Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201104608/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college een kapvergunning verleend aan Dat Staat Vastgoed B.V. (hierna: vergunninghouder) voor het kappen van 208 bomen op het perceel Arnhemsebovenweg 275 in Driebergen-Rijsenburg (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104608/1/A2.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E] en [appellant F] (hierna ook: [appellant] en anderen), allen wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 8 maart 2011 in zaak nrs. 11/702 VV en 11/704 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2010 heeft het college een kapvergunning verleend aan Dat Staat Vastgoed B.V. (hierna: vergunninghouder) voor het kappen van 208 bomen op het perceel Arnhemsebovenweg 275 in Driebergen-Rijsenburg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 februari 2011, voor zover thans van belang, heeft het college de door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2011, verzonden op 15 maart 2011, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 februari 2011 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 19 april 2011, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft vergunninghouder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2012, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P. Pasveer, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing is op dit geding, omdat de aanvraag om een kapvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2.1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2008 is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

Ingevolge het tweede lid wordt een vergunning onder verwijzing naar beleidsregels geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

a. natuurwaarden;

b. milieuwaarden;

c. landschappelijke waarden;

d. cultuurhistorische waarden;

e. waarden van stads- en dorpsschoon;

f. waarden voor recreatie en leefbaarheid.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2.2. Op 8 december 2008 heeft vergunninghouder een aanvraag om een kapvergunning ingediend voor de kap van 196 bomen op het perceel. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft vergunninghouder aanvullende gegevens verstrekt, waaruit blijkt dat de gevraagde kapvergunning betrekking heeft op 208 bomen. Deze bomen staan op de plaats waar de bouw van veertien woningen, vier appartementen met garages en de nieuwbouw voor het schietbaancomplex alsmede de herinrichting van de tennisbanen en de aanleg van wegen en parkeerplaatsen zijn gepland. De aanvraag heeft tevens betrekking op bomen die te dicht op de te realiseren bebouwing zouden komen te staan.

Het college heeft de gevraagde kapvergunning verleend en daaraan geen herplantplicht verbonden, omdat op het perceel geen optimale groeiplaats voor te herplanten bomen aanwezig is.

2.3. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college niet dan wel onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, welke belangen tegen elkaar zijn afgewogen en welke argumenten de doorslag hebben gegeven om tot vergunningverlening te komen. Dat had gemoeten, omdat daarover in bezwaar is geklaagd. De voorzieningenrechter was van oordeel dat het besluit van 15 februari 2011 niet berust op een deugdelijke motivering en heeft dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het besluit van 15 februari 2011 in stand te laten. Gezien het rapport van ing. A.J.I. van der Waart van 2 maart 2011 en het rapport van ing. P.E.B. Leemreise van 25 februari 2011, bezien in samenhang met de ter zitting door J. van Gijzen gegeven toelichting op de bij het besluit van 22 november 2010 gevoegde motivering, was de voorzieningenrechter van oordeel dat het college aan het belang van vergunninghouder bij realisering van het bouwplan in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen hechten dan aan het belang van de waarden van de te vellen bomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde kapvergunning kunnen verlenen. De voorzieningenrechter heeft in het betoog van [appellant] en anderen, dat ten onrechte geen herplantplicht aan de verleende kapvergunning is verbonden, geen reden gezien voor een ander oordeel nu het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel geen groeiplaatsen beschikbaar zijn. Daarbij is betrokken de toelichting van het college ter zitting dat er ook binnen de gemeente geen concrete mogelijkheden voor herplant zijn.

2.4. Anders dan het college in het verweerschrift stelt, hebben [appellant] en anderen belang bij een uitspraak op het hoger beroep. De bomen zijn weliswaar gekapt, maar [appellant] en anderen beogen met hun hoger beroep dat in de kapvergunning alsnog een herplantplicht wordt opgenomen. Hiermee is hun belang bij een oordeel over het hoger beroep gegeven.

