Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5087

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201104741/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om subsidieverlening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/213 met annotatie van A. Drahmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104741/1/A2.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Groot-Ammers, gemeente Liesveld, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 maart 2011 in zaak nr. 10/7172 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om subsidieverlening afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2010 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 8 augustus 2011 heeft [appellant] een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C. Haazen, werkzaam bij Dienst Regelingen, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid wordt een subsidie geweigerd, voor zover door verstrekking ervan het subsidieplafond overschreden zou worden.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Zuid-Holland (hierna: de SAN) stellen Provinciale Staten voor ieder begrotingsjaar een plafond vast voor de te verstrekken subsidies, bedoeld in de artikelen 2 en 3. Zij kunnen voor de in die bepalingen onderscheiden subsidies, voor op grond van artikel 14 begrensde gebieden, voor de verschillende beheers- of landschapspakketten of voor verschillende categorieën subsidieaanvragers verschillende subsidieplafonds vaststellen.

Ingevolge het tweede lid verdelen gedeputeerde staten de beschikbare bedragen naar de datum van ontvangst van de subsidieaanvragen. Bij gelijktijdige datum van ontvangst wordt de volgorde van behandeling door loting bepaald. Als datum van ontvangst wordt de dag, waarop de aanvraag volledig is ontvangen, aangemerkt.

2.2. Het college heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen, omdat het door provinciale staten krachtens artikel 6, eerste lid, van de SAN vastgestelde subsidieplafond bereikt was.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank de onderdelen van de SAN die zien op het subsidieplafond en de wijze van verdelen van de beschikbare gelden ten onrechte wegens strijd met de artikelen 8 en 37 van Verordening (EG) 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 (PB 2005 L 277; hierna: de Verordening) niet onverbindend heeft verklaard.

2.3.1. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 37 van de Verordening het uitvoerend orgaan ruimte biedt te bepalen, op welke wijze het beschikbare subsidiebudget verdeeld wordt. De bepaling staat er niet aan in de weg dat provinciale staten een subsidieplafond vaststellen en de verdeling van de beschikbare gelden plaatsvindt naar de volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Voorts heeft zij terecht geoordeeld dat het subsidieplafond en de wijze van verdelen niet tot discriminatie in de zin van artikel 8 van de Verordening leiden, reeds omdat deze voor alle aanvragers gelijkelijk gelden.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het subsidieplafond hem niet mocht worden tegengeworpen, nu aan derden subsidies zijn toegekend die niet aan de criteria van artikel 6, tweede lid, van de SAN voldoen. Zo is in een aantal dossiers niet geregistreerd, wanneer de aanvraag compleet was, zodat onduidelijk is of deze en andere aanvragen eerder dan die van [appellant] zijn ontvangen.

2.4.1. Dat in een aantal gevallen de datum ontbreekt, waarop aanvragen als compleet zijn aangemerkt, heeft de rechtbank terecht niet geleid tot het oordeel dat die aanvragen ten onrechte zijn gehonoreerd. Zij heeft terecht overwogen dat [appellant] in slechts één geval heeft aangetoond dat subsidie in afwijking van het gehanteerde verdelingssysteem is toegekend en dat er niet toe kan leiden dat het college aan [appellant] subsidie moest verlenen, omdat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb daaraan in de weg stond.

2.5. Tot slot betoogt [appellant] evenzeer tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ten onrechte niet meer budget ten behoeve van landschapsbeheer aan de provincie Zuid-Holland heeft toegekend. De rechtbank heeft de hoogte van het beschikbare budget terecht in deze procedure niet er toets geacht.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

362-729.