Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BV3258

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
201106821/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106821/1/A2.

Datum uitspraak: 8 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Elst,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 mei 2011 in zaak nr. 10/2989 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het college een verzoek van [appellante] om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2011, hoger beroep ingesteld.

De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 15 juli 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [directeuren], bijgestaan door mr. M.J.A. Arts, advocaat te Nijmegen, en vergezeld van drs. M.H.J. Evers, werkzaam bij CBW-MITEX, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C.L. Beks, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Nadeelcompensatieverordening Arnhem 2003 is deze verordening van toepassing op door het college aangewezen projecten.

Ingevolge artikel 3 kent het college degene die nadeel lijdt dat rechtstreeks het gevolg is van de rechtmatige uitvoering van het project en dat, alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, met inachtneming van het bepaalde in deze verordening op verzoek een schadevergoeding toe, voor zover de vergoeding van dit nadeel niet of niet voldoende op andere wijze is gewaarborgd.

2.2. [appellante], die van 1950 tot 2006 een winkel in meubelen en woninginrichting aan het Gele Rijdersplein te Arnhem exploiteerde, heeft verzocht om vergoeding van financieel nadeel over de periode van 2003 tot en met 2006 ten gevolge van wegwerkzaamheden en -omleggingen in de directe omgeving van de winkel, waardoor het Gele Rijdersplein verminderd bereikbaar was, minder klanten de winkel bezochten en de omzet daalde. Voorts heeft [appellante] verzocht om vergoeding van financieel nadeel ten gevolge van het per augustus 2005 wegnemen van betaalde parkeerplaatsen op het Gele Rijdersplein, waardoor minder klanten de winkel bezochten en de omzet daalde.

2.2.1. Het college, dat de gestelde werkzaamheden heeft aangewezen als projecten als bedoeld in artikel 2 van de Nadeelcompensatieverordening Arnhem 2003, heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Schadebeoordelingscommissie (hierna: de commissie). De commissie heeft op 23 december 2009 een rapport uitgebracht, waarvan notities van 24 april 2009 en 23 december 2009 deel uitmaken. Het college heeft dit rapport aan het afwijzende besluit van 27 januari 2010 ten grondslag gelegd.

Aan het besluit van 15 juli 2010 heeft het college een advies van de algemene bezwaarschriftencommissie, waarin mede wordt verwezen naar een nader rapport van 29 maart 2010 van de commissie, ten grondslag gelegd.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan het advies van de commissie gebreken kleven en dat dit advies daarom niet aan het besluit van 15 juli 2010 ten grondslag kon worden gelegd. Zij voert aan dat de commissie heeft miskend dat de gestelde omzetschade het rechtstreeks gevolg is van de wegwerkzaamheden en -omleggingen, omdat eerst begin januari 2003 sprake is van een negatieve omzetontwikkeling. Voorts stelt [appellante] dat de commissie haar omzetontwikkeling ten onrechte heeft beoordeeld op grond van maandcijfers, in plaats van jaarcijfers. In dit verband wijst zij op de specifieke aard van haar bedrijf, het daarmee samenhangende grillige verloop van de maandelijkse omzetcijfers en het zogenaamde 'na-ijleffect' van de wegwerkzaamheden en -omleggingen. Verder stelt [appellante] dat de commissie de omzetdaling steeds per jaar ten opzichte van het voorafgaande jaar heeft berekend, waardoor de cumulatieve negatieve gevolgen onvoldoende tot uitdrukking komen. Datzelfde geldt voor de wijze waarop de afname van het aantal parkeerders voor het jaar 2003 is berekend. [appellante] stelt dat die afname ten opzichte van het jaar 2000 zou moeten worden berekend. De commissie heeft volgens [appellante] ook ten onrechte geen rekening gehouden met de herkomst van de parkeerders en het parkeergedrag. [appellante] wijst verder op een krantenartikel waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat er een causaal verband bestaat tussen de wegwerkzaamheden en -omleggingen en haar omzetdaling.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200707715/1; www.raadvanstate.nl) mag het college bij zijn besluit op een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel van het advies van de deskundige uitgaan, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

2.3.2. Het betoog van [appellante] biedt geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies van de commissie. De commissie heeft op basis van de door [appellante] verstrekte gegevens geconstateerd dat de omzet in 2001 ten opzichte van 2000 toenam, maar in 2002 daalde, zelfs meer dan de omzetontwikkeling in de branche, en heeft aldus voldoende inzichtelijk gemaakt dat de winkel reeds vóór 2003 geen stabiele omzetontwikkeling kende.

De commissie heeft vervolgens de gemiddelde maandomzetten over de jaren 2000 tot en met 2002 berekend, deze maandomzetten vergeleken met de maandomzetten van dezelfde maanden van de jaren 2003 tot en met 2007 en een procentuele vergelijking met de omzetontwikkeling in de branche gemaakt. Op basis van die gegevens heeft de commissie een mogelijk effect van de afsluiting van de Looierstraat in de periode januari tot en met mei 2003 op de omzetontwikkeling van de winkel onderzocht. De commissie heeft ook een mogelijk effect op de omzetontwikkeling onderzocht van de opheffing van de aansluiting tussen het Willemsplein en de Jansbinnensingel in de periode van augustus 2004 tot en met juli 2005 en van de opheffing van betaalde parkeerplaatsen op het Gele Rijdersplein in de periode van augustus 2005 tot augustus 2006.

