Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
201002520/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op het voorgaande biedt de omstandigheid dat de vreemdeling en haar gemachtigde niet nader hebben geconcretiseerd waarom de deprogrammering had moeten worden afgewacht, dat door de vreemdeling bij de aanvang van het gehoor is verklaard dat zij in staat was te worden gehoord en dat geen melding is gemaakt van bijzonderheden waarmee rekening zou moeten worden gehouden, onvoldoende grond voor het oordeel dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien het nader gehoor uit te stellen. In het licht van de hiervoor en de onder 2.2 vermelde brieven lag het op de weg van de staatssecretaris zich ervan te vergewissen dat de in die brieven genoemde omstandigheden in dit geval niet zodanig zwaarwegend waren dat in verband daarmee het nader gehoor van de vreemdeling vooralsnog niet kon plaatsvinden en heeft de staatssecretaris niet kunnen volstaan met de vaststelling dat er van de zijde van de vreemdeling geen nadere op haar geval betrekking hebbende bijzonderheden zijn genoemd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002520/1/V1.

Datum uitspraak: 7 februari 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 februari 2010 in zaak nr. 09/35115 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tevens geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 maart 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Justitie, thans de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In haar eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft toegelicht waarom het nader gehoor niet reeds op 11 juni 2009 had mogen plaatsvinden en de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor vernietiging van het besluit van 2 september 2009 wegens het niet in acht nemen van de vereiste zorgvuldigheid. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het nader gehoor niet had mogen plaatsvinden vóór de beëindiging van de zogenoemde deprogrammering, die van toepassing is op alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv's) ten aanzien van wie het vermoeden bestaat dat deze slachtoffer van mensenhandel zijn of dreigen te worden. Tijdens het eerste gehoor bleek al dat zij amper in staat was de vragen te beantwoorden en tijdens het nader gehoor kon dat nogmaals worden vastgesteld, aldus de vreemdeling.

2.2. In zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 4 november 2008 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 27 062, nr. 63) heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat per 1 januari 2008 de pilot "beschermde opvang" is gestart, waar amv's die (mogelijk) slachtoffer zijn of dreigen te worden van mensenhandel, beschermd worden opgevangen. In de pilot worden maatregelen getroffen ter bescherming van zogenoemde risico-amv's tegen mensenhandel en mensensmokkel.

Om vermissing zoveel mogelijk te voorkomen staan de amv's, in ieder geval gedurende de eerste drie maanden dat zij in de beschermde opvang verblijven, 24 uur per dag onder toezicht. De begeleiding van de amv's is gericht op het vergroten van hun kennis, vaardigheden en weerbaarheid en het aanreiken van een alternatief toekomstperspectief. In dat verband worden zij nadrukkelijk voorgelicht over mensenhandel, uitbuiting en prostitutie.

Eerder heeft de staatssecretaris in zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 oktober 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 19 637, nr. 1174) in dit verband te kennen gegeven dat hij ter voorkoming van misbruik van (voormalige) amv's, onder meer, een methodiek heeft ontwikkeld die de minderjarigen helpt met "deprogrammeren" van de invloed van de handelaar/uitbuiter.

2.3. De vreemdeling heeft op 24 april 2009 een aanvraag ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Op 27 april 2009 heeft het eerste gehoor plaatsgevonden. Zij is daarop in de beschermde opvang geplaatst en is tijdens het nader gehoor op 11 juni 2009 in de gelegenheid gesteld haar aanvraag toe te lichten. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling afgewezen, omdat hij, samengevat weergegeven, haar asielrelaas ongeloofwaardig acht.

2.4. Uit de plaatsing van de vreemdeling in de beschermde opvang blijkt dat zij door de staatssecretaris is aangemerkt als risicojongere die mogelijk slachtoffer is van mensenhandel. Niet in geschil is voorts dat ten tijde van het nader gehoor de deprogrammering van de vreemdeling gedurende haar verblijf in de beschermde opvang nog niet was beëindigd.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 januari 2010, zaak nr. 200904260/1/V3 (www.raadvanstate.nl), is in de brief van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 5 december 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 27 062, nr. 56, p. 3) vermeld dat gedurende het verblijf in de besloten opvang niet alleen kan worden getracht de minderjarige ervan te overtuigen dat het volgen van aanwijzingen van de mensenhandelaar of anderen die hem tot zijn reis hebben aangezet, grote risico's kent, maar in die periode ook (beter) onderzoek kan worden verricht, onder meer naar de vraag of betrokkene in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, en speelt in zoverre het verblijf in de beschermde opvang een rol bij de beoordeling van mogelijke verblijfsaanspraken van de vreemdeling.

Aangezien in het geval van de, ten tijde van de behandeling van haar asielaanvraag minderjarige, vreemdeling aanwijzingen bestonden dat zij mogelijk slachtoffer was van mensenhandel, kon de staatssecretaris daaraan bij de behandeling van zijn asielaanvraag niet zonder meer voorbijgaan. Dit geldt te meer nu de staatssecretaris zich, gezien de invoering en opzet van de pilot "beschermde opvang", bewust toont van de grote invloed die mensensmokkelaars op amv's kunnen uitoefenen. Voorts is in voormelde uitspraak van de Afdeling gewezen op een brief van de Unitmanager Unit Landelijke AMV-Taken, tevens Landelijk AMV-Coördinator, van de IND van 11 maart 2009 aan de werkgroep B9 advocaten waarin het volgende is vermeld:

"Ten aanzien [van het pogen om binnen 3 maanden een beslissing te nemen op de asielaanvraag] is gaandeweg de pilot gebleken dat dit een categorie vreemdelingen betreft, waarvan de aanvraag niet altijd eenvoudig en snel kan worden beslist. De procedures zijn soms complex van aard, mede omdat er sprake kan zijn van mensenhandel en/of -smokkel, waardoor samenloop met de B9-procedure ontstaat. Ook staat deze groep vreemdelingen vaak onder extra druk van smokkelaars en is de aanname gerechtvaardigd dat een snelle asielprocedure niet vaak zal leiden tot een waarheidsgetrouw relaas."

Gelet op het voorgaande biedt de omstandigheid dat de vreemdeling en haar gemachtigde niet nader hebben geconcretiseerd waarom de deprogrammering had moeten worden afgewacht, dat door de vreemdeling bij de aanvang van het gehoor is verklaard dat zij in staat was te worden gehoord en dat geen melding is gemaakt van bijzonderheden waarmee rekening zou moeten worden gehouden, onvoldoende grond voor het oordeel dat de staatssecretaris geen aanleiding heeft hoeven zien het nader gehoor uit te stellen. In het licht van de hiervoor en de onder 2.2 vermelde brieven lag het op de weg van de staatssecretaris zich ervan te vergewissen dat de in die brieven genoemde omstandigheden in dit geval niet zodanig zwaarwegend waren dat in verband daarmee het nader gehoor van de vreemdeling vooralsnog niet kon plaatsvinden en heeft de staatssecretaris niet kunnen volstaan met de vaststelling dat er van de zijde van de vreemdeling geen nadere op haar geval betrekking hebbende bijzonderheden zijn genoemd. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 september 2009 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vernietigen.

2.6. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 19 februari 2010 in zaak nr. 09/35115;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 2 september 2009, kenmerk 0904.24.1322;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00 (zegge: zevenhonderdnegenenvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Willems

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2012

412-707.

Verzonden: 7 februari 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser