Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201100665/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2010, nummer RVB10-0104, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Brabantse Wal" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100665/1/R3.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Bergen op Zoom, en anderen,

2. stichting Stichting Dorpsraad Halsteren, gevestigd te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, stichting Stichting Dorpsraad Lepelstraat, gevestigd te Bergen op Zoom, vereniging Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat, gevestigd te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, en stichting Stichting De Brabantse Wal, gevestigd te Woensdrecht,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergen op Zoom,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2010, nummer RVB10-0104, heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Brabantse Wal" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2011, en Dorpsraad Halsteren, Dorpsraad Lepelstraat, Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en Stichting De Brabantse Wal bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 januari 2011, beroep ingesteld. Laatstgenoemden hebben hun beroep aangevuld bij brief van 12 februari 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Ter Wal Woonzorg v.o.f., belanghebbende, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en Dorpsraad Halsteren, Dorpsraad Lepelstraat, Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en Stichting De Brabantse Wal hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2011, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Dordrecht, Dorpsraad Halsteren, Dorpsraad Lepelstraat, Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en Stichting De Brabantse Wal, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J.M.E.M. Verpaalen, werkzaam bij de gemeente, mr. P.J.A. Engelvaart en mr. J. van den Berg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting verschenen Ter Wal Woonzorg v.o.f., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een landgoed van ongeveer 10,7 hectare op een voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de Polderweg te Lepelstraat. Het landgoed "De Brabantse Wal" zal bestaan uit bos- en natuurelementen en een particuliere woonzorgvoorziening. Daarnaast is in het plan een bestaande woning als zodanig bestemd.

Ontvankelijkheid

2.2. Dorpsraad Halsteren heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is de Afdeling niet gebleken. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door Dorpsraad Halsteren gestelde omstandigheid dat de zienswijze van Dorpsraad Lepelstraat per abuis niet mede namens haar is ingediend.

Het beroep van Dorpsraad Halsteren, Dorpsraad Lepelstraat, Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en Stichting De Brabantse Wal, voor zover dat is ingediend door Dorpsraad Halsteren, is niet-ontvankelijk.

2.3. De raad heeft betoogd dat Dorpsraad Lepelstraat, Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en Stichting De Brabantse Wal (hierna: Dorpsraad Lepelstraat en anderen) niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt, omdat de omschrijvingen van de doelstellingen in hun statuten te algemeen zijn om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat hun belangen rechtstreeks zijn betrokken bij het bestreden besluit.

2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2. Gelet op de doelstellingen van Dorpsraad Lepelstraat en anderen zoals beschreven in hun statuten, die territoriaal beperkt zijn tot Lepelstraat en omgeving respectievelijk het gebied dat bekend staat als De Brabantse Wal, bezien in samenhang met de feitelijke werkzaamheden die zij verrichten, is de Afdeling van oordeel dat Dorpsraad Lepelstraat en anderen door het bestreden besluit rechtstreeks worden getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigen. Zij kunnen dan ook als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.

Formele aspecten

2.4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel in de Nota van commentaar, behorende bij het bestreden besluit, niet al hun zienswijzen heeft besproken.

2.4.1. Artikel 3:2 noch 3:46 van de Awb verzet zich er tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd of niet zorgvuldig is voorbereid. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.5. Dorpsraad Lepelstraat en anderen betogen dat ten onrechte een aanlegvergunning voor grondwerkzaamheden in het plangebied voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan was verleend.

