Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
201105914/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De vreemdeling heeft tijdens de gehoren afgenomen op 12 mei 2011 verklaard dat hij uit Marokko komt, dat hij geen reisdocumenten heeft, dat hij zijn land in 2007 heeft verlaten en via Spanje naar België is gereisd en vervolgens naar Zweden is gegaan. Voorts heeft de vreemdeling verklaard dat hij in Zweden asiel heeft aangevraagd, maar dat hij de uitkomst van de procedure niet heeft afgewacht. De vreemdeling heeft voorts verklaard op weg te zijn naar België, waar familie van hem woonachtig is. Voorts is gebleken dat de vreemdeling van aliassen gebruik heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden bestaat, hoewel door het onrechtmatig staande houden van de vreemdeling diens zwaarwegende belang, gelegen in het daarvan gevrijwaard blijven, geschonden is, geen aanleiding voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet opwegen tegen het door het vastgestelde gebrek geschonden belang van de vreemdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105914/1/V4.

Datum uitspraak: 2 februari 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2011 in zaak nr. 11/16543 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De in grief 1 opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling eerder (uitspraak van 29 september 2011 in zaak nr. 201103739/1/V4; www.raadvanstate.nl) beantwoord. De overwegingen 2.1.1. tot en met 2.1.5. van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, zijn ook in dit geval van toepassing.

Grief 1 faalt.

2.2. In grief 2 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

Daartoe wijst hij op de gronden voor inbewaringstelling en op de omstandigheid dat uit het procesdossier, meer in het bijzonder de processen-verbaal van diverse gehoren, valt op te maken dat de vreemdeling de wetenschap bezat dat hij niet was voorzien van enig relevant document, dat hij zonder enige connectie hier te lande een lopende asielaanvraag in Zweden niet heeft afgewacht, dat hij geen zelfstandige middelen van bestaan of middelen voor de terugreis bij zich had en zich op gezette tijden heeft uitgegeven onder diverse personalia.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 30 december 2004 in zaak nr. 200409979/1, JV 2005/81), maakt de onrechtmatigheid van de staandehouding de daaropvolgende inbewaringstelling, indien aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, eerst onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De vreemdeling heeft tijdens de gehoren afgenomen op 12 mei 2011 verklaard dat hij uit Marokko komt, dat hij geen reisdocumenten heeft, dat hij zijn land in 2007 heeft verlaten en via Spanje naar België is gereisd en vervolgens naar Zweden is gegaan. Voorts heeft de vreemdeling verklaard dat hij in Zweden asiel heeft aangevraagd, maar dat hij de uitkomst van de procedure niet heeft afgewacht. De vreemdeling heeft voorts verklaard op weg te zijn naar België, waar familie van hem woonachtig is. Voorts is gebleken dat de vreemdeling van aliassen gebruik heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden bestaat, hoewel door het onrechtmatig staande houden van de vreemdeling diens zwaarwegende belang, gelegen in het daarvan gevrijwaard blijven, geschonden is, geen aanleiding voor het oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet opwegen tegen het door het vastgestelde gebrek geschonden belang van de vreemdeling.

Grief 2 slaagt derhalve.

2.4. Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 mei 2011 beoordelen in licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. De vreemdeling betoogt dat Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 34; hierna: de richtlijn) van toepassing is en dat de bewaring in strijd is met artikel 6, eerste lid, van die richtlijn, nu aan hem niet tijdig een terugkeerbesluit is uitgereikt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201103206/1/V3; www.raadvanstate.nl), valt een door een lidstaat van de Europese Unie aan een andere lidstaat gericht verzoek tot overname of terugname van een vreemdeling op grond van de Verordening niet als terugkeer in de zin van de richtlijn aan te merken. Blijkens het gehoor, gehouden voorafgaande aan de inbewaringstelling, blijkt dat er concrete aanknopingspunten waren dat de vreemdeling aan een andere lidstaat van de Europese Unie zou kunnen worden overgedragen op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen, welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend. Daarmee is de toepassing van de richtlijn uitgesloten.

De beroepsgrond faalt derhalve.

2.7. Het beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 24 mei 2011 in zaak nr. 11/16543;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2012

393.

Verzonden: 2 februari 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser