Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5079

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201107706/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2011:BQ9710, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] toegekende zorgtoeslag voor het jaar 2007 definitief berekend en vastgesteld op nihil en de uitbetaalde voorschotten ten bedrage van € 433,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107706/1/A2.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juni 2011 in zaak nr. 10/304 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] toegekende zorgtoeslag voor het jaar 2007 definitief berekend en vastgesteld op nihil en de uitbetaalde voorschotten ten bedrage van € 433,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 18 december 2009 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 augustus 2011.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2012, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. B.A.M. van Eck, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) wordt in deze wet, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, verstaan onder kind: de persoon bedoeld in artikel 4, en onder partner: de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 3, is de partner van de belanghebbende diegene die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover hier van belang, is een kind de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de belanghebbende of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de belanghebbende of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de definitieve berekening van de zorgtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2007 ten onrechte het inkomen van [belanghebbende] in aanmerking heeft genomen, omdat [belanghebbende] niet kan worden aangemerkt als partner in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 3, van de Awir. Zij heeft daartoe overwogen dat [wederpartij] en [belanghebbende] geen kind hebben als bedoeld in die bepaling, nu de uit hun relatie geboren kinderen niet door één van hen in belangrijke mate worden onderhouden en niet op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de GBA.

2.3. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt dat de rechtbank de wet op onjuiste wijze heeft toegepast, omdat de definitie van kind in artikel 4, eerste lid, van de Awir niet van toepassing is op het begrip kind in artikel 3 van de Awir. Het begrip kind dient daarbij volgens hem grammaticaal te worden uitgelegd, zodat de enkele omstandigheid dat uit de relatie van [wederpartij] en [belanghebbende] kinderen zijn geboren, met zich brengt dat [belanghebbende] als (toeslag)partner moet worden aangemerkt.

2.3.1. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 3, van de Awir bevat een onweerlegbaar rechtsvermoeden met betrekking tot het begrip partner. Degene die in de GBA op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren, wordt voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen verondersteld partner van de belanghebbende te zijn. Het begrip kind dient in dit verband grammaticaal te worden uitgelegd. Daarbij is niet van belang door wie het kind wordt onderhouden en waar het woont. De definitie van kind in artikel 4, eerste lid, van de Awir is hier niet van toepassing, nu deze bepaling een ander doel heeft, namelijk een definitie te geven van het kind van wie de kosten van levensonderhoud in aanmerking moeten worden genomen bij beantwoording van de vraag of aanspraak bestaat op een tegemoetkoming op grond van de inkomensafhankelijke regelingen. Nu uit de relatie van [wederpartij] en [belanghebbende] feitelijk kinderen zijn geboren, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [belanghebbende] niet als (toeslag)partner kan worden aangemerkt en daarom ten onrechte zijn inkomen in aanmerking is genomen bij de definitieve berekening van de zorgtoeslag van [wederpartij] over het jaar 2007.

Het betoog slaagt.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 december 2009 alsnog ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juni 2011 in zaak nr. 10/304;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

18-686.