2.5.1. Dit betoog kan in deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen.

Materiële aspecten

2.6. Dorpsraad Lepelstraat en anderen vrezen voor ongewenste precedentwerking. [appellant sub 1] en anderen en de Dorpsraad Lepelstraat en anderen betogen dat het maatschappelijk draagvlak voor het plan ontbreekt. In dit verband voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat een groot aantal zienswijzen tegen het ontwerp van het plan is ingediend en wijzen Dorpsraad Lepelstraat en anderen erop dat 600 inwoners van de gemeente een petitie tegen het plan hebben ondertekend. Ook voeren [appellant sub 1] en anderen en Dorpsraad Lepelstraat en anderen aan dat maatschappelijke instellingen zoals Dorpsraad Lepelstraat niet kunnen instemmen met het plan en dat het plan met slechts een kleine meerderheid van stemmen in de raad is vastgesteld. [appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat de duurzame instandhouding van het landgoed niet is verzekerd, omdat onvoldoende vaststaat dat het plan financieel uitvoerbaar is. Daarnaast voeren zij aan dat de initiatiefnemers van het plan niet alle gronden binnen het plangebied in eigendom hebben, zodat ook in zoverre de uitvoerbaarheid van het plan niet vaststaat.

2.6.1. De raad heeft de afweging over het nieuwe landgoed toegespitst op dit concrete geval. Voor ieder bestemmingsplan dat voorziet in een nieuw landgoed zal een afzonderlijke afweging moeten worden gemaakt of de ontwikkeling aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Dorpsraad Lepelstraat en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan een ongewenste precedentwerking tot gevolg zal hebben.

2.6.2. De omstandigheid dat niet bij iedereen draagvlak is voor het in geding zijnde bestemmingsplan brengt naar het oordeel van de Afdeling niet mee dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan in gevaar is. Dat het plan met een kleine meerderheid van stemmen door de raad is vastgesteld geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking komt.

2.6.3. In §5.12 van de plantoelichting is over de financiële uitvoerbaarheid vermeld dat de gemeente Bergen op Zoom en de initiatiefnemers van het project een overeenkomst opstellen waarin (financiële) afspraken over dit project worden vastgelegd. In deze overeenkomst worden tevens afspraken over het behoud en onderhoud van het landgoed opgenomen, aldus de plantoelichting. Hieraan heeft de raad toegevoegd dat de initiatiefnemers van het plan de ontwikkeling van het landgoed in eigen beheer uitvoeren en financieren. Op 17 januari 2010 is de overeenkomst over het beheer en de aanleg van het landgoed getekend door het gemeentebestuur en de initiatiefnemers en in een notariële akte neergelegd.

In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid, en daarmee aan de duurzame instandhouding, van het plan.

2.6.4. Met de stelling dat de initiatiefnemers van het plan nog niet alle gronden in het plangebied hebben verworven, hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet uitvoerbaar is binnen de planperiode van tien jaar. Daarbij komt dat de raad de desbetreffende gronden zo nodig binnen deze termijn kan onteigenen.

2.7. Dorpsraad Lepelstraat en anderen betogen dat de aanleg van een landgoed op de helling van de zogenoemde Brabantse Wal het open coulisselandschap aldaar zal aantasten. De voorziene bebouwing en het aanplanten van bos zal volgens hen leiden tot een verstoring van de zichtlijnen en de vergezichten van het coulisselandschap. Het plangebied is volgens hen van oorsprong een open agrarisch landschap, waar bos nooit aanwezig is geweest. Daarnaast heeft de voorziene bebouwing een massieve omvang, die versterkt zal worden door de ligging ervan op een terp.

2.7.1. In de plantoelichting staat dat de Brabantse Wal een hoge dekzandrug is die is ontstaan door uitslijting door de zee of de Schelde. Het is een bosrijk natuurgebied waar loofhoutbossen, naaldbossen, duinen, heide, landgoederen, (recreatie)voorzieningen en dorpen elkaar afwisselen. Het plangebied ligt aan de rand van de Brabantse Wal, op de overgang van het hoog gelegen dekzandgebied naar het laag gelegen zeekleigebied. Het plangebied, zo staat in het beeldkwaliteitplan, maakt onderdeel uit van een coulisselandschap met een afwisseling van landbouwgebieden en kleine landschapselementen zoals houtwallen.

