Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201010269/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 28 januari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Schalkwijkerweg".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201010269/1/R1.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], allen wonend te [woonplaats],

3. de stichting Stichting tot behoud van Groene Zoom Schalkwijk, gevestigd te Haarlem,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2010 heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem bij besluit van 28 januari 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Schalkwijkerweg".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2010, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, en de stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2010, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 december 2010. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 februari 2010 (lees: 2011).

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend

[appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2011, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, [appellanten sub 2], bij monde van [gemachtigde], de stichting, vertegenwoordigd door [bestuursleden], en bijgestaan door J.A.M. Montanus, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en J.A. Oortman Gerlings, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de raad, vertegenwoordigd door mr. S.A. Vreeswijk-Rooth, werkzaam bij de gemeente, [belanghebbenden] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een actueel ruimtelijk kader, waarbinnen de bestaande situatie wordt vastgelegd, maar ook enige ruimte wordt geboden voor nieuwe ontwikkelingen, voor een nader aangeduid gebied ter weerzijden van de Schalkwijkerweg in Haarlem.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op het college van gedeputeerde staten de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 1]

2.3. [appellanten sub 1] kunnen zich niet verenigen met de motivering van het besluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, watersport (Bw)" voor de percelen Zuid Schalkwijkerweg 50a en 50b.

2.3.1. Door de onthouding van goedkeuring aan het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, watersport (Bw)" voor de percelen Zuid Schalkwijkerweg 50a en 50b, waartegen de inhoudelijke beroepsgronden van [appellanten sub 1] zijn gericht, is in zoverre aan hun bedenkingen tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de raad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, oordeelde de Afdeling in bestemmingsplanzaken op grond van de WRO dat niet slechts de onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in de beroepsprocedure ter beoordeling kon staan. Daarbij was het procesbelang gelegen in de verplichting het besluit van het college van gedeputeerde staten in acht te nemen bij een zodanig plan.

Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden.

Aangezien het besluit tot onthouding van goedkeuring is genomen na 1 juli 2008, staat vast dat voor de planonderdelen waaraan goedkeuring is onthouden een bestemmingsplan op grond van de Wro zal moeten worden vastgesteld.

De Wro noch het daarbij behorende overgangsrecht voorziet in een bepaling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro een besluit tot onthouding van goedkeuring aan een onder de WRO totstandgekomen plan in acht neemt. Artikel 30 van de WRO heeft derhalve geen betekenis voor een op grond van de Wro vast te stellen bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande is het belang bij de beoordeling van het beroep dat gericht is tegen de aan het besluit tot onthouding van goedkeuring ten grondslag liggende motivering, ingaande 1 juli 2008 komen te vervallen. Dit impliceert dat de bezwaren van [appellanten sub 1] aan de orde kunnen komen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan onder de Wro.

Het beroep van [appellanten sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellanten sub 2]

2.4. Voor zover [appellanten sub 2] zich in beroep mede richten tegen het plandeel met de bestemming "Horecadoeleinden (H)" bij de Belgiëlaan, hebben zij hun beroep niet onderbouwd.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5. [appellanten sub 2] kunnen zich voorts niet verenigen met de in het plan mogelijk gemaakte voorzieningen ten behoeve van een pontverbinding tussen de Belgiëlaan en de Spaarnelaan.

2.6. Het plan is gewijzigd vastgesteld. Deze wijziging heeft onder meer betrekking op het mogelijk maken van een pontverbinding ter hoogte van de Belgiëlaan door op de plankaart ter plaatse de bestemmingen "Water (Wa)" en "Landschappelijke doeleinden, recreatieve waarden (Lr)" te voorzien van de aanduiding "aanlegpunt pontverbinding" en de op die bestemmingen betrekking hebbende planvoorschriften aan te vullen.

