingsweg is gelegen, terwijl het voorziene bouwplan op een afstand van ruim 14 m van de westelijke ontsluitingsstraat De Schans ligt. Gelet hierop heeft het college artikel 4, derde lid, onder f, van de planvoorschriften in redelijkheid niet van toepassing geacht. Aldus is het bouwplan in zoverre niet in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het peil verkeerd heeft vastgesteld, zodat de overschrijding van de maximale bouwhoogte groter is dan 1,34 m.

2.4.1. Het college heeft voor het bepalen van het peil als uitgangspunt de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld gehanteerd. Het college heeft ter zitting gesteld dat het terrein waar het bouwplan is voorzien hoogteverschillen kent en dat voor het bepalen van het peil rekening is gehouden met de hoogte van de omliggende wegen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door het college gehanteerde peil onjuist is vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, indien het peil in geringe mate zou afwijken van het daadwerkelijke peil, [appellant] hierdoor niet zodanig in zijn belangen wordt geraakt dat het college om die reden geen vrijstelling mocht verlenen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] heeft na afloop van de aan hem gegeven termijn voor het aanvullen van de hoger beroepsgronden bij brief van 21 november 2011, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2011, aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het bebouwingspercentage te laag is vastgesteld, dat de parkeernorm wordt overschreden, dat de plankaart niet overeenkomt met het terreinplan en dat de overschrijding van de plangrens in oostelijke richting ten onrechte niet is gecompenseerd.

Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsgronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

De Afdeling stelt vast dat [appellant] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk was de beroepsgronden die hij in de brief van 21 november 2011 heeft aangevoerd eerder aan te voeren. Gelet op deze omstandigheid, en in aanmerking genomen de aard en omvang van de nadere beroepsgronden, heeft Wonen Venray terecht aangevoerd dat zij onaanvaardbaar is belemmerd in de mogelijkheid om hierop op passende wijze te reageren. Het indienen van deze beroepsgronden is derhalve in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze buiten beschouwing zal laten.

2.6. [appellant] heeft zijn betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de halfondergrondse parkeergarage had moeten aanmerken als een bouwlaag, niet nader onderbouwd. De rechtbank is op dit punt in de overwegingen van de aangevallen uitspraak reeds gemotiveerd ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende grond in de aangevallen uitspraak onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

414-651.