Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV5062

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
201107098/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7232, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2009 heeft de rechtsvoorganger van het college, het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht, aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het oprichten van 37 eengezinswoningen en 28 appartementen met bijbehorende voorzieningen nabij de Koningin Julianastraat te Moordrecht, gemeente Zuidplas (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107098/1/A1.

Datum uitspraak: 15 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 mei 2011 in zaken nrs. 10/3982 en 10/4006 in het geding tussen:

onder meer [appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2009 heeft de rechtsvoorganger van het college, het college van burgemeester en wethouders van Moordrecht, aan [belanghebbende] vrijstelling verleend voor het oprichten van 37 eengezinswoningen en 28 appartementen met bijbehorende voorzieningen nabij de Koningin Julianastraat te Moordrecht, gemeente Zuidplas (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 december 2009 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van 37 woningen en 28 appartementen op het perceel.

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, de door [appellanten] tegen die besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door onder meer [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2011, waar [ een van de appellanten], bijgestaan door mr. M. Bergwerff, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.A.M. Waarma en M. van Braam, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [directeur], en ing. D. Zuiddam, bijgestaan door mr. A.G. van Keulen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanduiding "bv".

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van beroeps en/of bedrijfsmatige activiteiten conform de op de kaart voorkomende subbestemming "Bedrijfsverzamelgebouw B(bv)" en zijn tevens toegelaten de bij deze bestemming behorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven, tuinen, groen- en parkeervoorzieningen, toegangspaden en water.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, mag de totale grondoppervlakte van de gebouwen niet meer bedragen dan per bouwvlak, met een bebouwingspercentage, op de kaart staat aangegeven.

Ingevolge het bepaalde onder d, mag de hoogte van de bedrijfsgebouwen maximaal 8 m bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder e, mag de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 5 m bedragen, met uitzondering van een windturbine waarvan de hoogte maximaal 25 m mag bedragen.

2.2.    Het bouwplan is in strijd met artikel 5 van de planvoorschriften. Om niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan het ten tijde van belang geldende artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).

2.3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat het perceel niet geschikt is voor bebouwing, onder meer vanwege de gesteldheid van de bodem en de ontoereikende ontsluiting van het perceel. Zij stellen voorts in dit kader dat de milieuonderzoeken gebrekkig zijn uitgevoerd. [appellanten] wijzen er daarbij op dat de onderzoekers niet onpartijdig zijn, het bodemonderzoek niet toereikend is omdat niet alle representatieve meetpunten zijn bemonsterd en niet alle monsters zijn geanalyseerd. Verder stellen zij dat de landschappelijke waarde van het gebied wordt aangetast, onder meer omdat het college geen deugdelijk kapbeleid hanteert en in strijd met de Boswet bomen zijn gekapt.

2.3.1.    Bij de beoordeling of het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, heeft de rechtbank de stedenbouwkundige opzet zoals vermeld in de ruimtelijke onderbouwing van [belanghebbende] van 10 juli 2009 in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in de stedenbouwkundige opzet van het bouwplan terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de stijl van het bouwplan aansluit bij de omgeving en voorts dat langs de rand van het landelijke gebied woningen worden gebouwd met een open structuur en verder dat verschillende soorten bomen en struiken zullen worden aangeplant.

2.3.2.    Ter onderbouwing van hun stelling dat het perceel niet geschikt is voor woningbouw, hebben [appellanten] gewezen op het archeologisch onderzoek van AV Consulting B.V. van 2 oktober 2008. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit voormeld onderzoek niet kan worden afgeleid dat het perceel niet geschikt is voor woningbouw, omdat het archeologisch onderzoek vooral is uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de specifieke aanwezige archeologische waarde van het gebied.

2.3.3.    [appellanten] hebben met hetgeen zij hebben aangevoerd over de ontsluiting van het perceel niet aannemelijk gemaakt dat het perceel niet op veilige wijze kan worden ontsloten. Voorts kan op basis van de nadere onderbouwing voor de verkeersaspecten van het bouwplan van 19 februari 2010, uitgevoerd door Goudappel Coffeng B.V., worden geconcludeerd dat de verkeersveiligheid in de omgeving van het bouwplan niet afneemt door realisering daarvan.

