Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201107674/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Robesta Vastgoed B.V. (hierna: Robesta) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een geluidsmuur op het perceel Lageweg 1 te Katwijk (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 52
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107674/1/A1.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Katwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 juni 2011 in zaak nr. 10/3419 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Robesta Vastgoed B.V. (hierna: Robesta) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een geluidsmuur op het perceel Lageweg 1 te Katwijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2009 onder verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 augustus 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en J.F.C. Kupers, en het college, vertegenwoordigd door S.M.W. van der Weijden en P.W.T.M. Mens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Robesta, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en L.A. de Vos, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft de hoger beroepsgrond die direct betrekking heeft op de hoogte van de geluidmuur ter zitting ingetrokken.

2.2. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een geluidsmuur op het perceel, met een lengte van circa 100 m en een hoogte van 5 m.

Op het perceel wordt het afvalverwerkingsbedrijf Van Gansewinkel B.V. (hierna: Van Gansewinkel) geëxploiteerd, een dochteronderneming van Robesta en tevens drijver van de inrichting.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Bedrijventerrein 't Heen 1999" rust op het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden I-BI", met het differentiatievlak "afwijkende milieucategorieën" met de nadere aanduiding "vuilverwerking/ op- en overslag" en het nadere differentiatievlak "Waterstaatkundige doeleinden".

Ingevolge artikel 4, zevende lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3 m bedragen.

Ingevolge artikel 11, onder B, eerste en derde lid, mogen op gronden die op de plankaart zijn aangeduid als "waterstaatkundige doeleinden" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van die bestemming en met een hoogte van maximaal 3 m.

2.4. Het te realiseren bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat de geluidsmuur de maximale bouwhoogte van 3 m, die geldt voor gronden gelegen buiten het bouwvlak, overschrijdt en omdat binnen het nadere differentiatievlak "Waterstaatkundige doeleinden" uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen mogen worden opgericht ten dienste van die bestemming. Om het bouwplan niettemin te kunnen realiseren heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat luidde ten tijde van belang, vrijstelling verleend.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de procedures over het onderhavige besluit en over de bij besluit van 30 oktober 2008 aan Van Gansewinkel krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning ten onrechte niet heeft gecoördineerd.

2.5.1. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van belang, is vereist.

2.5.2. De in artikel 52 van de Woningwet geregelde aanhoudingsplicht is op het bouwplan niet van toepassing, omdat bouwvergunning geweigerd moest worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Derhalve bestond er voor het college geen aanhoudingsplicht.

Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen vrijstelling kon verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO, omdat de geluidsmuur geen betrekking heeft op de bedrijfsuitoefening van het afvalverwerkingsbedrijf.

2.6.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing, waarbij onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan wordt verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.6.2. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland heeft bij besluit van 9 oktober 2007 de regeling "Aanwijzing van categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, lid 2, van de WRO" vastgesteld (hierna: de regeling). In de categorie "Bedrijfsterreinen" is bepaald dat het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan voor het bouwen van bedrijfsgebouwen (geen dienstwoningen), bedrijfskantoren en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bedrijfsuitoefening.

2.6.3. De geluidsmuur is aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Nu de bouw van de geluidsmuur ten doel heeft om te voldoen aan de geluidgrenswaarden, opgenomen in de voorschriften verbonden aan de bij besluit van 4 maart 2010 door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Van Gansewinkel krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de geluidsmuur wordt gerealiseerd ten behoeve van de bedrijfsuitoefening. Aldus heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college bevoegd was om vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt dat het realiseren van de geluidsmuur samenhangt met het voornemen van Van Gansewinkel om haar capaciteit te vergroten. Volgens hem heeft de rechtbank echter niet onderkend dat de locatie waar het bedrijf gevestigd is, te klein is om de beoogde uitbreiding te realiseren.

2.7.1. Het bouwplan heeft uitsluitend betrekking op het realiseren van een geluidsmuur op het perceel en wordt niet opgericht met het oogmerk de bedrijfscapaciteit van Van Gansewinkel te vergroten. Aan het betoog van [appellant] dat de locatie niet geschikt is voor een bedrijfsuitbreiding, wat daar verder van zij, komt in deze procedure dan ook geen betekenis toe.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In dit verband betoogt hij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het realiseren van het bouwplan een ernstige inbreuk maakt op het geldende planologische regime. Daartoe voert [appellant] aan dat de geluidsmuur veel hoger wordt dan de maximaal toegestane bouwhoogte.