2.7. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op de op de kaart voor Landschappelijke doeleinden, recreatieve waarden (Lr) aangewezen gronden waar aangeduid oevervoorzieningen, waaronder mede begrepen zitbanken met een abri, worden aangebracht ten behoeve van een pontverbinding.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, mag op de op de kaart voor Water (Wa) aangewezen gronden voorzien van een aanduiding een aanmeersteiger voor een pontverbinding worden aangelegd.

2.8. [appellanten sub 2] betogen dat aard en omvang en ruimtelijke invloed van de wijziging van het ontwerpplan in zoverre zodanig is dat sprake is van een nieuw plan en het plan in zoverre opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd. De steigers waren in het ontwerpplan slechts bedoeld ten behoeve van extensieve recreatie/recreërende passanten en niet voor een pontverbinding.

2.8.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat de toevoeging aan het plan de bestemmingen die gelden ter plaatse van de mogelijk gemaakte voorzieningen voor een pontverbinding niet verandert.

2.8.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval naar het oordeel van de Afdeling niet voor, het mogelijk maken van een pontverbinding op zichzelf past binnen de bestemmingen die in het ontwerp-plan aan de locatie ter hoogte van de Belgiëlaan zijn toegekend. Het betoog faalt.

2.9. [appellanten sub 2] betogen dat het college van burgemeester en wethouders de raad bij de vaststelling van het plan heeft misleid door aan de raad informatie te onthouden en voorts een oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid een gewijzigd voorstel ter vaststelling aan de raad te doen, nu dit is gebeurd om een eerder met onjuiste gegevens bij de provincie Noord-Holland ingediend subsidieverzoek achteraf te kunnen rechtvaardigen. Daarbij is aan de provincie een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Ook is volgens hen sprake van oneigenlijk gebruik door het college van burgemeester en wethouders in die zin dat een volgens hen ondeugdelijk besluit van het college van burgemeester en wethouders van 13 oktober 2009 over de uitvoering van een fietspont op deze wijze achteraf wordt gerechtvaardigd. Zij vrezen dat uiteindelijk een brugverbinding Belgiëlaan-Spaarnelaan zal worden gerealiseerd en dit de werkelijke doelstelling van het college van burgemeester en wethouders is. Ook vrezen zij dat de pont door gemotoriseerd verkeer zal worden gebruikt.

2.9.1. De Afdeling overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de raad het vaststellingsbesluit heeft genomen op grond van een verkeerde voorstelling van zaken. Het door [appellanten sub 2] in dit verband genoemde besluit voor uitvoering van een fietspont tussen de Belgiëlaan en de Spaarnelaan dat op 13 oktober 2009 ter informatie naar een raadscommissie is gezonden, daargelaten of in dat verband onjuiste informatie is verschaft, ligt niet ten grondslag aan het vaststellingsbesluit. Voor zover de bezwaren van [appellanten sub 2] zich richten tegen de besluitvorming omtrent het subsidieverzoek en het besluit over de fietspont, kunnen deze in de planprocedure niet aan de orde komen. Wat er ook zij van de intentie van het college van burgemeester en wethouders, het is de raad die het plan heeft vastgesteld. Niet kan worden staande gehouden dat de raad zijn bevoegdheid om het plan vast te stellen voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is gegeven. Ten aanzien van de vrees van [appellanten sub 2] voor een brugverbinding overweegt de Afdeling dat het plan een dergelijke verbinding niet mogelijk maakt. Voorts zal de pont niet worden gebruikt of geschikt worden gemaakt voor gemotoriseerd verkeer.

2.10. [appellanten sub 2] voeren voorts aan dat een pontverbinding ter plaatse in de weg staat aan de bestaande bestemming van de aanlegsteigers. Deze zijn bovendien niet geschikt om een veerdienst aan te meren.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het met de aanduiding "aanlegpunt pontverbinding" nog steeds mogelijk is voor passanten en toeristen om van de steigers gebruik te maken.