2.7.2. Het standpunt van de raad dat het oprichten van bebouwing en het aanplanten van bos in een coulisselandschap op zichzelf geen onaanvaardbare aantasting van het landschap tot gevolg heeft, acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts wordt overwogen dat volgens het beeldkwaliteitplan het coulisselandschap in de noordelijke helft van het plangebied wordt teruggebracht door een besloten rand met centraal gelegen open gebieden. In het plan is hiertoe een plandeel met de bestemming "Bos" opgenomen, dat het plandeel met de bestemming "Natuur" omringd. In het zuidelijke deel van het plangebied is alleen aan de westzijde van het plangebied voorzien in een plandeel met de bestemming "Bos". Aan de gehele zuidzijde en de oostzijde is voorzien in natuur en agrarisch grasland, welke open gebieden zullen blijven. Ten aanzien van de zichtlijnen staat in het beeldkwaliteitplan dat waardevolle zichtlijnen vanaf de hoger gelegen delen in de richting van het lage polderlandschap worden gerespecteerd, zoals ook de doorzichten langs sloten of vaarten. In het plangebied wordt met zichtlijnen rekening gehouden, door onder meer een in het plan als zodanig bestemde waterloop die het plangebied doorsnijdt, de situering van de nieuwe en de te handhaven bebouwing op enige afstand van elkaar en een afwisseling van bosgebied en open gebied.

Wat de voorziene nieuwe bebouwing betreft, heeft de raad in redelijkheid de in het plan toegestane inhoud van 3.800 m³ met een maximale bouwhoogte van 11 m aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de omgeving van het plangebied reeds bebouwing van agrarische bedrijven van enige omvang aanwezig is. Daarnaast is de nieuwe bebouwing gesitueerd op korte afstand van de te handhaven voormalige agrarische bebouwing aan de Polderweg. Voor het oordeel dat het nieuwe gebouw gezien de ligging op een terp een te massieve uitstraling zal krijgen, ziet de Afdeling geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen niet zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het coulisselandschap.

2.8. [appellant sub 1] en anderen en Dorpsraad Lepelstraat en anderen betogen dat het plan in strijd is met de provinciale beleidsnota "Rood voor groen. Nieuwe landgoederen in Brabant" (hierna: nota nieuwe landgoederen). [appellant sub 1] en anderen en Dorpsraad Lepelstraat en anderen voeren hiertoe aan dat met het plan niet een kwaliteitsverbetering van het buitengebied wordt voorgestaan, het zogenoemde "rood-voor-groen"-principe, wat het doel is van de nota nieuwe landgoederen, maar uitsluitend het realiseren van nieuwe bebouwing. Dorpsraad Lepelstraat en anderen wijzen er voorts op dat voor het nieuwe gebouw een parkeerterrein zal worden aangelegd in plaats van een tuin van allure. Daarnaast voeren zij aan dat de voorziene zorginstelling zal leiden tot een toename van de verkeersintensiteit, hetgeen in de nota nieuwe landgoederen onwenselijk wordt geacht.

2.8.1. Het plan voorziet in een plandeel met de bestemming "Wonen" met een bouwvlak en een plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" met de aanduiding "zorginstelling" en een bouwvlak. Daaraan grenzend voorziet het plan in een plandeel met de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a en f, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor plantsoen en andere groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen voor de aangrenzende bestemming.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen: gezondheidszorg, volksgezondheid, zorg en welzijn en daarmee gelijk te stellen sectoren met de daarbij behorende bouwwerken en open terreinen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "zorginstelling" uitsluitend een zorginstelling mag worden gerealiseerd.