2.8.1. In de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het besluit van 7 juli 2009, is weergegeven dat de geluidsmuur op ten minste 15 m afstand van de waterkant van het Uitwateringskanaal zal worden geplaatst en dat de geluidsmuur, behalve een geluidreducerende werking, een functie heeft als visuele afscherming van het buitenterrein van het bedrijf. Voorts is vermeld dat een geluidsmuur met een hoogte van 5 m op een afstand van 15 m van de waterkant uit stedenbouwkundig opzicht aanvaardbaar is, mits deze op goede wijze met een opgaande groenzone wordt afgeschermd en daarmee grotendeels aan het zicht wordt ontrokken. In dit verband wordt in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat de geluidsmuur direct na realisering wordt beplant met niet bladverliezende hedera, die over de volle lengte van het perceel moet worden voortgezet.

2.8.2. Daargelaten of het realiseren van de geluidsmuur een ernstige inbreuk maakt op het geldende planologische regime, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college met de gegeven ruimtelijke onderbouwing voldoende heeft gemotiveerd dat de te realiseren geluidsmuur inpasbaar is in de omgeving. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat op een gedeelte van het bedrijventerrein de maximale hoogte van bedrijfsgebouwen op grond van de planvoorschriften 12,5 m mag bedragen.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen vrijstelling van het bestemmingsplan had mogen verlenen, omdat de geluidsmuur geen voldoende maatregel is om te kunnen voldoen aan de in de milieuvergunning van 4 maart 2010 gestelde geluidsgrenswaarden. In dit verband wijst [appellant] op de door Kupers en Niggenbrugge uitgevoerde akoestische rapporten van 15 februari 2009 en 21 september 2009, waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de geluidsmuur te laag is om effectief te zijn, verkeerde bronhoogtes zijn gehanteerd, bij het stapelen van containers geen rekening is gehouden met de maximale geluidniveaus, dat de blokkenconstructie geluid doorlaat en de beplanting voor de muur niet effectief is. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de geluidsmuur het geluid van de scheepvaart op het Uitwateringskanaal in de richting van zijn woning reflecteert. Tot slot betoogt hij dat het besluit van 4 maart 2010 inmiddels door de Afdeling is vernietigd bij uitspraak van 1 juni 2011, in zaak nr. 201003842/1/M1, zodat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat dit besluit in stand zou blijven. Tevens heeft de rechtbank volgens [appellant] niet onderkend dat de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing is op een nieuw te nemen besluit waarbij krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend voor het op het perceel gevestigde afvalverwerkingsbedrijf.

2.9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2006 in zaak nr. 200500950/1; www.raadvanstate.nl) betreft de bescherming van het milieu tegen hinder die gepaard gaat met het uitoefenen van een activiteit waarop de vrijstelling ziet, een aspect waarvan de beoordeling primair plaats dient te vinden in het kader van de Wet milieubeheer. Voor het oordeel dat het bevoegde bestuursorgaan niet met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling mocht verlenen, kan aanleiding bestaan indien ernstig moet worden betwijfeld dat voor de beoogde activiteit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden verleend.

2.9.2. In de "Bijlage behorende bij de vrijstelling ex 19, lid 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het plaatsen van een geluidsmuur op het perceel aan de Lageweg 1 te Katwijk" van 13 april 2010 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) is weergegeven dat geluid dat afkomstig is van de zijde van de geluidsmuur waar Van Gansewinkel zich bevindt, is onderzocht in het kader van het voorbereiden van het besluit van 4 maart 2010. Met betrekking tot geluidaspecten aan de andere kant van de muur, te weten aan de zijde van het kanaal, kan reflectie optreden. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat door het aanbrengen van groenblijvende beplanting en goed onderhoud daarvan de geluidsmuur geen waarneembare geluidreflectie van onder meer de scheepvaart zal opleveren.

2.9.3. Aan Van Gansewinkel is bij besluit van 30 oktober 2008 krachtens de Wet milieubeheer door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland vergunning verleend. Bij uitspraak van 23 december 2009, in zaak nr. 200809438/1/M1, heeft de Afdeling dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de straffactor voor tonaal geluid in het daaraan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek onjuist was toegepast. In het kader van het besluit van 4 maart 2010 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 nieuwe geluidberekeningen uitgevoerd.