2.5. [appellant] en anderen betogen - kort samengevat - dat de voorzieningenrechter gezien de kort voor de zitting door het college en vergunninghouder ingediende rapporten van Van der Waart en Leemreise ten onrechte mede uitspraak heeft gedaan op het beroep en ten onrechte die rapporten bij zijn oordeel heeft betrokken.

2.5.1. [appellant] en anderen hebben in hoger beroep alsnog nader kunnen reageren op de rapporten van Van der Waart en Leemreise. De door [appellant] op de zitting in hoger beroep verwoorde reactie van de door hen ingeschakelde deskundige ir. J.I.G. Spieksma biedt geen aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de rapporten van Van der Waart en Leemreise, zodat het college gelet op voormelde rapporten de kapvergunning heeft kunnen verlenen. De voorzieningenrechter is tot hetzelfde oordeel gekomen. Gelet op het voorgaande kan de grief van [appellant] en anderen dat zij in beroep onvoldoende gelegenheid hebben gehad op voornoemde rapporten te reageren, niet leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] en anderen betogen voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat op het perceel geen groeiplaatsen beschikbaar zijn en derhalve een herplantplicht achterwege heeft kunnen laten. Volgens [appellant] en anderen is er nog ruimte voor het planten van tenminste zestien bomen in een lange strook van vijf tot acht meter breed met een aarden wal tussen de achtertuinen van de Oosterlaan en de veertien nieuwe woningen.

2.6.1. Het beleid van het college is dat een herplantplicht kan worden opgelegd indien de te kappen bomen waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 5 van de Bomenverordening 2008. Daarbij is uitgangspunt dat bomen met dezelfde kroonomvang als die van het eindbeeld van de te kappen bomen worden herplant op dezelfde plaats waar die bomen stonden. Het college heeft in de bij het besluit van 22 november 2010 gevoegde motivering toegelicht dat geen herplantplicht is opgelegd, omdat na realisering van het bouwplan op het perceel geen groeiplaatsen beschikbaar zijn in voormelde zin.

Voorts heeft het college in beroep verwezen naar het rapport van de deskundige Leemreise van 25 februari 2011 waarin het standpunt van het college is onderschreven. In dat rapport is vermeld dat in het plangebied zorgvuldig is gekeken welke bomen wel en welke bomen niet gehandhaafd kunnen worden na planrealisatie. Uitgangspunt is daarbij geweest om zo veel mogelijk bestaande bomen te handhaven. Niet alle bomen in het plangebied worden dus geveld, en op plaatsen waar gebouwen, wegen en/of parkeerplaatsen worden aangelegd kunnen bomen simpelweg niet duurzaam staan. In het plangebied is alle beschikbare ruimte gereserveerd voor de overgebleven bomen. Verdichting van de bestaande bomenopstand is geen zinvolle maatregel omdat dit tot extra concurrentie tussen bomen onderling zal leiden, als de jonge boom al wil aanslaan en groeien, aldus deze deskundige. Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het perceel geen ruimte is om te herplanten. De door [appellant] en anderen voor het eerst op de zitting bij de Afdeling getoonde zelfgemaakte kaart met herplantlocaties en hun mondelinge toelichting dat hun deskundige Spieksma van opvatting is dat de gekapte bomen onder meer natuurwaarden vertegenwoordigen, leiden niet tot een ander oordeel nu daaruit niet kan worden afgeleid dat er locaties zijn op het perceel die voldoen aan voormeld beleid.

Het betoog faalt.

2.7. Het betoog van [appellant] en anderen dat de voorzieningenrechter eraan voorbij is gegaan dat het college in het besluit van 15 februari 2011 niet heeft gemotiveerd waarom het advies van de commissie bezwaarschriften op het punt van de herplantplicht niet is gevolgd, leidt niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Aangezien de voorzieningenrechter dit besluit heeft vernietigd wegens een motiveringsgebrek ter zake van de belangenafweging, is hij aan deze beroepsgrond van [appellant] en anderen niet toegekomen. Voorts kan die beroepsgrond niet slagen nu, zoals hiervoor onder 2.6.1 is overwogen, het college voldoende heeft gemotiveerd dat het opleggen van een herplantplicht niet mogelijk is.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Roelfsema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

58-609.