2.8.2. In de nota nieuwe landgoederen staat dat het mogelijk is om een aantal landhuizen te realiseren in het buitengebied op voorwaarde dat een aanzienlijke oppervlakte aan nieuwe natuur wordt gerealiseerd. In de definitie van nieuw landgoed die in de nota nieuwe landgoederen is opgenomen staat onder meer dat op het landgoed één of meer wooncomplexen met een tuin van allure en uitstraling staat. Voorts is in de nota nieuwe landgoederen een aantal toetsingscriteria voor de aanleg van een nieuw landgoed opgenomen. Onder B. inrichtingstoets, onder 5, is als toetsingscriterium vermeld dat nieuwbouw/verbouw plaatsvindt op een bestaand (agrarisch) bouwblok.

2.8.3. Uit de plantoelichting en de beantwoording van de zienswijzen volgt dat de raad het provinciale beleid dat is opgenomen in de nota nieuwe landgoederen heeft overgenomen en als eigen beleid heeft gehanteerd bij de vaststelling van het plan. In deze stukken heeft de raad het provinciale beleid dat is neergelegd in de nota nieuwe landgoederen uiteengezet en vervolgens getoetst of het plan voldoet aan de daarin opgenomen voorwaarden en uitgangspunten. Daarbij heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan daaraan voldoet.

2.8.4. In paragraaf 4.6.1 van de provinciale Interimstructuurvisie Noord-Brabant "Brabant in Ontwikkeling" staat dat ter bevordering van ruimtelijke kwaliteit de toepassing van het "rood-voor-groen"-principe mogelijk is. Dit houdt in dat stedelijke functies worden toegestaan in het buitengebied in ruil voor een aanmerkelijke verbetering van de kwaliteiten van het buitengebied. Voor diverse onderwerpen is dit beleid uitgewerkt, zoals onder meer in de regeling voor nieuwe landgoederen, aldus deze structuurvisie. Deze regeling is neergelegd in de nota nieuwe landgoederen. In overeenstemming met de nota nieuwe landgoederen voorziet het plan naast nieuwe bebouwing in de vorm van een nieuw landhuis in 7,5 hectare nieuwe natuur. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het doel van de nota nieuwe landgoederen.

2.8.5. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van een parkeerterrein ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Groen" niet met zich brengt dat niet ook een tuin van allure kan worden aangelegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de plantoelichting staat dat per saldo minimaal 14 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, uitgaande van de normen die in de Parkeernota van de gemeente Bergen op Zoom zijn opgenomen en vastgesteld.

2.8.6. In de nota nieuwe landgoederen staat ten aanzien van een nieuw landgoed dat het veelal een kwestie van zoeken is naar een balans tussen positieve en negatieve effecten. Als negatief effect wordt genoemd de toename van verkeersintensiteit. Dat het plan een toename van de verkeersintensiteit tot gevolg zal hebben, behoeft daarom niet zonder meer te leiden tot het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de nota nieuwe landgoederen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de positieve effecten van het plan, zoals het uitbreiden van de zorgvoorzieningen in de gemeente.

2.9. In hetgeen Dorpsraad Lepelstraat en anderen hebben aangevoerd en in hetgeen [appellant sub 1] en anderen in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Dorpsraad Lepelstraat en anderen en het beroep van [appellant sub 1] en anderen in zoverre is ongegrond.

2.10. [appellant sub 1] en anderen voeren verder aan dat uit de nota nieuwe landgoederen volgt dat uitsluitend een woonfunctie is toegestaan op een nieuw landgoed, en niet een zorgfunctie. Daarnaast voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de nieuwe bebouwing niet is gesitueerd binnen het agrarische bouwvlak dat in het vorige plan was opgenomen.

