Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201103585/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het faunafonds een verzoek van [verzoeker] om een tegemoetkoming in de door reeën aan een perceel radicchio rosso veroorzaakte schade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds
Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds 7
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 65
Flora- en faunawet 84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2012/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103585/1/A3.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het faunafonds (hierna: het faunafonds),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 februari 2011 in zaak nr. 10/39 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Gasselternijveenschemond, gemeente Aa en Hunze

en

het faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het faunafonds een verzoek van [verzoeker] om een tegemoetkoming in de door reeën aan een perceel radicchio rosso veroorzaakte schade afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2009 heeft het faunafonds het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2009 vernietigd en het faunafonds opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 april 2011.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 december 2011, waar het faunafonds, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels en H.G. Engberink, beiden werkzaam bij het faunafonds, en [verzoeker], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) worden bij algemene maatregel van bestuur beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

Ingevolge het tweede lid kan, slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, de aanwijzing bedoeld in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van:

a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of

b. schade aan de fauna.

Ingevolge het derde lid kan, voor zover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a, soorten zijn aangewezen, bij ministeriële regeling worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen ter voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74 ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding faunafonds (zoals gepubliceerd in Stcrt. 2002, 69 en laatstelijk gewijzigd op 4 juni 2009, hierna: de Regeling) kan het faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade met inachtneming van het hierna bepaalde.

Volgens artikel 6, eerste lid, kan het bestuur uitsluitend voor schade veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de wet genoemde soorten, welke door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of bedrijfsmatige visserij is veroorzaakt, een tegemoetkoming verlenen.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het bestuur een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 2, slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het tweede lid zijn voor kwetsbare gewassen maatregelen of inspanningen ter voorkoming of beperkingen van schade, waarvan het bestuur meent dat deze naar eisen van redelijkheid en billijkheid door de grondgebruiker kunnen worden genomen, de inzet van zowel visuele en akoestische middelen in voldoende aantallen. In plaats van deze middelen kan ter bescherming van kwetsbare gewassen ook een deugdelijk raster worden geplaatst als de schade wordt aangericht door diersoorten die staan vermeld onder artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet. Voor overige gewassen kan worden volstaan met verjaging door menselijke aanwezigheid. Ter ondersteuning van deze verjaging dient een ontheffing als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder a, te worden aangevraagd. Indien een grondgebruiker in plaats van de hiervoor genoemde middelen ter voorkoming en beperking van schade een alternatief middel wil aanwenden, legt hij het gebruik van het middel vooraf schriftelijk voor aan het bestuur.

Volgens het derde lid wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de wet en waarvoor ingevolge artikel 68 van de wet een ontheffing kan worden verleend, slechts toegekend indien:

a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;

b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het bestuur op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

Volgens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt geen tegemoetkoming verleend indien de schade is aangericht door een beschermde inheemse diersoort, welke krachtens artikel 65 van de wet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als diersoort welke in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanricht.

2.2. In het besluit op bezwaar van 8 december 2009 heeft het faunafonds de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in de schade gehandhaafd, omdat [verzoeker] of zijn jachthouder geen ontheffing in de zin van artikel 68 van de Ffw heeft aangevraagd voor het doden van enkele schadeveroorzakende exemplaren ter ondersteuning van de verjaging. Deze ontheffing dient preventief dan wel uiterlijk op de dag van constatering van de schade te zijn aangevraagd. Het faunafonds heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het treffen van preventieve maatregelen [verzoeker] niet ontslaat van de in de beleidsregels opgenomen verplichting ontheffing aan te vragen en deze adequaat te gebruiken.

2.3. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd. Volgens haar kan uit de door [verzoeker] in beroep overgelegde 'machtiging tot afschot van reeën 2008/2009' worden afgeleid dat een ontheffing is verleend om een aantal reeën af te schieten. Nu verder niet in geschil is dat op een adequate wijze gebruik is gemaakt van de ontheffing, had het faunafonds in beginsel een tegemoetkoming dienen te verstrekken aan [verzoeker]. Naar het oordeel van de rechtbank was [verzoeker] niet gehouden om naast de bestaande ontheffing nog een ontheffing aan te vragen voor individuele schadebestrijding. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zowel in het beleid als in de Handreiking Faunaschade geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt van het faunafonds dat van [verzoeker] meer mocht worden verwacht gelet op de kapitaalintensieve teelt van radicchio rosso.