2.3.4.    VanderHelm Milieubeheer B.V. (hierna: VanderHelm) heeft een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd waarbij boringen zijn verricht en peilbuizen zijn geplaatst. Ter zitting heeft het college toegelicht dat er gebruik is gemaakt van meerdere meetpunten. [belanghebbende] heeft ter zitting naar voren gebracht dat onder meer de gedempte sloten en vijver zijn bemonsterd. Voorts heeft [belanghebbende] uiteengezet dat alle monsters die door middel van de boringen zijn verkregen, zijn geanalyseerd, waarbij sommige monsters zijn samengevoegd. In het rapport van VanderHelm van 23 juli 2008 wordt geconcludeerd dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen aanwezig zijn voor de realisering van het bouwplan en voorts dat er geen aanleiding bestaat tot het doen van nader onderzoek dan wel het nemen van sanerende maatregelen. Voormeld onderzoek is door het college ter beoordeling aan de Milieudienst Midden-Holland voorgelegd, die bij brief van 4 maart 2010 aan het college heeft medegedeeld dat op basis van het beoordeelde bodemonderzoek geen bodemhygiënische redenen aanwezig zijn om af te zien van het bouwplan. [appellanten]   hebben ook in hoger beroep geen deskundigenrapport overgelegd waarin dit standpunt wordt weersproken. Verder is in het rapport "Natuurtoets bouwproject "Boslocatie" te Moordrecht" van het Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp van 9 september 2008, aangevuld bij brief van 19 juli 2010, geconcludeerd dat in de Flora- en Faunawet geen belemmeringen worden gevonden voor de realisering van het bouwplan en is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat bij de realisering van het bouwplan zal worden voldaan aan de adviezen zoals opgenomen in voormeld onderzoek. Niet gebleken is dat de hiervoor genoemde rapporten naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat het college deze niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag had mogen leggen. In het door [appellanten] aangevoerde wordt evenmin grond gevonden voor een ander oordeel. De rechtbank is dan ook terecht van de inhoud van voormelde rapporten uitgegaan.

2.3.5.    De rechtbank heeft verder van belang kunnen achten dat het college de realisering van het groenplan als voorwaarde aan de vrijstelling heeft verbonden. Het groenplan houdt onder meer in dat aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied een rij knotwilgen wordt aangeplant. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het bestaande groen niet planologisch is beschermd, heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten aanwezig geacht voor het oordeel dat de landschappelijke waarde van het perceel wordt aangetast. Voor zover [appellanten] betogen dat het college ten onrechte geen kapbeleid hanteert en dat door het kappen van bomen de Boswet is overtreden, wordt, wat daar ook van zij, dat betoog buiten beschouwing gelaten omdat het buiten de omvang van dit geding valt. Overigens heeft het college gesteld dat een deel van de bomen zal worden herplant.

2.3.6.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het betoog faalt.

2.4.    [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat het perceel behoort tot uniek poldergebied en dat in het gebied betere locaties aanwezig zijn.

2.4.1.    Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarvan in het onderhavige geval niet is gebleken. Het betoog faalt.

2.5.    [appellanten] hebben eerst in hoger beroep aangevoerd dat de bouwaanvraag in strijd is met de "Nota Ruimte voor Ruimte" van de provincie Zuid-Holland van 17 september 2003. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er geen reden is aan te nemen dat dit niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, kan dit reeds om die reden niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.

2.6.    De stelling van [appellanten] dat tijdens het slopen en bouwrijp maken van de gronden de Arbowet, het Asbestbesluit en diverse NEN-normen zijn overtreden, valt buiten de omvang van dit geding en wordt aldus buiten beschouwing gelaten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Fransen

voorzitter    ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012

407-672.