2.10.1. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de voorziene zorginstelling en de situering van het bouwvlak daarvan in strijd zijn met de nota nieuwe landgoederen wordt als volgt overwogen. Uit hoofdstuk 1 en 2 van de nota nieuwe landgoederen volgt dat met de nota wordt beoogd om het stringente buitengebiedbeleid met betrekking tot burgerwoningen, waarin als uitgangspunt is genomen dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw niet is toegestaan, te versoepelen. Een beperkt aantal wooneenheden wordt toegestaan in ruil voor een aanzienlijke hoeveelheid groen. In de nota nieuwe landgoederen wordt geen melding gemaakt van ander toegelaten gebruik dan wonen. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook de in het plan voorziene zorginstelling mag worden gerealiseerd met toepassing van de nota nieuwe landgoederen. Voorts heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met het onder B. inrichtingstoets, onder 5, van de nota nieuwe landgoederen vermelde toetsingscriterium dat nieuwbouw plaatsvindt op een bestaand bouwblok. Het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk", waarmee is voorzien in een zorginstelling, is niet gesitueerd ter plaatse van het agrarische bouwblok dat in het vorige plan was opgenomen. Het betoog dat het plan op deze punten niet in overeenstemming is met de nota nieuwe landgoederen, slaagt.

2.11. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Vanwege de samenhang met de overige plandelen in het plan dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb geheel te worden vernietigd.

2.12. De Afdeling ziet aanleiding om de overige beroepsgronden van [appellant sub 1] en anderen, die betrekking hebben op de nota nieuwe landgoederen, niet te bespreken en om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

2.12.1. Bij besluit van 22 februari 2011, dat is gepubliceerd in het provinciale blad van de provincie Noord-Brabant van 17 maart 2011, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant onder meer de nota nieuwe landgoederen ingetrokken. Op 1 maart 2011 is de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening ruimte) in werking getreden. In artikel 11.5 zijn bepalingen opgenomen over nieuwe landgoederen. In de toelichting op dit artikel staat dat de nieuwe regeling het gemeentebestuur meer beleidsvrijheid biedt om in concrete gevallen maatwerk te plegen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan voldoet aan de in artikel 11.5 van de Verordening ruimte opgenomen voorwaarden voor een nieuw landgoed. [appellant sub 1] en anderen hebben dit standpunt betwist. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat een zorginstelling niet past binnen de door het gemeentebestuur voorgestane ontwikkeling van het gebied, omdat het plangebied niet binnen een centrale dienstenzone ligt als bedoeld in de gemeentelijke beleidsnota "Wonen in relatie met welzijn en zorg". Voorts voeren zij aan dat de bebouwing in het plangebied, die zal bestaan uit te handhaven bebouwing en nieuwe bebouwing, onvoldoende geconcentreerd is. Daarnaast betogen zij dat het voorziene aantal wooneenheden in de zorginstelling te groot is in verhouding tot het aantal ha natuur dat zal worden aangelegd. Ook voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat het plan niet zal leiden tot een versterking van natuur- en landschapswaarden ter plaatse. Het gebied is al landschappelijk waardevol.

2.12.2. In artikel 11.5. (Regels voor landgoederen) van de Verordening ruimte is bepaald:

1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in de vestiging van een nieuw landgoed met een omvang van ten minste 10 ha (…).

2. De toelichting bij een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, bevat een verantwoording waaruit blijkt dat:

a. de beoogde ontwikkeling een duurzame verrijking van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken tot gevolg heeft;

b. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om te verzekeren dat de beoogde wooneenheden slechts gerealiseerd kunnen worden met een karakteristieke verschijningsvorm van allure, waarbij de omvang van de bebouwing past bij de aard en het karakter van het landgoed;

(…)

3. Een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, voorziet erin dat:

a. de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd;

b. per wooneenheid de aanleg van ten minste 5 ha landgoed, waaronder 2,5 ha nieuwe natuur, is verzekerd waarbij deze aanleg niet wordt gefinancierd uit middelen die beschikbaar zijn op grond van een subsidieregeling;

(…)

5. Een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in een planologische gebruiksactiviteit binnen de op grond van het derde lid toegelaten bebouwing, anders dan wonen, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling:

a. een bijdrage levert aan de versterking of het behoud van het landgoed;

b. past binnen de hoofdlijnen van de door de gemeente voorgenomen ontwikkeling van het gebied waarop deze ruimtelijke ontwikkeling haar werking heeft.