2.4. Het faunafonds betoogt dat de rechtbank artikel 7 van de Regeling te beperkt uitlegt, omdat uit dit artikel volgt dat het aanvragen van een machtiging slechts een middel is om het doel van schadebestrijding te bereiken. De rechtbank heeft dit miskend door slechts te toetsen of sprake is van een machtiging en niet te beoordelen of deze machtiging [verzoeker] daadwerkelijk in staat stelde om de schade te bestrijden. Daartoe voert het faunafonds aan dat de door [verzoeker] overgelegde machtiging een ambtshalve machtiging betreft in het kader van populatiebeheer. Uit de machtiging blijkt dat een afschotquotum is vastgesteld voor één reegeit in de periode van 1 december 2008 tot 1 maart 2009 en voor één reebok in de periode van 1 april 2009 tot 1 september 2009. Nu [verzoeker] ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat het quotum reeds was volgeschoten ten tijde van de constatering van de schade, bood de overgelegde machtiging [verzoeker] geen enkele mogelijkheid om conform artikel 7, derde lid, van de Regeling de schadeveroorzakende reeën te bejagen. Aldus had [verzoeker] volgens het faunafonds een machtiging tot afschot in het kader van individuele schadebestrijding moeten aanvragen. Voorts betoogt het faunafonds dat de rechtbank heeft miskend dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een grondgebruiker, naast voldoende preventieve maatregelen, tevens dient te verjagen en te bejagen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Verder heeft de rechtbank miskend dat zich situaties kunnen voordoen waarin hogere eisen worden gesteld aan de grondgebruiker. Aangezien radicchio rosso een kapitaalintensief gewas is en de schade voorzienbaar, had [verzoeker] naast het treffen van voldoende visuele en akoestische middelen, tevens preventief het betreffende perceel moeten afschermen met een reeënwerend raster, aldus het faunafonds.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 februari 2008 in zaak nr. 200705729/1), impliceert het vereiste dat de grondgebruiker naar redelijkheid en billijkheid maatregelen treft ter voorkoming en beperking van de schade dat deze preventief, dat wil zeggen voor het ontstaan ervan, worden getroffen, of, ter beperking van verdere schade, uiterlijk op de dag waarop de schade is geconstateerd.

Verder heeft de Afdeling eerder overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 juli 2009 in zaak nr. 200808625/1/H3) dat uit artikel 7, eerste lid, in verbinding met het derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling volgt dat het op adequate wijze gebruik maken van een verleende ontheffing een afzonderlijk vereiste is, waaraan moet zijn voldaan om voor een tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen.

2.4.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [verzoeker] niet gehouden was om naast de bestaande ontheffing tot afschot nog een ontheffing aan te vragen voor individuele schadebestrijding. Uit de Handreiking Faunaschade volgt niet dat [verzoeker] een nieuwe ontheffing diende aan te vragen voor individuele schadebestrijding. Bij bepaalde diersoorten, waaronder reeën, is regulering van de stand, waarbij de populatie door bejaging of afschot op een bepaald niveau kan worden gebracht of gehouden om belangrijke schade aan landbouwgewassen te voorkomen, als enig middel van preventie van schade door gebruik van het geweer genoemd. Uit de Handreiking Faunaschade valt niet op te maken dat daarnaast voor deze diersoorten verjaging door middel van ondersteunend afschot moet worden ingezet als middel om schade te beperken of te voorkomen. Aangezien een machtiging tot afschot is verleend en het aangegeven quotum is volgeschoten, is van de ontheffing op adequate wijze gebruikgemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het faunafonds op grond van artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling in beginsel een tegemoetkoming diende te verstrekken aan [verzoeker].

De rechtbank heeft verder met juistheid geoordeeld dat noch in het beleid van het faunafonds, noch in de Handreiking Faunaschade aanknopingspunten zijn te vinden voor het standpunt van het faunafonds dat van [verzoeker] meer mocht worden verwacht gelet op de kapitaalintensieve teelt van radicchio rosso. Volgens de Handreiking Faunaschade kan het faunafonds bij sommige risicovolle teelten extra eisen stellen aan preventie waarbij onder meer kapitaalintensieve teelten worden genoemd. Anders dan het faunafonds stelt, brengt een kapitaalintensieve teelt niet zonder meer met zich dat deze eveneens als risicovolle teelt dient te worden aangemerkt. Het faunafonds heeft niet aannemelijk gemaakt dat de teelt van radicchio rosso valt aan te merken als een risicovolle teelt. Aldus dient radicchio rosso te worden aangemerkt als een kwetsbaar gewas. Naar vast beleid van het faunafonds dient de grondgebruiker bij kwetsbare gewassen om voor een eventuele tegemoetkoming in de schade in aanmerking te kunnen komen minimaal twee typen afweermiddelen in te zetten, te weten één visueel en één akoestisch afweermiddel. Uit het beleid en de Handreiking Faunaschade volgt niet dat het faunafonds als aanvullende voorwaarde mocht stellen dat [verzoeker] een deugdelijk reeënwerend raster diende te plaatsen. Nu [verzoeker] ter preventie stokken met linten en een knalapparaat op het betreffende perceel heeft geplaatst, hetgeen het faunafonds niet heeft weersproken, heeft hij daarmee voldoende preventieve maatregelen getroffen. Van [verzoeker] mocht niet worden verwacht dat hij kostbare verdergaande maatregelen zou treffen, indien de reeds getroffen maatregelen voldoende effect plegen te hebben. Van belang is dat de door [verzoeker] getroffen maatregelen gedurende vele jaren voldoende zijn gebleken en dat hij in de tweeëndertig jaren dat hij vollegrondsgroente heeft geteeld niet eerder is geconfronteerd met vraatschade door reeën. [verzoeker] had de vraatschade door reeën aan de radicchio rosso daarom niet kunnen voorzien, zodat niet van hem kon worden verwacht dat hij reeds op voorhand een reeënwerend raster op het betreffende perceel had geplaatst.

De betogen falen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Het faunafonds dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het bestuur van het faunafonds tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 50,91 (zegge: vijftig euro en eenennegentig cent);

III. bepaalt dat van het bestuur van het faunafonds een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

97-697.