2.10.2. Niet valt in te zien dat een pontverbinding ter plaatse het overige gebruik dat van de steigers kan worden gemaakt verhindert. Daarbij betrekt de Afdeling dat de op de plankaart aangegeven zone voor aanlegsteigers veel breder is dan de daarbinnen vallende locatie waaraan de aanduiding "aanlegpunt pontverbinding" is toegekend. Niet is aannemelijk gemaakt dat een pont ter plaatse niet aan zal kunnen meren.

2.11. [appellanten sub 2] betogen dat de pontverbinding in strijd is met de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en beleidsuitgangspunten, nu de raad een andere locatie voor een verbinding over het Spaarne op het oog had, namelijk tussen de Belgiëlaan en Oosterhoutlaan.

2.11.1. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat het mogelijk maken van een pontverbinding ter plaatse in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid. In het Haarlems Verkeers- en Vervoerplan uit 2003 (hierna: HVVP) is gesproken over de Kortsluiting Oosterhoutlaan-Belgiëlaan met een brug. De bedoelde verbinding is onder verwijzing naar het HVVP opgenomen in het gemeentelijke Structuurplan Haarlem 2020 uit 2005 (hierna: structuurplan). Schaal en abstractieniveau van kaart en toelichting maken volgens het college van gedeputeerde staten dat in dat plan niets is gezegd over de modaliteit (tunnel, brug of pont) van die verbinding. De situering van alle op de kaart aangeduide vlakken, lijnen en symbolen is indicatief. Ook in de Koers- en discussienota - actualisatie Haarlems Verkeers- en vervoerplan (2009) is de kruising van het Spaarne ter hoogte van de Belgiëlaan opgenomen, aldus het college van gedeputeerde staten.

2.11.2. Uit het structuurplan kan niet worden afgeleid wat de exacte locatie is van de verbinding en welke vorm die zal krijgen. Dat in het HVVP werd uitgegaan van een brugverbinding tussen de Belgiëlaan en de Oosterhoutlaan betekent niet dat de raad niet op grond van gewijzigde planologische inzichten de desbetreffende aanduiding op de plankaart heeft kunnen aanbrengen. Van strijd met gemeentelijke plannen of beleidsuitgangspunten ten tijde van het vaststellen van het plan is niet gebleken.

2.12. [appellanten sub 2] voeren aan dat de betrokken wethouder van de gemeente Haarlem heeft toegezegd dat er geen fietspont komt. Er mocht daarom op worden vertrouwd dat die verbinding er niet zou komen.

2.12.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat de uitlatingen van de wethouder waar [appellanten sub 2] op doelen bij het besluit omtrent goedkeuring geen rol kunnen spelen.

2.12.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (ondermeer bij uitspraak van 2 september 2009 in zaak nr. 200808366/1/H1) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Wat er ook zij van de uitlatingen van de wethouder waar [appellanten sub 2] op doelen, de raad is daaraan niet gebonden en heeft in zoverre op voorstel van het college van burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot het planologisch mogelijk maken van een pontverbinding. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

2.13. [appellanten sub 2] voeren aan dat het in het plan niet bestemmen van de oever langs de Noord Schalkwijkerweg als "Waterkering (Wk)" tot onveiligheid zal leiden. Deze oever heeft immers de functie van waterkering. In het aangrenzende plan heeft de oever die ook die functie heeft wel die bestemming gekregen, zodat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld.

2.13.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor Waterkering (Wk) aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen, primair bestemd voor waterkeringen en waterbeheersing, met bij deze bestemming behorende andere bouwwerken.

2.13.2. Niet is aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de oever langs de Noord Schalkwijkerweg en de in het aangrenzende bestemmingsplan begrepen oever van gelijke gevallen sprake is. Daarbij is in aanmerking genomen dat in het plan niet de oever maar de aan het oevergebied grenzende Noord Schalkwijkerweg de dubbelbestemming "Waterkering (Wk)" heeft. Dat een onveilige situatie zal ontstaan, is niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het beroep van de stichting

2.15. De stichting kan zich niet verenigen met het plandeel dat voorziet in een ligplaats voor een Urker kotter (…) ter plaatse van de bestemming "Woonschepenligplaats, zone VI" en het plandeel dat voorziet in een ligplaats voor het schip "Onderneming" direct noordelijk van het als gemeentelijk monument geregistreerde schip "Dageraad" ter plaatse van de bestemming "Woonschepenligplaats, zone VII".