2.12.3. In §4.5 van de plantoelichting staat onder meer dat het plangebied in een zone ligt waar vanuit de plannen van de Gebiedscommissie Brabantse Delta en de gemeente Bergen op Zoom landschappelijke versterking gewenst is. De bestaande natuur- en landschapswaarden, zoals de hagen en waterloop, worden gehandhaafd en ontwikkeld waarbij eveneens een aanzienlijke meerwaarde voor het landschappelijk raamwerk wordt gerealiseerd. Het landgoed sluit aan op de ecologische verbindingszone die tussen Halsteren en Bergen op Zoom een verbinding legt met de polders. Hiermee wordt bereikt dat de reeds aanwezige natuur- en landschapswaarden worden versterkt en ook ontwikkeld, aldus de plantoelichting. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met artikel 11.5, tweede lid, sub a, van de Verordening.

2.12.4. In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is onder meer het gemeentelijke beleid omtrent zorg weergegeven dat is neergelegd in de beleidsnota's "Wonen in relatie met welzijn en zorg" en "Vooruitzien in voorzieningen". Volgens de plantoelichting staat in de beleidsnota "Wonen in relatie met welzijn en zorg" dat gezien de vergrijzing een stijgende behoefte bestaat aan zorg en daarmee samenhangende huisvesting. In het servicegebied Lepelstraat is een toename van de zorgvraag tot 2015 gesteld op 10 tot 20%.

Voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een zorgfunctie past binnen de hoofdlijnen van de door de gemeente voorgenomen ontwikkeling van het gebied, ziet de Afdeling geen aanleiding. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de beleidsnota "Wonen in relatie met welzijn en zorg" weliswaar staat dat de huisvestingsmogelijkheden voor mensen met een intensieve zorgbehoefte (beschermd wonen, verzorgd wonen) primair binnen de centrale dienstenzones worden gebracht, waarin het plangebied niet ligt, maar dat hieruit niet volgt dat het beschermd en verzorgd wonen daarbuiten niet is toegestaan.

2.12.5. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in het voorziene woonzorgcomplex onzelfstandige wooneenheden zullen worden gebouwd. Volgens de raad dient het woonzorgcomplex daarom te worden aangemerkt als één wooneenheid. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. De raad heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan gelet op het bepaalde in artikel 11.5, derde lid, onder b, van de Verordening ruimte in voldoende ha natuur voorziet.

2.12.6. Het bouwvlak waarbinnen de zorginstelling zal worden gebouwd is schuin achter het bouwvlak van de te handhaven bebouwing gesitueerd, op een afstand van ongeveer 11 m. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat voor deze situering van de bouwvlakken is gekozen om de zichtlijnen naar het landschap te kunnen handhaven. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bebouwing in strijd met artikel 11.5, derde lid, onder a, niet zoveel mogelijk is geconcentreerd.

2.12.7. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.13. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van Dorpsraad Lepelstraat en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van stichting Stichting Dorpsraad Halsteren, stichting Stichting Dorpsraad Lepelstraat, vereniging Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en stichting Stichting De Brabantse Wal, voor zover dat is ingesteld door Dorpsraad Halsteren, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van 25 november 2010, nummer RVB10-0104, van de raad van de gemeente Bergen op Zoom tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Brabantse Wal";

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. verklaart het beroep van stichting Stichting Dorpsraad Halsteren, stichting Stichting Dorpsraad Lepelstraat, vereniging Heemkundige Studiekring Halsteren-Lepelstraat en stichting Stichting De Brabantse Wal, voor zover dat niet is ingesteld door stichting Stichting Dorpsraad Halsteren, en het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen op Zoom tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,51 (zegge: negenhonderdzeven euro en eenenvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Bergen op Zoom aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

429-618.