2.9.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college er ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 15 april 2010 niet op voorhand van behoefde uit te gaan dat de geluidberekeningen die ten grondslag liggen aan het besluit van 4 maart 2010 zodanige onjuistheden of gebreken bevatten, dat het college van gedeputeerde staten zich hierop bij het verlenen van de milieuvergunning aan Van Gansewinkel niet heeft kunnen baseren. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de uitgangspunten in de geluidberekeningen behorend bij de milieuvergunning van 4 maart 2010 die betrekking hebben op de geluidmuur, niet afwijken van de uitgangspunten die hierover zijn gehanteerd in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag lag aan de eerdere milieuvergunning van 30 oktober 2008. In haar uitspraak van 23 december 2009 heeft de Afdeling niet geoordeeld dat die uitgangspunten onjuist zijn.

Over de omstandigheid dat in de akoestische onderzoeken uitgevoerd door Kupers en Niggebrugge afwijkende conclusies worden getrokken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat die dienden te worden beoordeeld in het kader van de procedure over het besluit van 4 maart 2010.

Ten aanzien van de reflectie van geluid heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college er ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar niet van uit hoefde te gaan dat deze reflectie zodanig zou zijn, dat om die reden geen vrijstelling kon worden verleend. Het college heeft ter zitting uiteengezet dat de reflectie van geluid als gevolg van scheepvaart in het Uitwateringskanaal verwaarloosbaar zal zijn, nu de frequentie van twee passerende schepen per dag zeer laag is. Verder heeft het college gesteld dat de maatregelen die in het besluit op bezwaar zijn genoemd, te weten beplanting van de geluidsmuur en het aanleggen van een coniferenhaag over de volledige lengte van de geluidsmuur, een voldoende geluiddempend effect hebben. Voorts is in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 over de op 30 oktober 2008 aan Van Gansewinkel verleende milieuvergunning, geoordeeld dat door de voor het geluidscherm voorgeschreven beplanting het geluidscherm niet of nauwelijks geluid zal reflecteren, nog afgezien van de vraag of deze reflectie aan het in werking zijn van de inrichting kan worden toegerekend.

De omstandigheid dat de Afdeling het besluit van 4 maart 2010 inmiddels bij uitspraak van 1 juni 2011, in zaak nr. 20100384/1/M1, heeft vernietigd, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan kon verlenen. Of de Chw al dan niet van toepassing is op een nog te nemen besluit heeft de rechtbank terecht niet bij de beoordeling betrokken.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de geluidsmuur is strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hiertoe betoogt hij dat in het welstandsadvies zonder nadere motivering is afgeweken van de gemeentelijke welstandsnota.

2.10.1. Op 9 december 2008 is door de welstandscommissie een positief advies over het bouwplan uitgebracht. Het bouwplan is op 15 september 2009 nogmaals aan de welstandscommissie voorgelegd naar aanleiding van gemaakte bezwaren. Het bouwplan is door de welstandscommissie akkoord bevonden, onder de voorwaarde dat de geluidsmuur wordt beplant met niet bladverliezende hedera en de coniferenhaag volledig wordt doorgezet over de volle lengte van het perceel. Het college heeft deze voorwaarde aan het besluit op bezwaar van 15 april 2010 verbonden.

[appellant] heeft niet beargumenteerd met welke criteria uit de welstandsnota het bouwplan in strijd is. De omstandigheid dat in een vergadering van de welstandscommissie voorafgaand aan het advies van 9 december 2008 kanttekeningen zijn geplaatst bij het bouwplan, leidt niet tot het oordeel dat het college het welstandsadvies niet aan zijn besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning ten grondslag mocht leggen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

2.11. [appellant] betoogt tevergeefs dat het verlenen van een milieuvergunning onder de voorwaarde dat een geluidsmuur van grote omvang moet worden gerealiseerd, ontoelaatbaar is. Dit betoog heeft geen betrekking op het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning dat in dit geding ter beoordeling staat. Aan de vraag of al dan niet een milieuvergunning aan Van Gansewinkel kan worden verleend komt in deze procedure geen betekenis toe.

2.12. Voor zover [appellant] in hoger beroep voor het overige in eerdere instantie aangevoerde beroepsgronden heeft herhaald en ingelast, betreft het hoger beroep een niet nader gemotiveerde herhaling daarvan. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.13. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

407-651.