2.16. De raad heeft bij de gewijzigde vaststelling van het plan aan het in artikel 8, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen maximaal aantal ligplaatsen in zone VI en zone VII een ligplaats toegevoegd om rekening te houden met ligplaatsen voor de Urker kotter en het schip "Onderneming", die in het ontwerp niet waren opgenomen.

2.17. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor Woonschepenligplaats, zone (Wsl) aangewezen gronden bestemd voor water en de ligplaats van een woonschip

Ingevolge het vierde lid, onder 2, is het aantal ligplaatsen voor zone VI vastgelegd op 5 en voor zone VII op 2.

Ingevolge artikel 1, onder 74, wordt onder een woonschip verstaan een zich op het water bevindend object dat (nagenoeg) voortdurend dient als woning.

2.18. De stichting maakt bezwaar tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in afwijking van het ontwerp, nu met betrekking tot de betrokken planonderdelen geen inspraak mogelijk is geweest.

Zoals hiervoor is overwogen, kan de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan afwijken van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn, dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure, met inbegrip van de inspraak, opnieuw doorlopen te worden. Deze situatie doet zich in dit geval naar het oordeel van de Afdeling niet voor.

2.19. Ten aanzien van het betoog van de stichting dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende is ingegaan op de bedenkingen, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich er niet tegen verzet dat het college van gedeputeerde staten de bedenkingen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Vooralsnog is niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

2.20. De stichting betoogt dat beide schepen niet zijn aan te merken als een woonschip in de zin van de gemeentelijke Woonschepenverordening.

2.20.1. In artikel 1, onder 74, van de planvoorschriften is gedefinieerd wat onder een woonschip wordt verstaan. De definitie van een woonschip in de gemeentelijke Woonschepenverordening, wat daarvan ook zij, doet derhalve in dit kader niet ter zake. Het betoog faalt.

2.21. Volgens de stichting stelt de raad weliswaar dat aan de eigenaren van beide schepen een persoonlijk recht wordt toegekend, maar blijkt dat niet uit het plan, waarin ter plaatse zonder een beperking naar persoon ligplaatsen mogelijk zijn gemaakt.

2.21.1. De raad heeft gesteld dat aan de eigenaren van beide schepen geen volledige ligplaatsvergunning zal worden verleend, maar een persoonlijk recht, dat bij verkoop of overlijden teniet gaat.

2.21.2. Het college van gedeputeerde staten heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de desbetreffende locaties als ligplaats niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.21.3. De Afdeling overweegt dat de raad weliswaar te kennen heeft gegeven dat geen volledige ligplaatsvergunning zal worden verkregen, maar een persoonlijk recht, dat bij verkoop of overlijden teniet gaat, maar dat in hetgeen de stichting naar voren heeft gebracht geen aanleiding is gelegen voor het oordeel dat het ook de bedoeling was om ter plaatse van de voorziene ligplaatsen voor beide schepen slechts een tot de huidige eigenaren van die schepen beperkte planologische voorziening mogelijk te maken. De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad slechts persoonsgebonden voor de huidige eigenaren ligplaatsen in het plan had mogen opnemen. Er is gelet daarop geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het zonder beperking planologisch mogelijk maken van ligplaatsen voor woonschepen aldaar.

2.22. De stichting betoogt ten aanzien van het schip "Onderneming" dat toekenning van een ligplaats in strijd is met het gemeentelijk beleid, waarin wordt beoogd het zicht op het Spaarne te handhaven.

2.22.1. Het college van gedeputeerde staten heeft de beoogde ligplaats voor het schip "Onderneming" naast het schip "De Dageraad" aan de Zuid Schalkwijkerweg, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht, nu deze ligplaats voorzien is buiten de op de plankaart opgenomen zichtlijnen op het Spaarne.

2.22.2. De raad heeft toegelicht dat er zichtlijnen op de plankaart zijn opgenomen, welke een vertaling zijn van het in de plantoelichting genoemde gemeentelijke beleid tot behoud van de zichtrelaties tussen de Zuid Schalkwijkerweg, het Jaagpad en het Spaarne. Niet aannemelijk is geworden dat dit beleid niet juist is vertaald naar de plankaart. De voorziene ligplaats voor het schip "Onderneming" valt buiten deze zichtlijnen. Gelet op het voorgaande is het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat het plan op dit punt in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid inzake zichtlijnen niet onjuist.

2.23. Voorts bestaat er volgens de stichting geen noodzaak tot verplaatsing van het schip "Onderneming", nu de huidige ligplaatseigenaar, [jachtwerf], de huur niet heeft opgezegd, niet heeft aangedrongen op verplaatsing en het plan niet langer voorziet in de gewenste ontwikkelingsplannen ter plaatse.

2.23.1. Hoewel het thans voorliggende plan grootschalige ontwikkelingen ter plaatse van de jachtwerf niet mogelijk maakt, bestaan hier wel voornemens toe en staat de raad hier niet onwelwillend tegenover. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid verplaatsing van het schip "Onderneming" noodzakelijk kunnen achten.

2.24. De stichting betoogt dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, nu er nog twee schepen in de jachtwerf liggen, die al jaren illegaal worden bewoond, waar in het plan niets voor wordt geregeld.

2.24.1. Ten aanzien van de door de stichting gemaakte vergelijking met twee andere schepen in de jachtwerf waarvoor in het plan geen regeling is getroffen wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten en de raad zich op het standpunt hebben gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat deze schepen niet permanent bewoond worden. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en de raad zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de door de stichting genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.25. De stichting vreest voor een herhaling van de situatie van het monumentale schip "De Dageraad", aan welk schip ondanks protesten van omwonenden in 1992 een ligplaats aan de Zuid Schalkwijkerweg is toegekend, terwijl toentertijd is toegezegd door het college van burgemeester en wethouders, hetgeen bevestigd is door het college van gedeputeerde staten, dat deze toekenning een eenmalige actie betrof.

2.25.1. Zoals in rechtsoverweging 2.12.2 is overwogen is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het desbetreffende bestuursorgaan toe te rekenen, concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.

Het college van burgemeester en wethouders heeft blijkens het besluit van 20 april 1993 betreffende vrijstelling voor een ligplaats voor het schip "De Dageraad" het standpunt ingenomen dat de beslissing om een ligplaats toe te wijzen op het desbetreffende gedeelte van de Zuid Schalkwijkerweg eenmalig is en een exclusief karakter heeft.

Dit destijds door het college van burgemeester en wethouders ingenomen standpunt kan er niet aan in de weg staan dat de raad thans ten aanzien van twee andere schepen weloverwogen heeft besloten ligplaatsen toe te kennen.

Gelet op het voorgaande heeft het college van gedeputeerde staten niet hoeven concluderen dat het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Voor zover de stichting verwijst naar de door haar gestelde toezegging van het college van gedeputeerde staten, overweegt de Afdeling dat de desbetreffende overwegingen in het besluit van dat college van 21 september 1993 omtrent een verklaring op grond van artikel 19 van de WRO geen toezegging, maar slechts een bevestiging inhouden van hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft gesteld.

2.26. Voor zover de stichting aanvoert dat de lengte van het schip "Onderneming" de afmetingen van de ligplaats overschrijdt, overweegt de Afdeling dat dit geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond kan derhalve buiten beschouwing blijven.

2.27. De conclusie is dat hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 2] en de stichting Stichting tot behoud van Groene Zoom Schalkwijk ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Zwemstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

91.