Anders dan [appellante] stelt, is niet onbegrijpelijk dat de commissie het onderzoek naar mogelijke effecten van de wegwerkzaamheden en -omleidingen op de omzetontwikkeling op maandomzetten heeft gebaseerd, nu de werkzaamheden van beperkte duur waren en gefaseerd hebben plaatsgevonden. De commissie heeft het onderzoek ook op jaaromzetten geanalyseerd, nu zij de trend van de omzetontwikkeling van de jaren voorafgaand aan augustus 2005 heeft beoordeeld. Voorts heeft de commissie de maandomzetten berekend op basis van orderbonnen, en niet op basis van facturen, zodat de commissie zich aldus rekenschap heeft gegeven van de specifieke aard van het bedrijf en het daarmee samenhangende grillige verloop van de maandelijkse omzetcijfers.

2.3.3. Anders dan [appellante] heeft gesteld, mocht het college bij zijn besluitvorming afgaan op het advies van de commissie en heeft het college zich terecht, in navolging van dit advies, op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat sprake is van een causaal verband tussen de wegwerkzaamheden en -omleggingen en de gestelde verminderde bereikbaarheid van de winkel, waardoor omzetschade zou zijn geleden. Daartoe is van belang dat tot augustus 2005 geen werkzaamheden op het Gele Rijdersplein zijn uitgevoerd, het plein ondanks de wegwerkzaamheden en -omleggingen steeds bereikbaar is gebleven en het aantal voor potentiële klanten beschikbare parkeerplaatsen op het plein niet is gewijzigd. Voorts is het aantal parkeerders op het Gele Rijdersplein in 2003 slechts met 2,7% gedaald ten opzichte van 2002. Gedurende de opheffing van de aansluiting tussen het Willemsplein en de Jansbinnensingel in de periode van augustus 2004 tot augustus 2005 is het aantal parkeerders in de directe nabijheid van de winkel van [appellante] zelfs toegenomen ten opzichte van het voorafgaande jaar.

Het college heeft zich, in navolging van de commissie, ook terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat sprake is van een causaal verband tussen de opheffing vanaf augustus 2005 van nagenoeg alle betaalde parkeerplaatsen op het Gele Rijdersplein en de gestelde verminderde bereikbaarheid van de winkel, waardoor sprake zou zijn van omzetschade. Daartoe is van belang dat, hoewel het aantal voor potentiële klanten beschikbare parkeerplaatsen op het Gele Rijdersplein is afgenomen, het totaal aantal openbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de winkel vanaf augustus 2005 juist aanmerkelijk is toegenomen door de uitbreiding van de nabijgelegen parkeergarages onder het Stationsplein en het Musiskwartier.

2.3.4. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd, acht de Afdeling niet onbegrijpelijk dat de commissie bij het onderzoek naar de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de werkzaamheden in 2003 en de gestelde verminderde bereikbaarheid van de winkel, het aantal parkeerders op het Gele Rijdersplein in 2003 heeft vergeleken met het aantal parkeerders in het direct daaraan voorafgaande jaar en niet met het aantal parkeerders in het jaar 2000.

Voor zover [appellante] stelt dat de soort en de herkomst van parkeerders op het Gele Rijdersplein na de wegwerkzaamheden en -omleggingen is gewijzigd en dat juist parkeerders die behoorden tot haar potentiële klantenkring het Gele Rijdersplein niet meer wisten te vinden, ligt het op haar weg om dat aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. De ter zitting overgelegde tabellen behelzen informatie over postcodes van klanten die orders bij de winkel hebben geplaatst en over het aantal nieuwe klanten ten opzichte van bestaande klanten, maar behelzen geen informatie over de soort en de herkomst van parkeerders van het Gele Rijdersplein.

De enkele omstandigheid dat in een krantenbericht staat vermeld dat de afdeling Economische Zaken van de gemeente Arnhem de veranderde verkeerssituatie op het Willemplein en verminderde bereikbaarheid van het Gele Rijdersplein aanwijst als oorzaak van de leegstand van winkels in de Arnhemse binnenstad, biedt geen concreet aanknopingspunt om het onderhavige causaal verband niettemin aannemelijk te achten.

In dit verband is niet zonder belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat het Gele Rijdersplein al sinds midden jaren negentig door allerlei oorzaken een minder aantrekkelijk winkelgebied is geworden en daarmee steeds meer buiten de "loop" van het kernwinkelgebied van Arnhem is komen te liggen.

2.3.5. Nu het college zich terecht, in navolging van de commissie, op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat sprake is van een causaal verband tussen de gestelde schadeoorzaken en de verminderde bereikbaarheid van de winkel, bestond reeds daarom geen aanleiding om, zoals [appellante] heeft gesteld, de cumulatieve negatieve omzetdaling te berekenen.

Evenmin lag het op de weg van het college om onderzoek te doen naar mogelijke andere oorzaken van de omzetdaling of naar de vraag of het nadeel onevenredig is. Al hetgeen [appellante] heeft aangevoerd met betrekking tot andere schadeoorzaken en het onevenredig nadeel kan daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Het betoog faalt.

2.4. Gelet op het voorgaande is ook geen aanleiding om nader advies bij de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening in te winnen, zoals [appellante] heeft verzocht.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012

299.